Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6541

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2000
Datum publicatie
14-07-2000
Zaaknummer
AWB 00/1790
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RV20000012 met annotatie van Terlouw A.B. Ashley
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken

________________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

________________________________________________________

Reg.nr.: AWB 00/1790 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. U. Koopmans, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1968, bezit de Somalische

nationaliteit. Hij verblijft, volgens zijn verklaring, sedert 7 september 1997 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 8 september 1997 heeft hij te Rijsbergen aanvragen ingediend om toelating als

vluchteling dan wel verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

Bij besluit van 23 december 1997 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder

a, Vw. Bij hetzelfde besluit is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend. Dit besluit is op 21 januari 1998 aan eiser uitgereikt. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 23 januari 1998.

Bij besluit van 3 maart 1998 heeft verweerder het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. Dit besluit is op dezelfde dag verzonden naar de gemachtigde van eiser.

2. Tegen het besluit van 3 maart 1998 heeft eiser bij beroepschrift van 4 maart 1998 beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 19 maart 1998.

3. In het verweerschrift van 25 oktober 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 november 1999. Op 13 januari 2000 heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen en de zaak in verband met de vraag naar mogelijke

groepsvervolging van de Reer Hamar ter verdere behandeling verwezen naar de Rechtseenheidskamer.

5. In het verweerschrift van 20 maart 2000 heeft verweerder nogmaals geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 13 april 2000 heeft eiser gerepliceerd. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de

gelegenheid om schriftelijk te dupliceren.

6. Bij brief van 3 maart 2000 heeft de rechtbank aan de UNHCR en aan Amnesty International nadere inlichtingen gevraagd omtrent de situatie van de Reer Hamar in Somalië. In reactie hierop heeft de rechtbank de volgende stukken

ontvangen:

- een brief van Amnesty International van 11 april 2000. Bij deze brief is als bijlage gevoegd: A State disintegrated - Homogeneity, plurality and political violence in Somalia, van 24 juni 1997, geschreven door Martin Hill; en

- een brief van de UNHCR van 18 april 2000.

7. Het beroep is verder behandeld ter zitting van 27 april 2000. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen onder de nummers AWB 00/1775 VRWET, AWB 00/1780 VRWET en AWB 00/1787 VRWET.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Eiser legt aan zijn aanvraag en het beroep ten grondslag dat hij primair in aanmerking komt voor toelating als vluchteling en subsidiair voor een vergunning tot verblijf zonder beperking wegens klemmende redenen van humanitaire

aard.

Daartoe heeft eiser het volgende gesteld.

De onderbouwing van de aanvraag

3. Eiser behoort tot de Reer Hamar, clan Bandhabow, subclan Reer Bahsufi. Eiser is moslim. Eiser heeft van 1985 tot 1987 voor een kleermaker gewerkt. In 1987 heeft eiser geld van zijn vader gekregen om een levensmiddelenzaak te

kopen. Hij heeft tot 1991 in die winkel gewerkt. De problemen zijn begonnen bij het uitbreken van de oorlog.

Eiser en zijn familie behoren tot een etnische minderheid. Vlak na het uitbreken van de oorlog is eiser overvallen door een gewapende bende.

Eiser is meegenomen naar een woning en is daar drie dagen vastgehouden.

Eiser is in die periode geslagen en geschopt. Eiser vermoedt dat de daders leden van de Habar Gidir waren en eiser hebben vastgehouden om zijn hele winkel leeg te roven. Eiser heeft na zijn vrijlating niet meer gewerkt. Op een dag

werden eiser en zijn familie overvallen door vier mannen. Zij wilden eisers zus verkrachten. De buren hebben verhinderd dat de overvallers eisers zus hebben meegenomen. Eisers moeder is bij die overval licht gewond geraakt. Eisers

broer is in 1994 om het leven gekomen door een verdwaalde kogel. In 1994 is een vriend van eiser gedood. De motor waarop eiser en zijn vriend reden werd door drie jongens beschoten. De jongens hebben de motor gestolen en zij hebben

eiser mishandeld. Later is eiser gaan werken in een klein restaurant. De eigenaar is in juli 1996 vermoord tijdens gevechten tussen de Murusade en de Abgal. Na diens dood was er niemand meer die eisers familie zou kunnen beschermen.

Eiser heeft in overleg met zijn familie besloten het land te verlaten. Eiser heeft van 25 augustus 1996 tot 5 september 1997 in Mombasa, Kenia bij een goede vriend van zijn vader gewoond. Toen daar ongeregeldheden uitbraken tussen

de plaatselijke autoriteiten en de bevolking, heeft eiser besloten Kenia te verlaten.

