Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6424

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/4733, 00/4734
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

fungerend president

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a en 33b Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/4733 en AWB 00/4734 VRWET

Inzake : A(1) en B (2), domicilie

kiezende te C, verzoekers,

gemachtigde mr. R.J.J. Flantua, advocaat te Den Bosch,

tegen : gemachtigde mr. A.G.J. van Ouwerkerk, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoekers stellen geboren te zijn op respectievelijk [...] 1983 en [...] 1982 en bezitten naar eigen zeggen de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Zij verblijven sedert 13 april 2000 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet

(Vw) in Nederland. Op 24 april 2000 hebben zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 27 april 2000 afwijzend beslist. Verzoekers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft op grond van artikel 32 Vw bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.

2. Op 28 april 2000 hebben verzoekers de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op hun bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak

betrekking hebbende stukken ingezonden.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 12 mei 2000. Verzoekers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is

ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 33b Vw kan de president hangende de afdoening van het bezwaar of het administratief beroep na de behandeling van een tegen de uitzetting gerichte voorlopige voorziening tevens uitspraak doen in de hoofdzaak

betreffende de niet-toelating.

2. Verzoekers, beiden van etnisch Armeense afkomst, stellen dat zij in aanmerking komen voor toelating in Nederland.

Daartoe heeft verzoekster sub 1 onder meer aangevoerd dat zij op 5 jarige leeftijd Azerbeidzjan heeft verlaten en samen met haar moeder bij een oom in D, Oekraïne, is gaan wonen.

Op 14 jarige leeftijd, na het overlijden van haar moeder, werd zij in een internaat geplaatst. Verzoekster sub 1 stelt aldaar te zijn

verkracht door medeleerlingen. Op 20 november 1999 heeft zij het internaat verlaten en is zij met haar vriend, verzoeker sub 2, gaan samenwonen in de Oekraïne.

Verzoeker sub 2 stelt tot aan 1991 in Azerbeidzjan te hebben gewoond.

Van 1991 tot 1997 heeft hij Armenië gewoond. In 1997 heeft hij samen met zijn vader asiel aangevraagd in Duitsland. Op 26 juni 1999 is verzoeker sub 2 samen met zijn vader, vanwege problemen in Duitsland naar de Oekraïne vertrokken.

In Oekraïne kreeg verzoeker sub 2 problemen met de politie omdat hij geen papieren had. Later kreeg de familie problemen met de maffia en werd de zuster van verzoeker sub 2 ontvoerd.

Kort nadat verzoeker zijn vriendin, verzoekster sub 1, had leren kennen zijn zij samen naar Nederland gereisd.

Verzoekers stellen beiden minderjarig te zijn en beroepen zich op het bijzondere beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet voor toelating in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven.

De weigering verzoeker toe te laten als vluchteling is gebaseerd op artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw. Dit artikel bepaalt dat een aanvraag om toelating als vluchteling niet wordt ingewilligd wegens kennelijke

ongegrondheid ervan indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag om toelating, tenzij de

vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen.

Per 1 februari 1999 is de Vreemdelingenwet gewijzigd in bovengenoemde zin. Blijkens het bepaalde in hoofdstuk B7/8.2.2. Vc (1994), vormt het ontbreken van documenten op zichzelf echter geen grond voor niet- inwilliging op grond van

artikel 15c Vw. Artikel 15 c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw kan uitsluitend worden toegepast na een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag, waarbij het toerekenbaar ontbreken van documenten altijd in de context van het

totale feitencomplex moet worden beschouwd. Daarbij tast het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan.

Verweerder is voorts van mening dat verzoeker sub 2, gelet op het uitgevoerde leeftijdsonderzoek, beduidend ouder is dan de leeftijd (17 jaar) die hij heeft opgegeven en in elk geval meerderjarig is.

Verweerder twijfelt ook aan de opgegeven leeftijd van verzoekster sub 1 (16 jaar), doch vanwege haar zwangerschap is een radiologisch leeftijdsonderzoek achterwege gebleven.

4. Met betrekking tot de leeftijd van verzoeker sub 2 overweegt de president dat uit het uitgevoerde radiologische leeftijdsonderzoek volgt dat verzoeker sub 2 beduidend ouder is dan de leeftijd welke hij heeft opgegeven. In het

kader van dat onderzoek wordt door middel van röntgenfoto's beoordeeld of aan de mediale uiteinden van de sleutelbeenderen kenmerken waarneembaar zijn van een nog niet voltooide rijping, dat wil zeggen dat het sleutelbeen nog niet

"gesloten" is.

Blijkens gepubliceerd onderzoek kan bij zeer vroege "rijpers" sluiting van het sleutelbeen reeds op 20 jarige leeftijd plaatsvinden. Een dergelijke sluiting is echter zeer zeldzaam. Bij late "rijpers" sluit rond de 30-jarige

leeftijd het sleutelbeen. Nimmer is sleutelbeen- sluiting beneden de 20 jaar waargenomen.

