Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6649

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10530
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2000-05-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/10530 S1813

inzake: A, wonende in Marokko, eiseres,

tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren in 1924, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Op 8 september 1998 heeft B, hierna: referent, bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot

voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres, zijn moeder. Bij besluit van 2 februari 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Bij bezwaarschrift van 1 maart 1999, aangevuld bij brief van 18 maart 1999, heeft

eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 18 augustus 1999.

2. Bij beroepschrift van 13 september 1999, aangevuld bij brief van

18 november 1999, heeft eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiseres de rechtbank verzocht het besluit te vernietigen en het beroep gegrond te verklaren, en te bepalen dat aan

eiseres een mvv wordt verstrekt dan wel verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen. Voorts heeft eiseres verzocht om een proceskostenveroordeling van verweerder. Op 20 december 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende

stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 14 maart 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 31 maart

2000.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2000. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door mr. H.L.M. Lichteveld, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. J. Prins,

ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst. Tevens waren referent en M. Ziani als tolk ter zitting aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 33d van de Vw worden besluiten omtrent de afgifte van mvv's, gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld

met besluiten aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vreemdelingenwet. De rechtbank is derhalve bevoegd.

2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Referent is de enige zoon van eiseres. Hij is op 11 oktober 1980 in Marokko gehuwd met C. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren (respectievelijk op [...] 1981, [...] 1986 en [...] 1987). De echtgenote en kinderen van referent

hebben sinds 1980 respectievelijk sinds hun geboorte in Marokko samengewoond met de ouders van referent. De vader van referent is overleden op 11 december 1989.

Referent verblijft in ieder geval sinds 1986 in Nederland. Hij heeft ook voordien (sinds 1978) geruime tijd hier te lande verbleven. Referent is met ingang van 22 januari 1997 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf.

Op 8 september 1998 heeft referent verzocht om afgifte van mvv's ten behoeve van zijn echtgenote, drie kinderen en moeder (eiseres). Bij brief van 13 januari 1999 heeft verweerder referent bericht geen bezwaar te hebben tegen

afgifte van mvv's ten behoeve van zijn echtgenote en kinderen.

De echtgenote en kinderen van referent hebben zich in het voorjaar van 1999 bij referent in Nederland gevoegd.

Referent heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij verdient ƒ 2.551,25 bruto per maand.

3. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Zij beroept zich daarbij allereerst op het beleid inzake verruimde gezinshereniging. In het bestreden besluit is ten onrechte gesteld dat geen sprake

is van onevenredige hardheid bij de achterlating van eiseres in Marokko. Eiseres is 75 jaar oud en heeft 19 jaar deel uitgemaakt van het gezin van haar zoon en schoondochter. Zij heeft geen familie meer in Marokko. Sinds het vertrek

van haar schoondochter en kleinkinderen is eiseres voor boodschappen en dergelijke afhankelijk van buren. Deze situatie kan niet voortduren. Eiseres is aangewezen op haar zoon en schoondochter. Het gaat niet aan om referent tegen te

werpen dat hij zijn echtgenote en kinderen met de hen verleende mvv's heeft laten overkomen, terwijl zijn moeder in Marokko achterbleef. Referent had daarin geen keuze, omdat verleende mvv's slechts 6 maanden geldig zijn. Eiseres is

bovendien zeer verknocht aan de kleinkinderen en mist hen zeer sinds hun vertrek.

Eiseres meent voorts dat zij ook aan het beleid ten aanzien van vreemdelingen van 65 jaar en ouder (het ouderenbeleid) aanspraak op toelating kan ontlenen. Aan eiseres is namelijk ten onrechte tegengeworpen dat niet aan het

middelenvereiste wordt voldaan. Tijdens de hoorzitting is

de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat over het middelenvereiste in het ouderenbeleid niet gesproken hoefde te worden, aangezien het verschil op dit punt tussen het ouderenbeleid en het verruimde gezinsherenigingsbeleid

onbegrijpelijk is. Op grond daarvan kon eiseres de gerechtvaardigde verwachting koesteren dat het in het ouderenbeleid gestelde middelen- vereiste haar niet zou worden tegengeworpen. Eiseres heeft daarbij verwezen naar een

aanvulling harerzijds op het verslag van het AC-gehoor van 19 augustus 1999. Bovendien beschikt referent daadwerkelijk over voldoende middelen van bestaan om ook in het levensonderhoud van eiseres te voorzien.