Het standpunt van partijen

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als vluchteling moet worden toegelaten. Onder verwijzing naar de algemeen bekende informatie over de positie van de Reer Hamar in Somalië (hier weergegeven onder I.6 en II.8) is namens

eiser gesteld dat ten aanzien van de Reer Hamar sprake is van groepsvervolging wegens de etnische afkomst van de groep in samenhang bezien met een (toegedichte) rijkdom van de groep. Daarbij komt dat de Reer Hamar geen eigen militie

hebben, die hen kan beschermen. De Reer Hamar hebben een lichtere huidskleur en een eigen taal en cultuur, zodat ze gemakkelijk te herkennen zijn. Eiser is voorts van oordeel dat de Reer Hamar geen binnenlands vestigingsalternatief

hebben. (De provincie) Puntland kan niet als zodanig worden aangemerkt.

In de Nederlandse rechtspraktijk zijn, in tegenstelling tot hetgeen verweerder meent, voorbeelden aan te wijzen waarin groepsvervolging werd aangenomen. Wanneer groepsvervolging wordt aangenomen, wordt de bewijslast omgekeerd en bij

de staat gelegd. De toetsing beperkt zich dan tot de identiteit en nationaliteit van de asielzoeker en tot de vraag of de asielzoeker daadwerkelijk tot de clan behoort waartoe hij stelt te behoren. Indien blijkt dat een asielzoeker

tot die clan behoort is zijn/haar vrees voor vervolging gegrond tenzij de staat het tegendeel kan aantonen.

Eiser behoort tot de Bandhabow-clan. Deze clan is geheel afhankelijk van de opstelling van andere (dominante) clans, die zich over het algemeen vijandig opstellen. De Bandhabow-clanleden zijn dientengevolge het slachtoffer van

bedreigingen, geweld en discriminatie, waartegen zij zich niet kunnen beschermen. In het relaas van eiser worden voorbeelden gegeven van gewelddadigheden die eiser persoonlijk heeft ervaren en die voortvloeien uit de zwakke positie

van de Bandhabow.

De achtergestelde positie van de clan, het ontbreken van bescherming en de eigen ervaringen brengen met zich dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een wijze behandeld te worden die zich niet verdraagt met

artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming

van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts dreigt schending van artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Het bestreden besluit wordt

niet gedragen door een deugdelijke motivering.

Afgezien daarvan is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen, nu in dit besluit wordt verwezen naar het besluit in eerste aanleg. Dit laatste besluit is totstandgekomen zonder acht te slaan op de tijdig

ingediende correcties en aanvullingen.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen enkel vermoeden bestaat dat eiser in zijn land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging. De enkele omstandigheid dat eiser behoort tot de Reer Hamar, clan

Bandhabow, subclan Reer Bahsufi vormt op zichzelf onvoldoende grond om ten aanzien van eiser tot vluchtelingschap te concluderen. Inzake de vraag of sprake is van groepsvervolging ten aanzien van de leden van de Reer Hamar is

verweerder in de eerste plaats van oordeel dat in de Nederlandse rechtspraktijk nooit is aangenomen dat ten aanzien van bepaalde groepen zonder meer sprake was van prima facie vluchtelingschap. In het licht van de hier te lande

gebruikelijke procedures bestaat ook minder behoefte aan het hanteren van het leerstuk van prima facie vluchtelingschap. In iedere procedure vindt een onderzoek en weging van de van belang zijnde factoren plaats, waardoor een

individuele benadering en beoordeling tot de mogelijkheden behoren.

Uit de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken ontstaat het beeld dat, ondanks een achterstelling, de leden van

minderheidsgroepen, waaronder de Reer Hamar, een bestaan kunnen vinden vanwege bijzondere bekwaamheden. De economische activiteiten van de leden van deze minderheden zijn in zekere zin afhankelijk van de bescherming van clans. In

conflictgebieden komen gewapende conflicten voor waarbij slachtoffers vallen onder clans en minderheidsgroepen. De bandeloosheid treft de leden van minderheidsgroepen verhoudingsgewijs meer vanwege het ontberen van eigen

bescherming. Niet is gebleken dat leden van de minderheidsgroepering enkel en alleen vanwege het behoren tot een minderheidsgroepering aan daden van vervolging blootstaan. Uit de beschikbare informatie kan niet worden afgeleid dat

het enkele behoren tot de Reer Hamar een verhoogd risico veroorzaakt.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten of omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel artikel 15 van de Vreemdelingenwet (Vw)

rechtvaardigen. Eiser heeft zich niet geprofileerd als tegenstander van de autoriteiten. De problemen die eiser stelt te hebben ondervonden waren een direct gevolg van de strijd en rivaliteit tussen elkaar bevechtende (sub)clans en

facties. Leden van rivaliserende clans liepen het risico op vrij willekeurige wijze het slachtoffer te worden van dergelijke problemen. Er bestaat geen reden aan te nemen dat de problemen het gevolg waren van een specifiek op eiser

gerichte aandacht. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat de problemen die hij stelt te hebben ondervonden van dien aard zijn dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging.