Vast staat dat bij verzoeker sub 2 beide sleutelbeenderen zijn uitgerijpt.

Verzoeker, die naar ter zitting is gebleken ook in het geheel niet als een minderjarige oogt, kan derhalve niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij op het moment van het onderzoek 17 jaar oud was.

Het door verzoeker gedane beroep op het AMA-beleid faalt derhalve.

Aan de bij schrijven van 11 mei 2000 overgelegde fotokopie van een geboorteakte ten name van verzoeker sub 2 waarop als geboortedatum 1 september 1982 is gesteld, hecht de president niet die waarde welke verzoeker daaraan gehecht

wil zien. Ten eerste is slechts een fotokopie

van dit document overgelegd en niet het origineel daarvan. Voorts is de herkomst van dit afschrift onduidelijk. Verzoeker heeft in eerste instantie verklaard dat zijn geboorteakte na zijn asielaanvraag in Duitsland is

achtergebleven. In het nader gehoor heeft verzoeker verklaard dat de akte bij zijn vader zou zijn gebleven, die na hun vertrek uit Duitsland, op dit moment in de Oekraïne zou verblijven.

Thans wil verzoeker het doen voorkomen dat hij via vrienden in Talin, Armenië, in het bezit is gekomen van een afschrift van zijn geboorteakte.

Verzoekster sub 1 heeft vanwege haar zwangerschap niet meegewerkt aan een leeftijdsonderzoek, zodat op deze wijze niet objectief kan worden bepaald hoe oud verzoekster is. De president stelt echter vast dat - daargelaten dat zij

gelet op haar uiterlijk, zoals ter zitting waargenomen, aanmerkelijk ouder oogt dan de door haar opgegeven leeftijd - verzoekster met haar meerderjarige partner, van wie zij thans in verwachting is, Nederland is ingereisd, zodat wat

verzoekster aangaat reeds om die reden niet aan het AMA-beleid is voldaan.

5. Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en artikel 15, eerste lid, Vw is van

vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

6. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Azerbeidzjan niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Verzoekers zullen dus aannemelijk moeten

maken dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die hun vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

7. Verzoekers zijn daarin niet geslaagd. De president overweegt daartoe allereerst dat verzoekers, naar eigen zeggen afkomstig uit Azerbeidjzan, in hun land van herkomst nimmer problemen hebben ondervonden welke zijn terug te voeren

op de vervolgingsgronden van het hiervoor genoemde Verdrag. Verzoekers zijn kennelijk op jonge leeftijd, samen met hun ouders, vertrokken uit Azerbeidzjan.

Gesteld noch aannemelijk is dat verzoekers in Azerbeidzjan van de zijde van de autoriteiten te vrezen hebben voor vervolging in

vluchtelingrechtelijke zin.

Ten aanzien van de problemen in Georgië waarop verzoekers en in het bijzonder verzoeker sub 2 zich beroepen overweegt de president allereerst dat de onaannemelijkheid van de opgegeven leeftijd van verzoekers maakt dat eveneens sterk

getwijfeld kan worden aan de geloofwaardigheid van hun asielrelaas.

De door verzoekers gestelde problemen hebben alle plaatsgevonden in Oekraïne en kunnen gelet op het feit dat verzoekers niet de Oekraïense nationaliteit niet bezitten onder deze omstandigheden evenmin tot vluchtelingschap leiden.

Ten overvloede overweegt de president dat verzoekers zich aan de gestelde problemen in Georgië konden en kunnen onttrekken door zich te vestigen in hun geboorteland Azerbeidjzan, respectievelijk in de Armeense enclave

Nagorno-Karabach zouden kunnen vestigen, zoals uit het recente ambtsbericht over Azerbeidzjan volgt.

8. Gelet op het vorenstaande is de president van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit terecht met toepassing van artikel 15c, lid 1, aanhef en onder f, Vw heeft geweigerd verzoeker toe te laten als vluchteling.

Verweerder heeft zich voorts, terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag om toelating in de zogenoemde AC-procedure kon worden afgedaan.

9. Ingevolge artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dient te worden

beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Gelet op rechtsoverweging 7 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van verzoekers naar Azerbeidzjan strijd oplevert met artikel 3 EVRM.

10. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

11. Op grond van het voorgaande is de president van oordeel dat verweerder terecht op grond van artikel 32, eerste lid, Vw besloten heeft de uitzetting niet achterwege te laten. Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de

president redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht.

12. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de president niet gebleken.

III. BESLISSING

De president:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het bezwaar ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2000, in tegenwoordigheid van P.C. Stroebel, griffier.