Zijn netto-inkomsten bedragen ƒ 2.535,= per maand. Van belang is dat de vaste lasten van referent nauwelijks zullen stijgen door de overkomst van eiseres. Eiseres zal bij zijn gezin inwonen. Ten slotte meent eiseres dat het

bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert, nu niet is getoetst aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit hetgeen in bezwaar is aangevoerd

had verweerder moeten concluderen dat er een positieve verplichting bestaat uitoefening van het gezinsleven tussen eiseres en - met name - haar kleinkinderen in Nederland mogelijk te maken.

Daarbij heeft eiseres een beroep gedaan op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 januari 1999 (AWB 97/12298 VRWET).

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres noch aan het verruimde gezinsherenigingsbeleid noch aan het ouderenbeleid aanspraak op toelating kan ontlenen. Het beroep op het verruimde gezinsherenigingsbeleid faalt omdat

niet is aangetoond dat sprake is van onevenredige hardheid bij de achterlating van eiseres in Marokko. Uit het feit dat eiseres in het voorjaar van 1999 in Marokko is achtergelaten blijkt een zeker vertrouwen aan de kant van

referent, dat zijn moeder zich aldaar zelfstandig kan handhaven. Bovendien is niet gebleken van het tegendeel. Eiseres woont immers in een huis van referent in een klein dorp waar ze de mensen kent en waar ook de familie van haar

schoondochter woont, en waar zij wordt bijgestaan door de buren. Nu referent eiseres vanuit Nederland financieel ondersteunt, valt niet in te zien dat en waarom eiseres zich niet zelfstandig, eventueel met de hulp van kennissen en

buren, in Marokko kan handhaven. Het in beroep aangevoerde argument dat de mvv's voor referents echtgenote en kinderen een beperkte geldigheidsduur bezaten, kan eiseres niet baten. Dit neemt immers niet weg dat de keuze is gemaakt

gebruik te maken van de verleende mvv¿s terwijl aan eiseres een mvv was onthouden.

Het beroep op het ouderenbeleid faalt omdat niet is voldaan aan de gestelde middeleneis, volgens welke referent dient te beschikken over een inkomen dat minimaal gelijk is aan de gezinsnorm plus de alleenstaandennorm ingevolge de

Algemene Bijstandswet (Abw), te weten een bedrag van f 3.107,77 netto per maand. In zijn verweerschrift heeft verweerder hieraan nog toegevoegd dat het beroep op het ouderenbeleid ook reeds niet kan slagen omdat referent niet

behoort tot de categorieën van personen bij wie toelating op grond van dit beleid kan worden toegestaan. Hij beschikt immers niet over een vergunning tot vestiging, een vergunning tot verblijf als asielgerechtigde, een

vluchtelingenstatus of het Nederlanderschap. Aan het in het ouderenbeleid gestelde middelenvereiste wordt niet voldaan. Waar eiseres stelt dat haar is toegezegd dat dit haar niet zou worden tegengeworpen, getuigt dit van een

onjuiste lezing van het AC-verslag dan wel van een misverstaan van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht.

Ook aan artikel 8 van het EVRM kan eiseres geen aanspraak op toelating ontlenen. In het primaire besluit is terecht overwogen dat geen sprake is van inmenging, noch van een positieve verplichting. Daarbij komt dat eiseres pas in

beroep de bescherming van artikel 8 van het EVRM heeft ingeroepen ten aanzien van het familie- en gezinsleven tussen haar en de

kleinkinderen. Dit beroep kan ook overigens niet slagen, nu niet is gebleken dat de relatie tussen eiseres en haar kleinkinderen dermate hecht is dat sprake is van 'more thans normal emotional ties'. Daarbij is in aanmerking genomen

dat niet is gebleken dat eiseres een - financiële - bijdrage levert aan de opvoeding van de kinderen. Bovendien is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Het beroep

van eiseres op de uitspraak van 28 januari 1999 (AWB 97/12298 VRWET) levert geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel op. De enkele verwijzing naar deze uitspraak is daartoe onvoldoende. Overigens vloeit uit de enkele

omstandigheid dat eiseres met haar kleinkinderen in gezinsverband heeft samengeleefd, voor verweerder niet een positieve verplichting voort om eiseres verblijf hier te lande toe te staan.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

