Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6646

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/7500
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/7500 S1813

inzake: A, wonende te Ghana, eiseres,

tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1975, bezit de Ghanese nationaliteit. Op 5 augustus 1997 heeft B (hierna: referent), bij de

Korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) ten behoeve van eiseres. Bij besluit van

28 januari 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist.

Eiseres heeft tegen dit besluit op 18 februari 1998 een bezwaarschrift

ingediend. Het bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 14 juni 1999.

Het besluit is bij brief van dezelfde datum aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

2. Bij beroepschrift van 8 juli 1999 heeft eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiseres verzocht het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat aan eiseres een mvv afgegeven

wordt. Op 27 augustus 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 4 november 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 1999.

Eiseres noch haar gemachtigde zijn, zoals aangekondigd, aldaar verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.L. de Mik, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 33d Vw worden besluiten omtrent de afgifte van mvv's gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met

besluiten aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vw. De rechtbank 's-Gravenhage is derhalve bevoegd.

2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiseres is door de Vreemdelingendienst in de gelegenheid gesteld, laatstelijk op 17 mei 1999, alsnog een gelegaliseerde en geverifieerde akte van ongehuwd zijn over te leggen. Van deze gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

Eiseres heeft op 1 september 1997 een geboorteakte en een verklaring van ongehuwd zijn ter legalisatie aangeboden aan de Nederlandse ambassade te Accra. Bij besluit van 9 maart 1998 heeft de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd

voornoemde documenten te legaliseren. Bij brief van 23 maart 1998 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Dit bezwaar is door de minister van Buitenlandse Zaken bij besluit van 17 maart 1999 ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 27 april 1999 heeft eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Referent is

sedert 13 februari 1995 in loondienst bij Schoonmaakbedrijf Westerveld B.V. te Hilversum. Hij werkt op basis van een dienstverband voor onbepaalde tijd voor 38 uur per week tegen een brutoloon van Fl. 16,93 per uur. Referent heeft

de Nederlandse nationaliteit.

3. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Daartoe voert zij aan dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor toelating in het kader van het zogenoemde partnerbeleid, zoals neergelegd in hoofdstuk

B1/3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994. Het feit dat eiseres nog niet in staat is geweest om een gelegaliseerde ongehuwdverklaring over te leggen komt niet voor haar risico, aangezien de Nederlandse ambassade te Accra de

ongehuwdverklaring van eiseres om ondeugdelijke redenen niet heeft gelegaliseerd. De ongehuwdverklaring is uitsluitend niet gelegaliseerd omdat het geboortecertificaat niet kon worden gelegaliseerd wegens twijfel omtrent de

geboorteplaats van eiseres.

Tijdens het verificatieonderzoek is niets naar voren gekomen op grond waarvan aan de burgerlijke staat van eiseres, zijnde ongehuwd, zou moeten worden getwijfeld. In het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken betreffende de

legalisatie wordt echter aan de identiteit van eiseres niet getwijfeld. Eiseres kan het feit dat de Nederlandse overheid niet wenst mee te werken aan haar legalisatieprocedure door diezelfde Nederlandse overheid in het kader van

haar toelatingsprocedure niet worden tegengeworpen.

Eiseres is subsidiair van oordeel dat het besluit op haar aanvraag om afgifte van een mvv dan wel het bezwaarschrift had behoren te worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de legalisatieprocedure.

Eiseres is voorts van mening dat er aan alle overige voorwaarden, zoals die

worden gesteld in de Vc 1994, voor het verlenen van een vergunning tot verblijf bij Nederlandse partner wordt voldaan.

Voorts is er sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen eiseres en referent. Voor zover er geen sprake is

van een inbreuk op dit gezinsleven bestaat er voor de Nederlandse Staat de positieve verplichting om de uitoefening van dit gezinsleven hier te lande toe te staan.

Eiseres is tenslotte ten onrechte niet gehoord omtrent haar bezwaar.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden in het kader van het zogenoemde partnerbeleid, nu niet met officiële gelegaliseerde en geverifieerde documenten is aangetoond dat eiseres

ongehuwd is. Het feit dat eiseres ten tijde van de aanvraag noch in de loop van de procedure de vereiste gelegaliseerde en geverifieerde documenten heeft weten over te leggen, terwijl haar daartoe laatstelijk op 17 mei 1999 de

gelegenheid is geboden, komt voor haar eigen risico, nu zij wist of had kunnen weten dat deze documenten ten tijde van de aanvraag op 5 augustus 1997 al hadden moeten worden overgelegd. De legalisatieprocedure is met voldoende

waarborgen omkleed zodat verweerder niet gehouden is om een onderzoek in te stellen naar de reden van de weigering van legalisatie van de aangeboden documenten. De stelling van eiseres dat zij in het bezit van een mvv dient te

worden gesteld omdat legalisatie door toedoen van de Nederlandse overheid niet mogelijk is, kan niet worden gevolgd. De voorwaarde voor toelating is immers dat beschikt wordt over een gelegaliseerde verklaring van ongehuwd zijn en

niet dat hier níet over wordt beschikt.

Gesteld noch gebleken is van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan eiseres een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verleend zou moeten worden.

