Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6436

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/1682
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

Meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/1682 VRWET H

inzake: A, geboren op [...] 1970, van Afghaanse

nationaliteit, eiser

gemachtigde: mr P.L.M. Stieger, advocaat te Eindhoven,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr A.J. Boorsma, advocaat te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het beroep tegen het besluit van verweerder van 14 januari 1998, waarbij het bezwaarschrift van eiser tegen de niet- inwilliging van zijn aanvraag om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning

tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, ongegrond is verklaard.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 14 december 1999. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Met het oog op het onderzoek in de zaak Awb

99/1588 VRWET H - waarin het eveneens gaat om een asielverzoek ingediend door een Sikh afkomstig uit Afghanistan - is het onderzoek in de onderhavige zaak aangehouden.

Aan verweerder is in genoemde zaak een zestal vragen voorgelegd omtrent de positie van Sikhs in Afghanistan. Op 22 december 1999 heeft verweerder deze vragen beantwoord. De rechtbank heeft vervolgens de gemachtigde van eiser in

genoemde alsmede onderhavige zaak gelegenheid gegeven op de door verweerder ingezonden antwoorden te reageren. Na ontvangst van deze reactie op 8 februari 2000 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

De onderbouwing van de aanvragen

2.2 Ter ondersteuning van zijn aanvragen heeft eiser -samengevat- het volgende naar voren gebracht.

Eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Sikhs in Afghanistan. Na de komst van de Taliban heeft eiser problemen ondervonden die ertoe hebben geleid dat hij Afghanistan heeft verlaten. Taliban aanhangers kwamen regelmatig in de

stoffenwinkel van de oom van eiser, waar eiser werkte. Zij namen dan goederen mee zonder te betalen.

Eiser werd tijdens deze bezoeken van de Taliban aan de winkel gepest en uitgescholden. Ze zeiden dat hij zich tot Moslim moest bekeren. Hij werd drie keer ontvoerd door aanhangers van de Taliban, nadat hij de tempel van de Sikhs had

bezocht. Tijdens deze ontvoeringen werd eiser geschopt en geslagen met een wapen en met

vuisten. Tijdens de tweede en derde ontvoering werd eiser meegedeeld dat hij zich moest bekeren tot Moslim. Tijdens het derde incident werd eiser -nadat hij had geweigerd zich te bekeren- gedwongen geld te betalen aan de

ontvoerders. Een van de Taliban aanhangers heeft dat geld bij de oom van eiser als losgeld opgehaald, waarna eiser werd vrijgelaten. Na deze laatste ontvoering heeft eiser nog enkele maanden in een schoenenzaak gewerkt en is

uiteindelijk via Pakistan naar Nederland gevlucht.

De bestreden beschikking en de standpunten van partijen

2.3 Verweerder heeft de bestreden beschikking -onder herhaling en inlassing van de beschikking in primo- doen steunen op de volgende overwegingen. Hoewel niet uitgesloten is dat Sikhs in Afghanistan discriminatie te duchten hebben,

kan uit eisers verklaringen niet worden afgeleid dat deze discriminatie zodanig was zijn leven hierom onhoudbaar was geworden. Voorzover de verklaringen omtrent de ontvoeringen door de Taliban al moeten worden aangenomen, is niet

aannemelijk dat deze ontvoeringen werden ingegeven door de afkomst en geloofsovertuiging van eiser. Eiser werd immers pas ontvoerd nadat hij in de winkel waar hij werkte ruzie kreeg met vier aanhangers van de Taliban over de

betaling van stoffen.

Hieruit, alsmede uit de omstandigheid dat eiser, nadat hij voor de derde maal was ontvoerd, werd vrijgelaten na betaling van losgeld door zijn oom, leidt verweerder af dat de ontvoerders uit waren op financieel gewin en niet op

vervolging van eiser op grond van zijn geloofsovertuiging. Tenslotte benadrukt het feit dat eiser, nadat hij voor de derde maal was ontvoerd, Afghanistan niet onmiddellijk heeft verlaten, maar daar juist nog enkele maanden heeft

verbleven, eens te meer dat hij geen gegronde vrees heeft voor vervolging op grond van zijn geloof van de zijde van de Taliban. Op grond van een en ander kan ook niet worden gezegd dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel

risico loopt van schending van art. 3 EVRM.

2.4 In beroep heeft eiser hiertegen het volgende aangevoerd.

Eisers leven in Afghanistan was door de discriminatie van de zijde van de Taliban wel degelijk onhoudbaar geworden. Verweerder ontkent ten onrechte het verband tussen eisers geloof en de ontvoeringen door de aanhangers van de

Taliban; de door eiser ondervonden incidenten worden ten onrechte afgedaan als 'afpersing'. Verweerder heeft eisers verklaringen omtrent de bekeringsdruk van de zijde van de Taliban dan ook steeds genegeerd. Eiser wijst hierbij

nogmaals op hetgeen hij reeds tijdens het nader gehoor over deze

bekeringsdruk heeft verklaard.

Eiser meent dat er wel degelijk sprake is van meer dan "enkel" discriminatie, hij stelt dat hett hem feitelijk onmogelijk werd gemaakt de kost te verdienen en dat er in zoverre sprake was van en ernstige beperking in de

bestaansmogelijkheden.

Ter zitting is voorts nog aangevoerd dat verweerders stelling dat een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer van eiser naar Afghanistan niet aannemelijk is omdat eiser nog twee maanden in zijn land heeft verbleven na het laatste

incident, op een onjuiste gevolgtrekking berust. Tenslotte is naar voren gebracht dat verweerder eiser in bezwaar had dienen te horen, onder meer om de positie van de bevolkingsgroep der Sikhs in Afghanistan aan een nader onderzoek

te onderwerpen.