Er bestaat geen aanleiding om eiser in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf. Gelet op het bepaalde in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is eiser niet gehoord naar aanleiding van zijn bezwaarschrift.

Beoordeling van het beroep

6. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van Vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig

zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, nationaliteit of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

7. In haar uitspraak van 27 augustus 1998 (Awb 98/3068; gepubliceerd in JV 1998/157) heeft de rechtbank (Rechtseenheidskamer) reeds overwogen dat het feit dat in Somalië feitelijk overheidsgezag ontbreekt niet aan vluchtelingschap

(in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de Vreemdelingenwet) in de weg staat.

8. Bij de beoordeling van het onderhavige beroep heeft de rechtbank gebruik gemaakt van diverse door partijen overgelegde dan wel bij de rechtbank ambtshalve bekende stukken inzake de situatie van de Reer Hamar in Somalië,

waaronder:

- een brief van Amnesty International aan verweerder van 10 november 1995;

- de algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Somalië van 9 januari 1997, 23 oktober 1998 en 16 februari 2000;

- een (gedeelte van een) brief van de Minister van Buitenlandse Zaken aan verweerder van 5 februari 1999;

- UNHCR REFWORLD - Country information Somalia van 8 februari 1995, 20 april 1995, 5 mei 1998 en 8 mei 1998;

- Documentaire informatie Service IND (nadere informatie over de Reer Hamar-bevolkingsgroep) van 14 april 1998;

- `Veel gestelde vragen landeninformatie' (informatie over de situatie van minderheidsgroepen in Somalië) van Vluchtelingenwerk Nederland van oktober 1998;

- Report on Nordfic fact-finding to Mogadishu, Somalia van 23 februari 1999;

- ECRE Documentation Service (blz. 23 en 24) van maart 2000;- de notitie `Prima facie vluchtelingenschap en groepsvervolging' van mr. L. van Bergen en mr. drs. H. den Haan, Vluchtelingenwerk Nederland van 13 april 2000.

9. De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de politieke- en mensenrechtensituatie in Somalië zodanig is dat alle asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling moeten worden aangemerkt.

10. Vervolgens zal beoordeeld moeten worden of ten aanzien van de leden van de Reer Hamar sprake is van groepsvervolging. Voordat ingegaan zal worden op de positie van de Reer Hamar in Somalië wordt ten aanzien van groepsvervolging

het volgende overwogen.

11. In beginsel wordt, indien een asielzoeker om toelating als vluchteling heeft verzocht, vluchtelingschap beoordeeld op een individuele basis. Het behoren tot een bepaald ras, een bepaalde etnische minderheid of een bepaalde

sociale groep zal normaliter niet voldoende zijn voor een gegrond beroep op vluchtelingschap. Onder bijzondere omstandigheden kan het behoren tot een groep echter wel voldoende zijn voor gegronde vrees voor vervolging. Waar bij een

individuele beoordeling van vluchtelingschap de vreemdeling in beginsel aannemelijk moet maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten of omstandigheden bestaan die zijn beroep op vluchtelingschap rechtvaardigen, is

vluchtelingschap in het geval van groepsvervolging uitgangspunt en is het de staat die feiten of omstandigheden moet aanvoeren ter staving van zijn oordeel dat de betrokken vreemdeling geen vluchteling is. De betrokken vreemdeling

verkeert derhalve in een gunstiger bewijspositie indien ten aanzien van de groep waartoe hij behoort, vervolging wordt aangenomen. Gelet hierop wordt verweerders stelling dat geen behoefte zou bestaan aan het concept van

groepsvervolging, door de rechtbank dan ook niet gedeeld. De vreemdeling heeft belang bij en derhalve is een oordeel nodig over de vraag of sprake is van groepsvervolging.

12. Naar het oordeel van de rechtbank kan sprake zijn van groepsvervolging indien serieuze aanwijzingen bestaan dat in beginsel alle tot een groep behorende personen aan vervolging bloot (zullen) staan.

