Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6641

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/5264
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81, geldigheid: 2000-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/199

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

President

regnr.: Awb 00/5264 VRWET Z VZ

uitspraak: 18 mei 2000

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1982,

verblijvende te B,

van Liberiaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 0004.26.8028 alias 9802.27.8180,

verzoekster,

gemachtigde mr. G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.P. Nijenhuis, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 26 april 2000 heeft verzoekster een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 1 mei 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid en ambtshalve beslist aan

verzoekster geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij de uitreiking van de beschikking is verzoekster medegedeeld dat zij de behandeling van

een in te dienen bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.

1.2 Verzoekster heeft daartegen bij brief van 1 mei 2000 bezwaar gemaakt.

1.3 Bij verzoekschrift van 1 mei 2000 heeft verzoekster de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist. Dit verzoek is bij brief van 8 mei 2000

ingetrokken. Op 9 mei 2000 heeft verzoekster een nieuwe voorlopige voorziening gevraagd waarin wordt verzocht de uitzetting hangende de bodemprocedure te verbieden.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de president en aan verzoekster gezonden.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 mei 2000. Verzoekster is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een

mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Aangezien verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd heeft in het Aanmeldcentrum te Zevenaar, dient beoordeeld te worden of de aanvraag binnen de vereiste termijnen, en zonder schending van de

zorgvuldigheidseisen, als kennelijk ongegrond of niet ontvankelijk kon worden afgedaan.

2.3 Verzoekster heeft aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de termijn van 48 uur die verweerder kan gebruiken voor de procedure in het AC.

Verweerder heeft bij brief van 15 mei 2000 medegedeeld dat de uitreiking van de beschikking te laat heeft plaatsgevonden gezien de termijn van 48 uur die binnen het AC van kracht is.

2.4 De voorlopige voorziening dient derhalve te worden toegewezen.

2.5 De president ziet thans geen aanleiding om, met toepassing van artikel 33b Vw, onmiddellijk een uitspraak te doen op het bezwaarschrift.

2.6 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84 j° 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten, zoals hierna weergegeven. Nu het

verzoek wordt toegewezen ziet de president tevens aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.

3 BESLISSING

De president:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder wordt gelast de uitzetting van verzoekster achterwege te laten totdat vier weken zijn verstreken nadat op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ad ƒ 1420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht ad ƒ 50,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Buijsman en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2000 in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 19 mei 2000