2.5 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift.

Wettelijk kader

2.6 Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 van de Vreemdelingenwet (Vw) kunnen als vluchteling worden toegelaten

vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot

een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

2.7 Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan, indien zij is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf of

in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.

2.8 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het door verweerder bij de toepassing van dit artikellid

gevoerde beleid is vastgelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc). Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens

verplichtingen welke voortvloeien uit internationale

overeenkomsten- slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van

humanitaire aard.

Beoordeling van het beroep

2.9 Voorop dient te worden gesteld dat de algehele situatie in Afghanistan niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land zonder meer als vluchteling aan te merken zijn. Eiser dient derhalve hem persoonlijk

betreffende feiten en omstandigheden aan te voeren die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

2.10 De rechtbank stelt op grond van de terzake van partijen c.q.

door dezen aangehaalde informatie omtrent de positie van de bevolkingsgroep der Sikhs in Afghanistan, vast dat niet kan worden gezegd dat de Sikhs een verhoogd risico lopen op

vervolging door de Taliban. Het door verweerder ingebrachte ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken

vermeldt omtrent de positie van Sikhs in Afghanistan dat "de weinig overgebleven Sikhs geen problemen ondervinden van de zijde van de Taliban. De Taliban beschouwen hen niet als vreemdelingen, maar als volwaardige Afghanen. Sikhs

mogen vrij hun geloof uitoefenen. Onder meer in Kabul, Jalalabad,

Kandahar, Ghazni en Ghost bevinden zich tempels die met medeweten van de Taliban voor religieuze activiteiten worden gebruikt. Sikhs worden niet gedwongen zich tot de islam te bekeren. Evenmin behoeven zij de islamitische

gedragsregels na te leven. De Taliban staan het kleine aantal niet-moslims in Afghanistan, zoals Hindoes en Sikhs, niet toe zich in te laten met de actieve verbreiding van hun geloof."

Dit beeld vindt bevestiging in de door eiser overgelegde landeninformatie uit "UNHCR REFWORLD" waarin onder meer wordt vermeld dat "most of the Sikh community in Afghanistan have fled the country after nearly twenty years of war.

However, for the small community that remains living under generally difficult conditions, the Taliban have been generally tolerant of the Sikh community as well as other non-believers."

De overige bij de rechtbank bekende bronnen bevatten geen informatie die met een en ander strijdig is.

2.11 Ten aanzien van de door eiser naar voren gebrachte persoonlijke feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank tegen de achtergrond van het voorgaande als volgt.

2.12 De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij in Afghanistan vanwege zijn geloofsovertuiging dusdanig ernstig werd gediscrimineerd dat zijn leven daardoor onhoudbaar is geworden. Van doorslaggevende betekenis acht de

rechtbank in dit verband de omstandigheid dat eiser, nadat hij voor de derde (en laatste) maal door aanhangers van de Taliban was meegenomen en was vrijgekocht door zijn oom, nog een aantal maanden in een schoenenzaak heeft gewerkt

alvorens Afghanistan te ontvluchten, waarbij hij van de zijde van de Taliban geen problemen meer heeft ondervonden. Uit deze gang van zaken

leidt de rechtbank af dat de pesterijen van de zijde van de Taliban klaarblijkelijk even plotseling zijn gestopt als ze zijn begonnen. Niet gezegd kan dan ook worden dat deze het karakter van vervelende incidenten zijn ontstegen,

hoe

onaangenaam zij voor eiser ook mogen zijn geweest. Voorts kan uit het geheel van gebeurtenissen niet worden afgeleid dat er een reëele kans bestaat op herhaling of voortzetting van de problemen na terugkeer.

2.13 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden in

redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat

rechtsgrond voor toelating als vluchteling bestaat.

2.14 Voorts oordeelt de rechtbank dat uit het voorgaande volgt dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt onderworpen te worden aan folteringen of aan onmenselijke behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 van het Europese

Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.15 Tenslotte onderschrijft de rechtbank niet het standpunt van eiser dat verweerder hem in bezwaar had moeten (doen) horen, onder meer om een duidelijker beeld de krijgen van de positie van Sikhs in Afghanistan. Verweerder heeft

in bezwaar

ingevolge artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van een hoorzitting. Op grond van genoemd artikel kan van het horen worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Blijkens de Memorie van

Toelichting op het ontwerp van de Awb is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar, wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel

mogelijk is over die conclusie.

Naar vaste jurisprudentie moet de inhoud van het

bezwaarschrift beoordeeld worden in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.

Hoewel uit de omstandigheid dat de rechtbank partijen ter zitting om nadere informatie heeft verzocht omtrent de positie van Sikhs in Afghanistan al voortvloeit dat enig onderzoek in bezwaar geboden was, levert de omstandigheid dat

dit onderzoek achterwege is gelaten naar het oordeel van de rechtbank geen schending op van de hoorplicht. Het horen van eiser als individu had immers in het kader van dit onderzoek niet kunnen bijdragen aan het ophelderen van de

vraag hoe de Sikhs als bevolkingsgroep door de Taliban worden bejegend. Horen is in een situatie als deze dan ook niet functioneel te achten.

2.16 Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Ook overigens komt het besluit niet in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel.

2.17 Het beroep is mitsdien ongegrond.

2.18 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr A.H. Schotman, mr H.C. Greeuw en mr P. Bröcker, leden van de meervoudige kamer voor

vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van mr drs H.J.M. Baldinger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.

afschrift verzonden op: 29 februari 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.