Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6648

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/8515
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2000-05-15
Algemene wet bestuursrecht 3:46, geldigheid: 2000-05-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr. : AWB 99/8515 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1963, stelt de Iraakse nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sedert 1991 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 21 april 1997 heeft hij ten tweede male aanvragen ingediend om toelating als

vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 9 juni 1997 heeft verweerder op deze aanvragen afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling

is niet ingewilligd vanwege kennelijke ongegrondheid. Eiser heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 3 juli 1997, aangevuld bij brief van 6 augustus 1997.

Bij besluit van 8 juli 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 30 juli 1999 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 20 oktober 1999 zijn de op de zaak betrekking

hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 11 februari 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, vertegenwoordigd door

mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. van Waegeningh, advocaat te 's-Gravenhage.

Tevens was ter zitting aanwezig K. Saleh, tolk in de Koerdische taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Op 18 augustus 1998 is, in het kader van een nationaliteitsonderzoek, een bandopname gemaakt van eisers spraak. Voorafgaand aan dit nationaliteitsonderzoek geeft de gemachtigde van eiser bij brief van 7 mei 1998 aan verweerder

-onder meer- het volgende te kennen:

"Cliënt heeft één bedenking tegen uw voorstel: omdat hij een deel van zijn leven in Syrië gewoond heeft, spreekt hij zijn taal inmiddels met een - vermoedelijk herkenbaar - Syrisch accent. Indien de IND bereid is dit relevante

gegeven vooraf te berichten aan de instantie die de nationaliteitscheck uit zal voeren, heeft cliënt echter geen bezwaar tegen medewerking aan die nationaliteitscheck."

In het dossier bevinden zich telefoonnotities gedateerd 11 en 12 februari 1999, die betrekking hebben op gesprekken tussen verweerder en de gemachtigde van eiser. Deze notities houden - samengevat - in dat verweerder de bandopname

nog niet naar een onderzoekscentrum heeft verzonden in verband met capaciteitsgebrek bij deze centra. Verweerder laat weten dat de uitslag van de taalanalyse nog wel zes maanden op zich kan laten wachten.

Bij brief van 15 maart 1999 geeft eiser te kennen dat hij zich met een dermate lange behandeling van zijn asielprocedure niet kan verenigen. Eiser verzoekt verweerder derhalve op korte termijn een besluit te nemen.

Op 7 juli 1999 komt de uitslag van de taalanalyse bij verweerder binnen.

Bij besluit van 8 juli 1999 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Bij het op 14 maart 2000 bij de rechtbank ingediende verweerschrift bevindt zich als productie 1 een rapport van de linguïstische analyse uitgevoerd

door Eqvator in Zweden, gedateerd 9 april 1999.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de resultaten van de taalanalyse blijkt dat eiser niet uit Irak afkomstig is. Zijn spraak is verwant aan Syrië. Dit wordt gebaseerd op de woordkeuze, de structuur van de zinnen, de

intonatie en het accent van eiser. Bovendien komt dit overeen met hetgeen door de rechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te Amsterdam, bij uitspraak van 12 juli 1995, geregistreerd onder nummer AWB 94/8775 VRWET, is overwogen.

De rechtbank ging in die uitspraak uit van hetgeen eiser ten tijde van het nader gehoor heeft verklaard, namelijk dat eiser de Syrische nationaliteit bezit. Eiser komt derhalve niet voor toelating als vluchteling dan wel voor

verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard hier te lande in aanmerking komt. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bleek reeds aanstonds dat de bezwaren van eiser ongegrond

waren. Gelet hierop is eiser op grond van artikel 7:3 Awb, niet gehoord.

4. Eiser meent dat hij wel in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat er

sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van de eerdere weigering om eiser op die gronden verblijf in Nederland toe te staan. Eiser beschikt thans over een geldig Iraaks identiteitsbewijs en een uittreksel uit het

bevolkingsregister van zijn geboorteplaats Zakho in Irak. In het nationaliteitsonderzoek van 18 augustus 1998 noch elders in de procedure heeft verweerder de authenticiteit van de overgelegde

identiteitsdocumenten onderzocht. Door deze authentieke documenten geheel buiten beschouwing te laten is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

Bovendien is de Syrische ambassade in Brussel niet bereid om aan eiser een reisdocument voor toelating in Syrië af te geven. Nu de Syrische autoriteiten eiser niet als onderdaan erkennen, kan in rechte moeilijk stand worden gehouden

dat eiser desondanks de Syrische nationaliteit heeft.

Uit het bestreden besluit blijkt niet of - en zo ja, op welke wijze - bij de taalanalyse rekening is gehouden met het feit dat eiser op zijn twaalfde naar Syrië is verhuisd en daar sindsdien heeft gewoond. Eiser heeft expliciet aan

verweerder te kennen gegeven dat de taalanalyse alleen een objectief resultaat zou kunnen opleveren indien de onderzoekers van dit feit op de hoogte zouden zijn en hiermee rekening zouden houden bij de analyse. Eiser heeft aan de

taalanalyse meegewerkt onder de voorwaarde dat de onderzoekers met dit feit rekening zouden houden. Gelet op de duur van eisers verblijf in Syrië is het geenszins verbazingwekkend dat eisers spraak verwant is aan de spraak in Syrië.