13. Inzake de positie van de Reer Hamar in Somalië wordt het volgende overwogen. Ter zitting is -kort gezegd- namens eiser gesteld dat ten aanzien van de Reer Hamar sprake is van groepsvervolging wegens de etniciteit in samenhang

met (toegedichte) rijkdom. De rechtbank heeft voor deze stelling echter onvoldoende onderbouwing gevonden in de hiervoor in I.6 en II.8 genoemde stukken. De inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting hebben de rechtbank

niet tot de overtuiging

gebracht dat ten aanzien van de Reer Hamar sprake is van groepsvervolging enkel vanwege etniciteit dan wel vanwege etniciteit in samenhang met (toegedichte) rijkdom. De rechtbank kent in dit verband betekenis toe aan het feit dat in

Somalië sprake is van een burgeroorlog en daarmee van (mogelijk) ongedifferentieerd geweld. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts inherent aan een burgeroorlog dat zwakke(re) groepen daarvan eerder en meer te lijden hebben.

Hoewel onderkend wordt dat uit de stukken zeker naar voren komt dat de Reer Hamar zich in een kwetsbare positie bevinden en een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen, is de rechtbank niet tot het

oordeel gekomen dat dit ten tijde van het bestreden besluit in zodanige mate het geval was dat daarin objectieve aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor het oordeel dat sprake was van groepsvervolging van de Reer Hamar.

14. Nu, gelet op het vorenoverwogene, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van groepsvervolging, zal eiser aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk gegronde redenen bestaan voor vluchtelingschap.

Wel hecht de rechtbank eraan in dit verband op te merken dat sneller tot vervolging zal moeten worden geconcludeerd naarmate de algemene mensenrechtensituatie in een bepaald land in het algemeen en voor een bepaalde minderheid in

het bijzonder, slechter is.

Naar het oordeel van de rechtbank is de positie van de Reer Hamar zodanig dat een individueel lid van deze bevolkingsgroep reeds als vluchteling moet worden aangemerkt indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte

daden van vervolging, welke in verband gebracht kunnen worden gebracht met de etnische afkomst.

15. Ten aanzien van het individuele relaas overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank merkt op dat in het bestreden besluit is uitgegaan van de geloofwaardigheid van het relaas. Weliswaar heeft verweerder in zijn

verweerschrift van 20 maart 2000 zijn verbazing uitgesproken over een aantal aspecten van eisers relaas doch nu verweerder dit eerst in een zeer laat stadium van de procedure heeft gedaan en voorts ook geen conclusies heeft

verbonden aan zijn opmerkingen, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet uit te gaan van de geloofwaardigheid van het relaas.

Met eiser is de rechtbank voorts van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Aanleiding voor dit oordeel is gelegen in het volgende. Door eiser zijn correcties en aanvullingen

ingediend op het nader gehoor. Uit het besluit in eerste aanleg van 23 december 1997 blijkt dat verweerder deze correcties en aanvullingen niet bij de totstandkoming van dit besluit heeft betrokken.

In deze correcties en aanvullingen is onder meer gesteld dat de reden van de asielaanvraag niet was gelegen in het geld verdienen in het buitenland. Eiser is gevlucht in verband met de veelvuldige mishandelingen en de plundering van

zijn bezit. Verder heeft eiser gesteld dat er na de dood van zijn baas niemand meer was die de familie van eiser zou kunnen beschermen. In het bezwaarschrift is door eiser op de inhoud van de correcties en aanvullingen gewezen en is

een nadere uitleg gevolgd. In het bestreden besluit is niet inhoudelijk ingegaan op de stellingen van eiser. Nu niet inhoudelijk is gereageerd op de stellingen van eiser en de door eiser ondervonden gebeurtenissen zijn afgedaan met

een standaardmotivering, berust het bestreden besluit niet op een voldoende draagkrachtige motivering. Bovendien had verweerder, gelet op de kwetsbare positie van Reer Hamar en gelet op de inhoud van het relaas van eiser, niet

kunnen afzien van een nader onderzoek naar de gestelde relatie tussen de etnische afkomst en de door eiser ondervonden gebeurtenissen alsmede naar de vraag in hoeverre de bescherming door eisers baas verdere problemen heeft

voorkomen.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. Het

bestreden besluit dient te worden vernietigd. De vraag of verweerder een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard heeft kunnen weigeren behoeft dan ook geen bespreking meer.

17. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten

bestuursrecht vastgesteld op f 2485,- (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van repliek en 2 punten voor het verschijnen ter zitting op 22 november 1999 en 27 april 2000;waarde per punt f 710,- en wegingsfactor

1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

18. De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiser het betaalde griffierecht ad f 50,- dient te vergoeden.

III. BESLISSING:

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 3 maart 1998;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f. 2485,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 50,-.

Aldus gedaan door mrs. A.C.J. van Dooijeweert, E. de Rooy en E.H.M. Druijf en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2000 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M. Dorgelo.

griffier voorzitter

afschrift verzonden op: 14 juli 2000