6. Voor een verblijf in Nederland van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling in beginsel een der verblijfstitels genoemd in de artikelen 9 tot en met 10 van de Vw. Met het oog hierop pleegt een aanvraag om een mvv te worden

getoetst aan dezelfde criteria als die welke strekken tot het verkrijgen van een vergunning tot verblijf. Een mvv kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11, vijfde lid van de Vw worden geweigerd op gronden aan

het algemeen belang ontleend.

7. Bij de toepassing van dit artikellid wordt het beleid gevoerd dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

8. Ingevolge het beleid inzake verruimde gezinshereniging, neergelegd in hoofdstuk B1/7 van de Vc 1994, kunnen naast de (huwelijks-)partner en de minderjarige kinderen van een Nederlander ook andere gezinsleden voor toelating in

aanmerking komen mits zij feitelijk behoren tot het gezin van degene bij wie toelating wordt beoogd, voor zover hun achterlating een onevenredige hardheid zou betekenen.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit zijn in primo ingenomen standpunt dat eiseres niet feitelijk behoort tot het gezin van referent, heeft verlaten en dat verweerder heeft erkend dat eiseres sinds 1980

feitelijk behoort tot het gezin van referent. Verweerder werpt in het bestreden besluit, in dit verband, uitsluitend nog tegen dat achterlating van eiseres in Marokko niet van onevenredige hardheid getuigt.

De argumenten die verweerder aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd, kunnen naar het oordeel van de rechtbank dit standpunt echter niet dragen.

Uit het feit dat eiseres is achtergelaten in de situatie waarin de aan de overige gezinsleden verleende mvv's dreigden te verlopen, kan niet worden afgeleid dat zij zich daar in de ogen van referent en zijn gezin zelfstandig kan

handhaven. Referent en zijn overige gezinsleden verkeerden toen immers in een dwangpositie. Voorts vormt de omstandigheid dat eiseres zich sinds het vertrek van haar schoondochter en de kinderen met hulp van buren en kennissen heeft

weten te redden, geen aanwijzing voor het oordeel dat achterlating van eiseres niet van onevenredige hardheid getuigt. Die omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank immers zonder doorslaggevende betekenis voor de kern van

deze zaak. Die is gelegen in de vraag of van eiseres, na zeer lang in gezinsverband met haar schoondochter en kleinkinderen te hebben samengewoond, in redelijkheid kan worden gevergd op haar oude dag van hen te worden gescheiden.

10. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres geen aanspraak op een vergunning tot verblijf kan ontlenen aan het verruimde gezinsherenigingsbeleid. Het besluit kan

daarom niet in stand blijven. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

11. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan eiseres een mvv wordt verleend, en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Gelet op de stukken en het

verhandelde ter zitting is de rechtbank immers van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat achterlating van eiseres van onevenredige hardheid getuigt. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting niet nader kunnen motiveren waarom

die achterlating niet van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanwijzingen voor dat oordeel en acht uitgesloten dat verweerder na een enkele vernietiging van het bestreden besluit nog iets zou kunnen

aanvoeren dat leidt tot het oordeel dat de achterlating van eiseres in Marokko niet van onevenredige hardheid getuigt. Gelet op de leeftijd van eiseres en op het feit dat zij twintig jaar een gezin heeft gevormd met referent (en

sinds zijn huwelijk en de geboorte van de kinderen met zijn echtgenote en kinderen), is er aanleiding het tegendeel aan te nemen.

12. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen overigens tussen partijen in geschil is, geen bespreking meer behoeft.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420,= als kosten van verleende rechtsbijstand.

14. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid van de Awb dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat aan eiseres een mvv wordt verleend en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 225,= (zegge tweehonderdenvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420,= (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2000, door mr. W.J. van Bennekom, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.J. Lemmens, griffier.

Afschrift verzonden op: 8 juni 2000

Conc: YL

Coll:

Bp: B13

D: B

110497