Dit zegt dan ook niets over de door eiser gestelde Iraakse nationaliteit. Bovendien is eiser niet in staat gesteld te reageren op de resultaten van de taalanalyse van 9 april 1999.

Dit is in strijd met de beginselen van zorgvuldigheid en fair trial.

Tot slot is eiser van mening dat het besluit in strijd met artikel 7:2 Awb is genomen nu eiser niet is gehoord.

5. In het verweerschrift stelt verweerder dat aan Iraakse documenten in het algemeen weinig waarde kan worden gehecht nu in Irak op relatief eenvoudige wijze authentieke en valse documenten -veelal door omkoping- kunnen worden

verkregen. Voorts stelt verweerder dat het niet nodig is om rekening te houden met het verblijf van een vreemdeling in een ander land bij het uitvoeren van een taalanalyse, omdat met het volwassen worden het strottenhoofd van een

persoon al zo is ontwikkeld dat de klanken van de moedertaal als basisklanken mogen worden beschouwd. Een verblijf in het buitenland werkt eerder conserverend dan veranderend op de moedertaal. Door gebrek aan externe contacten (met

vreemden uit hetzelfde gebied) in de eigen taal, verandert het taalgebruik niet wezenlijk, terwijl het taalvermogen door de aanwezige familieleden of een partner in stand wordt gehouden.

6. Ter zitting geeft verweerder te kennen dat zij er niet mee bekend is of verweerder aan het Zweedse taal-onderzoekscentrum heeft doorgegeven dat eiser sinds zijn twaalfde in Syrië heeft gewoond. Verweerder stelt vast dat dit niet

uit het dossier valt op te maken.

De rechtbank overweegt het volgende.

7. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig

zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

8. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat

vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit

internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

9. Ingevolge de artikelen 3:2 en 3:46 Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dient een bestuursorgaan een besluit zorgvuldig voor te bereiden en op een deugdelijke wijze te motiveren.

10. Eiser heeft op 18 augustus 1998 meegewerkt aan een taalanalyse ter vaststelling van zijn gestelde Iraaks-Koerdische dan wel Syrisch-Koerdische afkomst. Uit de onder rechtoverweging 2 opgenomen feiten blijkt dat eiser vooraf

uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij bereid was aan het nationaliteitsonderzoek mee te werken onder de voorwaarde dat de onderzoekers op de hoogte gesteld zouden worden van het -naar eisers oordeel relevante- feit dat hij

stelt sinds zijn twaalfde in Syrië te hebben gewoond.

11. Door verweerder wordt niet betwist dat zij akkoord is gegaan met het uitvoeren van de taalanalyse onder deze voorwaarde. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat er sprake was van een afspraak tussen verweerder en eiser

inhoudende dat de taalanalysten op de hoogte gesteld zouden worden van het feit dat eiser stelt sinds zijn twaalfde in Syrië te hebben gewoond.

12. Eiser stelt dat verweerder zich niet aan deze afspraak heeft gehouden dan wel dat uit het bestreden besluit niet valt op te maken dat verweerder zich aan de afspraak heeft gehouden.

13. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken in het dossier noch uit het bestreden besluit kan worden opgemaakt dat de taalanalyse daadwerkelijk onder de genoemde voorwaarde is uitgevoerd. Verweerder heeft ter zitting geen

uitsluitsel kunnen geven over de vraag of de Zweedse taalanalysten op de hoogte zijn gesteld van eisers stelling dat hij sinds zijn twaalfde in Syrië heeft gewoond.

14. Een zorgvuldige voorbereiding houdt mede in dat verweerder zich - voorzover dit redelijkerwijs verwacht mag worden- aan zijn gemaakte afspraken houdt. Deze zorgvuldigheid dient tot uiting te komen in de motivering van het

besluit. Nu verweerder geen uitsluitsel heeft kunnen geven over de nakoming van zijn afspraken, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

15. De stelling van verweerder dat het bij het uitvoeren van een taalanalyse niet nodig is om rekening te houden met het verblijf van een vreemdeling in een ander land, maakt dit niet anders. Dat verweerder een gemaakte afspraak

-achteraf- wellicht overbodig vindt, wil nog niet zeggen dat zij dan ook niet gehouden is de afspraak na te komen dan wel gemotiveerd aan te geven waarom zij zich niet aan de afspraak heeft gehouden. Dit weegt des te meer nu

verweerder eiser niet de gelegenheid heeft gesteld op de uitslag van de taalanalyse te reageren alvorens het bestreden besluit te nemen.

16. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

17. Gelet op het voorgaande kan al het overige dat partijen verdeeld houdt buiten bespreking blijven.

18. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

19. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 50, (zegge vijftig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1420, (zegge duizendvierhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der

Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2000, door mr. M.A. Vermeulen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden op: 30 mei 2000

Conc:AJ

Coll:

Bp:

D: B