Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6421

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/5334
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 99/5334 S1813

Inzake : A, wonende te Libanon, eiseres,

gemachtigde mr. P. Scholtes, advocaat te Den Haag,

tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, gemachtigde mr. C.F.D. Kagenaar, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1971, bezit de Libanese nationaliteit. Op 5 januari heeft zij een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf bij Nederlandse echtgenoot B. Op

deze aanvraag is door verweerder op 20 maart 1998 afwijzend beslist. Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit. Verweerder heeft op 21 mei 1999 het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 16 juni 1999 heeft eiseres tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het

beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 12 januari 2000. Eiseres is aldaar niet verschenen. Wel is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was

ter zitting aanwezig de heer B, referent.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Ingevolge artikel 33d Vreemdelingenwet (Vw) worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke

voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van deze wet.

3. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor de gevraagde mvv. Naar de mening van eiseres verwerft haar Nederlandse echtgenoot als zelfstandige voldoende middelen van bestaan als bedoeld in hoofdstuk B1 van de

Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) en zijn deze middelen ook duurzaam. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat referent, mede gelet op artikel 8 EVRM, in elk geval een beroep kan doen op de uitzonderingscategorie genoemd

in hoofdstuk B1/1.2.3.5 onder d. van de Vc, nu referent zich al enige tijd inspant om als zelfstandige voldoende inkomen te verwerven.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voor een mvv in aanmerking komt. Verweerder is van mening dat referent niet aan de hand van objectieve financiële bescheiden heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig te

beschikken over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vreemdelingenwet.

Volgens verweerder dienen ter beoordeling van het inkomen van een zelfstandige in beginsel -voorzover van belang- de navolgende bescheiden dienen te worden overgelegd:

- een uittreksel van de Kamer van Koophandel;

- balans en winst en verliesrekening over de laatste twee volledige kalenderjaren;

- aangifte inkomstenbelasting over de laatste twee volledige kalenderjaren;

- aanslag inkomstenbelasting dan wel IB-60 formulieren over de laatste twee volledige kalenderjaren;

- balans en winst en verliesrekeningen over de eerste 3, 6 dan wel 9 maanden van het lopende kalenderjaar;

- aangiftes omzetbelasting over de eerste 3, 6 dan wel 9 maanden van het lopende kalenderjaar.

Als uitgangspunt neemt verweerder dat er sprake is van duurzaamheid indien een zelfstandige gedurende een periode van tenminste één jaar een netto inkomen heeft ontvangen dat tenminste gelijk is aan de betreffende bijstandsnorm en

dit is geverifieerd aan de hand van bescheiden uit objectieve bron afkomstig (aanslag IB of een IB-60 verklaring) en hij gedurende een aansluitende periode van tenminste 6 maanden een dergelijk inkomen heeft genoten, blijkend uit

een overgelegde balans en winst en verliesrekening.

5. De verlening van een mvv kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. De gronden die verweerder voor verlening van

een machtiging tot voorlopig verblijf hanteert zijn gelijk aan die welke de Staatssecretaris van Justitie in acht neemt voor verlening van een vergunning tot verblijf (hoofdstuk A4/5.3 van de Vc).

6. De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen

voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake

is van klemmende redenen van humanitaire aard.

6. Het beleid met betrekking tot gezinshereniging tussen echtgenoten is neergelegd in hoofdstuk B1/1. van de Vc. Het zogenoemde middelenvereiste is neergelegd in B1/1.2.3. Deze middelen moeten zowel voldoende als duurzaam zijn.

Middelen van bestaan worden als duurzaam beschouwd indien deze voor een periode van nog tenminste één jaar beschikbaar zijn. Ook voor zelfstandigen geldt dat de duurzaamheid van voldoende middelen aantoonbaar moet zijn. Dit kan

blijken uit een balans, een winst- en verliesrekening en uit maandelijkse opgaven van bedrijfsresultaten.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

Als eerste zij opgemerkt dat de eis tot overlegging van de onder 4 genoemde financiële bescheiden in de Vc niet gesteld wordt. Met name wordt niet de eis gesteld dat het inkomen dient te worden aangetoond met de door verweerder

genoemde aangiftes/aanslagen inkomstenbelasting en omzetbelasting.

8. In de onderhavige zaak is tussen partijen in geschil de vraag of de inkomsten van eiseresses echtgenoot als voldoende duurzaam kunnen worden aangemerkt. In confesso is dat het inkomen van de echtgenoot over 1998 qua hoogte aan de

vereisten voldoet.

Eiseresses echtgenoot drijft sinds oktober 1997 een boekhandel genaamd C en ontvangt aldus inkomen uit arbeid als zelfstandige.

Naast een uittreksel uit de Kamer van Koophandel heeft eiseres met betrekking tot het bedrijf van referent in de bezwaarfase de navolgende bescheiden overgelegd:

- een door een accountantskantoor vervaardigde openingsbalans d.d.

29 december 1997, alsmede een prognose over het jaar 1998 en een groot aantal invoices.

- een door een accountantskantoor vervaardigde balans ( met toelichting) over het jaar 1998, alsmede een winst- en verliesrekening over de jaren 1997 en 1998.

- een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 1997.

- een door een accountantskantoor opgemaakte prognose over het jaar 1999.

- een aangiftebiljet inkomstenbelasting 1998, alsmede een ontvangstbevestiging van de belastingdienst d.d. 23 maart 1999 (aangegeven belastbaar inkomen f. 17.450,--)

- een aanslag inkomstenbelasting 1997 gedagtekend 19 april 1999.

In beroep heeft eiseres nog overgelegd een aanslag inkomstenbelasting gedagtekend 27 augustus 1999. (vastgesteld belastbaar inkomen f.19.569,--)

9. Ten aanzien van de duurzaamheid overweegt de rechtbank dat, onder verwijzing naar artikel 4:2, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht, van eiseres mag worden verwacht, dat zij als aanvrager de gegevens en bescheiden dient

te verschaffen die voor de beslissing op de

aanvraag nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De beoordeling van een aanvraag om verblijf bij een zelfstandige ondernemer brengt met zich mee dat eerst achteraf kan worden beoordeeld of de inkomsten

van die zelfstandige in een bepaalde periode als duurzaam waren aan te merken. Van de aanvrager van een dergelijke vergunning kan niet worden gevergd dat hij op dat moment reeds komt met het door verweerder verlangde

bewijsmateriaal. Eiseres heeft in de loop van de procedure telkens ten minste aannemelijk gemaakt dat duurzaam aan het inkomensvereiste werd voldaan. Verweerder heeft met voormeld aspect naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende

rekening gehouden door enkel - zoals hiervoor uiteengezet ten onrechte - te stellen dat een en ander niet door middel van harde objectieve gegevens was onderbouwd.

10. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbeert. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het beroep tegen het besluit van 21 mei 1999 gegrond te verklaren en dit besluit te

vernietigen. Verweerder dient derhalve opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

11. Gelet op het voorstaande behoeft hetgeen overigens namens eiseres naar voren is gebracht geen bespreking.

12. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f.

1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,- en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f. 1.420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad f. 225,-- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. J.F. Miedema en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2000, in tegenwoordigheid van P.C. Stroebel, griffier.

afschrift verzonden op: 16 februari 2000