De weigering om eiseres verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op respect voor het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Aangenomen dat er sprake is van familie- of gezinsleven

tussen eiseres en referent, is van inbreuk hierop geen sprake aangezien de weigering eiseres verblijf in Nederland toe te staan er niet toe strekt haar een verblijfstitel te ontnemen die haar tot het uitoefenen van het familie- of

gezinsleven hier te lande in staat stelde. Voorts is er niet gebleken van overige dusdanig bijzondere feiten of omstandigheden dat er op de Nederlandse staat de positieve verplichting rust om eiseres in het kader van artikel 8 EVRM

verblijf hier te lande toe te staan.

Op grond van artikel 7:3 onder b Awb kon van het horen van eiseres worden afgezien.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Voor een verblijf in Nederland van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling in beginsel een der verblijfstitels genoemd in de artikelen 9 tot en met 10 Vw. Met het oog hierop pleegt een aanvraag om een mvv te worden

getoetst aan dezelfde criteria als die welke strekken tot het verkrijgen van een vergunning tot verblijf. Een mvv kan, evenals een vergunning tot verblijf, ingevolge artikel 11 lid 5 Vw worden geweigerd op gronden aan het algemeen

belang ontleend.

6. Bij de toepassing van dit artikellid wordt het beleid gevoerd dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc 1994.

7. Het op dit punt gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B1 onder 3 van de Vc 1994. In dit hoofdstuk is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

Aan de partner van een Nederlander kan verblijf hier te lande worden

toegestaan in het kader van een bestaande relatie dan wel, vanaf het achttiende levensjaar van beide partners, in het kader van een nieuwe relatie, indien onder meer is voldaan aan de voorwaarde dat beide partners ongehuwd zijn; dit

moet met gelegaliseerde officiële documenten worden aangetoond. Een uitzondering op dit beginsel is mogelijk indien vaststaat dat een van de partners door wettelijke beletselen waarop hij zelf geen invloed kan uitoefenen nog niet

gescheiden is. Verder mogen de partners geen bloed- en aanverwantschap in de eerste of tweede graad met elkaar hebben.

Met ingang van 1 april 1996 dienen documenten uit Ghana ook inhoudelijk te worden geverifieerd.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het bestreden besluit de door verweerder gevraagde gelegaliseerde en geverifieerde documenten niet door eiseres waren overgelegd. Eiseres kon dan ook ten tijde van het

bestreden besluit aan het partnerbeleid geen aanspraak op toelating ontlenen.

9. Het verloop van de legalisatieprocedure behoefde naar het oordeel van de rechtbank verweerder in het onderhavige geval geen aanleiding te geven zijn beslissing op de aanvraag of de beslissing op het daartegen ingediende

bezwaarschrift aan te houden. Hierbij is van belang dat eiseres ingevolge het beleid in beginsel reeds bij de indiening van de aanvraag over de vereiste documenten diende te beschikken. Bovendien heeft de rechtbank in aanmerking

genomen dat uit de omstandigheid dat de legalisatieprocedure een aparte, met zelfstandige waarborgen omklede rechtsgang is, voortvloeit dat er voor verweerder slechts in uitzonderlijke omstandigheden reden zal zijn bij zijn

besluitvorming te betrekken hetgeen in de legalisatieprocedure is voorgevallen. De omstandigheid dat in beide procedures hetzelfde bestuursorgaan optreedt, zoals in casu het geval is, maakt dat niet anders.

Van uitzonderlijke omstandigheden is in casu onvoldoende gebleken.

10. Niet is gebleken dat eiseres aan enige andere beleidsregel aanspraak op toelating kon ontlenen.

11. Zoals de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken van deze rechtbank (REK) ook in haar zogenaamde legalisatie-uitspraken van 10 november 1999 (Jub 1999 nr. 18-1, 2 en 3) heeft overwogen, zal verweerder, ingeval niet wordt voldaan

aan de beleidsregels voor toelating, op de voet van artikel 4:84 Awb de vraag moeten beantwoorden of sprake is van door de vreemdeling aangevoerde bijzondere feiten of omstandigheden die aanleiding dienen te zijn om in zijn of haar

geval van de beleidsregels af te wijken.

12. Gezien in het licht van het voorgaande heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Immers, in dit besluit is overwogen dat uitsluitend van belang is of de aanvrager over de vereiste documenten

beschikt. Niet duidelijk is gemaakt waarom de door eiseres geponeerde en geadstrueerde stelling dat de akte van ongehuwd zijn niet is gelegaliseerd wegens twijfel omtrent de geboorteplaats van eiseres, en niet omdat zij gehuwd zou

zijn, er niet toe kan leiden dat er in dit geval van het legalisatie- en verificatievereiste dient te worden afgeweken.

13. De conclusie is dan ook dan het beroep van eiseres gegrond is. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op Fl. 710,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

15. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad Fl. 225,- (zegge:

tweehonderdenvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op Fl. 710,- (zegge zevenhonderdentien gulden) te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2000, door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, mr. H.P.M. Meskers en mr. D. Radder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. de Man, griffier.

Afschrift verzonden op: 18 februari 2000

Conc:CM

Coll:

Bp:

D:B