Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6563

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/187, 00/188, 00/189
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

enkelvoudige kamer voor Vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/187 VRWET H (voorlopige voorziening)

AWB 00/188 VRWET H (beroepszaak)

AWB 00/189 VRWET H (vrijheidsontneming)

inzake: A, geboren op [...] 1965, van Afghaanse

nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te

Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr R. Hijma, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Plug, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het

beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 7 januari 2000. Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure en behelst de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en

strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het

beroep tegen voormelde beschikking is beslist.

1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de

vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 7 januari 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 19 januari 2000. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting gehoord.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde

spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen

aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur.

Deze procedure leent zich slechts voor die asielverzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist. Voor zover het de niet-inwilliging van verzoekers aanvraag om toelating als

vluchteling betreft, blijft uitzetting hangende beroep achterwege, tenzij er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging als omschreven in artikel 15, eerste lid, Vw.

2.4 De president stelt vast dat er in dit geval geen sprake is van een zodanig asielverzoek.

Daarbij is het volgende van belang.

2.5 Verzoeker stoelt zijn verzoek om toelating als vluchteling op de volgende omstandigheden. Hij heeft de Afghaanse nationaliteit en heeft tot 1992 in zijn land verbleven. Sedert 1985 was hij aldaar lid van de DVPA, de

communistische partij. Na te zijn geschoold in Rusland was hij onder het communistische bewind beroepsmilitair.

Met de komst van de Mujaheddin week hij in 1992 uit naar Islamabad in Pakistan. Aldaar heeft hij illegaal verbleven. Verzoeker had werk in magazijnen van winkels. Hij hield zich ondergedoken.

Zodoende bezocht hij niet de bioscoop of de markt en liet hij zijn vrouw de boodschappen doen. Vijf of zes maanden nadat hij naar Pakistan was gegaan ging eiser nog een keer terug naar Afghanistan om zijn huis te bezoeken. Om

onopgemerkt te blijven had hij zijn baard laten staan en islamitische kleding aangetrokken. Zijn huis was doorzocht en er was een brief voor hem achtergelaten door de Hezb-i-islami dat hij zijn wapen moest inleveren en hij zich

moest melden. Verzoeker voelde zich na verloop van tijd niet meer veilig in Pakistan omdat hij bang was dat zijn naam zou worden doorgegeven aan de Taliban, die aldaar ook veel macht heeft. Veel voormalige officieren waren namelijk

al door de Taliban opgepakt in Pakistan.

Verzoeker heeft in Islamabad bij de Afghaanse ambassade een paspoort aangevraagd op 4 december 1999 gekregen. Daarmee is hij via Karachi, Dubai en Amman naar Nederland gereisd. Hij was in het bezit van een visum voor Pakistan dat

geldig was tot 3 juni 2000.

2.6 Verweerder baseert de weigering om verzoeker als vluchteling toe te

laten op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

Dienaangaande geldt het criterium of een land van eerder verblijf -in casu: Pakistan-, de vreemdeling zal toelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

2.7 Verweerder heeft in de onderhavige zaak statusdeterminatie niet noodzakelijk geoordeeld. "Nu gebleken is dat betrokkene een verblijfsvergunning heeft in Pakistan, is de vraag of betrokkene gegronde reden heeft te vrezen voor

vervolging niet relevant", aldus de beschikking. De president onderschrijft dit niet.

2.8 Dat verzoeker in Pakistan over een verblijfsvergunning beschikte valt immers niet uit zijn verklaringen in het nader gehoor of uit enig ander dossierstuk af te leiden. Blijkens pagina 7 van het rapport van nader gehoor heeft de

contactambtenaar, die daarbij kennelijk het oog had op het Pakistaanse visum in verzoekers paspoort, zich bij verzoekers ondervraging ten onrechte bediend van de term "verblijfsvergunning".

2.9 Ook uit anderen hoofde is voornoemd oordeel van verweerder onjuist.

Daartoe zij verwezen naar de criteria die de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank (REK) heeft geformuleerd in zijn uitspraken van 19 oktober 1995 (AWB 95/6163) en van 19 maart 1999 (AWB 98/6309) met betrekking op de toepassing van

artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

2.10 Volgens de REK kan, ingeval sprake is van een land van eerste ontvangst voornoemd artikellid worden toegepast zonder dat statusbepaling hoeft plaats te vinden. Daarbij geldt echter wel dat zolang niet is vastgesteld dat de

vreemdeling geen vluchteling is, duurzame bescherming tegen terugzending naar het land van herkomst verzekerd dient te zijn. Die zekerheid is volgens de REK in beginsel aanwezig, indien het land van eerder verblijf partij is bij het

Vluchtelingenverdrag en dat Verdrag te goeder trouw naleeft.

2.11 Vast staat dat Pakistan geen partij is bij het

Vluchtelingenverdrag. Die garantie ontbreekt dus in de

onderhavige zaak.

2.12 Of de andere genoemde garantie wel aanwezig is, staat niet vast. Het is immers nog de vraag of het door Pakistan, volgens verweerder, "de facto" toepassen van het Verdrag voor

vreemdelingen als verzoeker een vergelijkbaar hoog niveau van bescherming tegen refoulement biedt als het, volgens het REK- criterium, "te goeder trouw" naleven van het Verdrag. In dat verband komt tevens gewicht toe aan hetgeen de

gemachtigde van verzoeker in de gronden van het beroepschrift onder verwijzing naar recente en relevante bronnen heeft aangevoerd ten aanzien van de afnemende bereidheid van de Pakistaanse autoriteiten om Afghaanse vluchtelingen nog

langer te herbergen en dezen afdoende te beschermen tegen acties van Afghaanse

groeperingen, die in Pakistan tegen politieke tegenstanders opereren. Daarbij komt dat verzoeker heeft aangegeven dat hij (ook) in Pakistan vreest voor de Taliban en dat andere

voormalige officieren van het communistische bewind al door de Taliban zijn ontvoerd.

2.13 Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook gegrond worden verklaard. De

bestreden beschikking zal worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.14 Met betrekking tot de aan verzoeker opgelegde maatregel overweegt de rechtbank allereerst dat gesteld noch gebleken is dat de oplegging van de maatregel onrechtmatig is geweest.

2.15 Gelet op voormelde gegrondverklaring van het beroep is echter de grond voor de voortgezette toepassing van de

vrijheidsontnemende maatregel komen te ontbreken. Het beroep tegen de voortduring van de maatregel na de beslissing op de aanvraag is derhalve gegrond.

2.16 Nu de toepassing van de maatregel vanaf 7 januari 2000 onrechtmatig is geweest, wordt, gelet op het in het

Grenshospitium geldende regime, een schadevergoeding toegekend van f 100,-- per dag over 19 dagen.

2.17 Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten.

2.18 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het zowel voor de hoofdzaak als voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht

ad telkens f 50,-- zal vergoeden.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beschikking van 7 januari 2000;

3.2 draagt verweerder op een nieuwe beschikking te nemen op de aanvraag van 5 januari 2000;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad tweemaal f 50,--.

De rechtbank:

3.6 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van de vreemdeling met ingang van 26 januari 2000;

3.7 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding toe;

3.8 kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat (Ministerie van Justitie) een vergoeding toe van f f1.900,-- (zegge: eenduizend negenhonderd gulden), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats

Haarlem;

3.9 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 710,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon, die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.A. Verwoerd, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor

vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van A.H. de Vries, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van f 1.900,-- (zegge: eenduizend negenhonderd gulden).

Aldus gedaan op 26 januari 2000, door mr J.R.A. Verwoerd, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

afschrift verzonden op: 26 januari 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.