Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6630

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/6355
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RV20000079 met annotatie van Minderhoud P.E. Paul
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Eerste kamer, meervoudig

-------------------------------------------

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

-------------------------------------------

Reg.nr.: 99/6355 WAO

Inzake : [eiser], wonende te Den Haag, eiseres,

tegen : het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 21 juni 1999, kenmerk B&B 779.044.04/WP.

2. Zitting.

Datum: 23 mei 2000.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde

mr. J.W. Boogaardt, advocaat te Wassenaar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Pouwelse, verbonden aan het districtskantoor Den Haag van Gak Nederland B.V.

3. Feiten.

Eiseres verblijft sedert 1993 in Nederland en heeft zich op 21 juli 1997 ziek gemeld voor haar werk van baliemedewerkster. Bij besluit van 10 september 1998 is aan haar op voorschotbasis met ingang van 20 juli 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

Bij (primair) besluit van 22 maart 1999 is eiseres er van in kennis gesteld dat deze uitkering met ingang van de eerstvolgende betalingstermijn zal worden beëindigd aangezien zij niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 1b van de Vreemdelingenwet (Vw).

Namens eiseres is bij brief van 20 april 1999 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Na eiseres in het kader van de bezwaarschriftprocedure te hebben gehoord, heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

In beroep tegen dit besluit is namens eiseres aangevoerd dat zij in afwachting is van een definitieve beslissing over haar verblijfsstatus en dat zij, die valt onder de personele werkingssfeer van Besluit 3/80, niet op grond van de voorwaardelijkheid van haar verblijfstitel mag worden uitgesloten van de verzekering.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

4. Motivering.

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

De rechtbank overweegt vooreerst als volgt.

Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd en ter toelichting van het bestreden besluit medegedeeld dat in dat besluit abusievelijk niet tot uitdrukking is gebracht dat het hier betreft een beëindiging van voorschotbetaling en een weigering om een WAO-uitkering toe te kennen en niet een beëindiging van een reeds toegekende WAO-uitkering. Daarbij heeft hij een afschrift van een aan eiseres gerichte brief van 10 september 1998 overgelegd, waarin aan haar naar aanleiding van een aanvraag harerzijds om in aanmerking te worden gebracht voor een WAO-uitkering, is medegedeeld dat voor het vaststellen van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering een nader onderzoek naar haar verblijfsstatus is gestart en dat in afwachting van de resultaten van dat onderzoek nog geen toekenningsbeslissing kan worden genomen maar al wel tot voorschotverstrekking kan worden overgegaan.

De rechtbank heeft in deze van de kant van verweerder gegeven nadere explicatie aanleiding gezien het bestreden besluit aldus te lezen dat dat besluit behelst een ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit van 22 maart 1999 inhoudende stopzetting van voorschotbetaling alsmede de weigering van verweerder om aan eiseres een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij op 1 juli 1998 niet rechtmatig in Nederland verbleef in de zin van artikel 1b, lid 1, Vw en daarom niet als werknemer als bedoeld in artikel 3, lid 3, WAO kan worden beschouwd. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiseres hiermede niet in haar procesbelang is geschaad omdat zij bij evenvermelde brief van 10 september 1998 door verweerder genoegzaam omtrent haar (mogelijke) recht op een WAO-uitkering is geïnformeerd.

Voor wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak overweegt de rechtbank als volgt.

Met de inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de zogeheten Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 204) zijn de aanspraken van hier te lande verblijvende vreemdelingen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen etc. jegens bestuursorganen gewijzigd.

Ingevolge het bepaalde in de artikel 3, derde lid, van de WAO wordt niet als werknemer in de zin van deze wetten beschouwd, de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vw.

Krachtens artikel 1b, aanhef, en onder 1, Vw genieten vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Volgens artikel 1b, aanhef, en onder 3, Vw houden -voor zover hier van belang- ook die vreemdelingen rechtmatig verblijf die in afwachting zijn van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge de Vw dan wel op grond van een beschikking ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten.

De rechtbank heeft aan de hand van de op deze zaak betrekking hebbende gegevens vastgesteld dat eiseres, die de Surinaamse nationaliteit heeft, op de datum einde wachttijd, te weten 19 juli 1998, niet de verblijfsstatus als bedoeld in artikel 1b, lid 1, Vw bezat, maar die van het derde lid van artikel 1b Vw aangezien zij op die datum niet beschikte over een besluit tot toelating doch terzake van een aanvraag ter verkrijging van zulk een besluit "in procedure" was.

Met deze vaststelling, die van de zijde van eiseres niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat eiseres op grond van artikel 3, derde lid, WAO geen werkneemster was en derhalve ingaande 20 juli 1998 geen recht had op toekenning van een uitkering krachtens die wet. De weigering van toekenning van WAO-uitkering, die de rechtbank in het bestreden besluit neergelegd acht, kan derhalve zuiver nationaalrechtelijk bezien niet voor onjuist worden gehouden.

Rest de vraag of de uitkeringsweigering in strijd is achten met regels van internationaal recht. Te dien aanzien heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 3, lid 1, Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980 en de op dat besluit gebaseerde arresten Sürül en Sala van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 2 van Besluit nr. 3/80 dat besluit van toepassing is op werknemers op wie de wetgeving van één of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van Turkije zijn. Nu eiseres de Surinaamse en niet de Turkse nationaliteit bezit, valt zij niet onder de personele werkingssfeer van Besluit nr. 3/80 en moet haar beroep op deze Europeesrechtelijke bepaling falen.

Ondanks het feit dat eiseres zich daarop niet heeft beroepen, acht de rechtbank het, vanwege de strekking van de beroepsgronden, zoals ter zitting nader toegelicht, gelet op het bepaalde in artikel 8:69, tweede lid, van de Awb niettemin aangewezen ook te toetsen of schending van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval van schending van artikel 26 IVBPR geen sprake is, reeds omdat in het doel van de Koppelingswet in casu voldoende rechtvaardiging kan worden gevonden voor het hier gemaakte onderscheid naar nationaliteit en naar verblijfstatus.

Dit doel betreft enerzijds het voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk hun wederrechtelijk verblijf in Nederland kunnen voortzetten doordat zij verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen waarbij geen verblijfspositietoets wordt aangelegd, en anderzijds het voorkomen dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit kunnen verkrijgen. Met betrekking tot personen die nog niet zijn toegelaten gaat het er dan om dat zij in de loop van de procedure gaandeweg in staat blijken een zodanige rechtspositie op te bouwen dat zij na afloop van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.

De rechtbank acht de jegens eiseres toegepaste weigering van WAO-uitkering, een geschikt, genuanceerd en proportioneel middel om deze doelstelling te verwezenlijken. In dit verband verwijst de rechtbank naar haar eerdere terzake van de toepassing van de Koppelingswet gedane uitspraak van 28 oktober 1999 met reg.nr. 98/9612 NABW, waarin zij als haar oordeel heeft uitgesproken dat weigering van bijstandsuitkering -anders dan beëindiging van bijstandsuitkering- een geschikt en noodzakelijk middel is, passend bij het vreemdelingrechtelijk doel dat met de Koppelingswet wordt nagestreefd.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb heeft de rechtbank niet aanwezig geacht.

5. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

6. Rechtsmiddel.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. T.M.A. Claessens, mr. J.L. Verbeek en mr. D. de Loor en door hen in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2000 in tegenwoordigheid van F.P. Krijnen als griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden: 28 juli 2000

Coll. :