Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6419

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/5673
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 98/5673 VRWET

Inzake : A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. F.H. Bruggink, advocaat te Amsterdam

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr.A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1973, bezit de Pakistaanse nationaliteit.

Hij verblijft sedert 9 april 1996 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Bij binnenkomst heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf

wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

Hierop is door verweerder, na eiser te hebben gehoord, op 3 juli 1996 afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Eiser heeft tegen dit besluit een

bezwaarschrift ingediend en verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van de president van deze rechtbank d.d.

18 oktober 1996 (AWB 96/7295 VRWET) is eisers verzoek toegewezen.

Verweerder heeft op 9 december 1996 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Dit besluit is uitgereikt op 16 januari 1997.

2. Op 31 januari 1997 heeft eiser tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij uitspraak van de president van deze rechtbank d.d.

3 juni 1997 (AWB 96/13351 en 96/13352 VRWET) is het beroep van eiser gegrond verklaard onder de overweging dat eiser alsnog dient te worden gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV) en het verzoek om een

voorlopige voorziening afgewezen.

3. Op 13 februari 1998 is eiser alsnog door de ACV gehoord. Verweerder heeft op 7 juli 1998 het bezwaar ongegrond verklaard. Op 20 augustus 1998 heeft eiser tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft

de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

4. Het beroep is behandeld ter zitting van 8 maart 1999. De rechtbank heeft bij beschikking d.d. 23 maart 1999 (AWB 98/5673 VRWET) het onderzoek heropend, bepaald dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen en de oproeping van de

getuige, H.N.L. Verhagen in de hoedanigheid van Amir en voorzitter van de Ahmadiyya Moslim Djammat Nederland, gelast.

5. De behandeling van het beroep is hervat door de rechtbank op 26 oktober 1999. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was

ter zitting aanwezig als getuige, H.N.L.

Verhagen (verder te noemen: de getuige).

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser heeft gesteld dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland nu hij vanwege zijn godsdienst - eiser behoort tot de Ahmadiyya-gemeenschap - problemen heeft ondervonden in het land van herkomst.

Daartoe heeft hij tijdens het nader gehoor op 10 april 1996 aangevoerd dat hij vanwege zijn godsdienst is gediscrimineerd. Eiser werd door moslims op school geplaagd en is drie keer door de politie gearresteerd.

De eerste twee keer, in augustus 1994, is eiser meegenomen naar een kamer in Jaranwala, niet zijnde het politie-bureau, en mishandeld. Hij werd ten onrechte beschuldigd "Kalma" uitgesproken te hebben. De derde keer, in juni 1995, is

eiser opgepakt onderweg naar Jaranwala. Eiser is opgepakt door ongeveer vier politie-agenten en meegenomen naar een politie-bureau in Jaranwala. Eiser werd wederom mishandeld en verwond met een scheermes. Eisers vader heeft hem alle

drie de keren vrijgekocht

en er voor gezorgd dat er geen proces-verbaal tegen eiser zou worden opgemaakt. Van deze mishandelingen heeft eiser geen littekens overgehouden. Eiser behoort nu tot de leeftijdscategorie Khudam-ul- Ahmediyya. In bezwaar heeft eiser

zijn asielrelaas verduidelijkt en gesteld dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan het specifieke karakter van de Ahmadiyya-vervolging in Pakistan. Eiser heeft zich hieraan proberen te onttrekken door een zwervend bestaan

te leiden.

Eiser heeft gesteld dat het wettelijk stelsel van voorschriften in Pakistan vijandig staat tegenover leden van de gemeenschap waartoe hij behoort. Hierbij is van belang dat een Ahmadiyya door het zichzelf noemen van moslim of het

hardop uitspreken van "Kalma" een gevangenisstraf van drie jaar kan krijgen op grond van de anti-blasfemie wetgeving. Ter staving van zijn asielrelaas heeft eiser overgelegd een certificaat van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap en een

verklaring van de Mobarak Moskee, die tot stand is gekomen na onderzoek ter plekke. Eiser is werkzaam geweest als secretaris "Islah-O-Irshad Khuddamul Ahmadiyya" en hield zich bezig met het organiseren van verschillende activiteiten

omtrent training van de leden van de gemeenschap en verspreidde literatuur en preken. Tenslotte heeft eiser in bezwaar gesteld dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 3 EVRM.

In beroep heeft eiser zijn asielrelaas aangevuld en onder meer het volgende gesteld. Eiser is Ahmadiyya en loopt het risico te worden vervolgd wegens blasfemie. Ter staving van zijn asielrelaas heeft eiser overgelegd een brief van

zijn vader over de slechte situatie in Pakistan en een brief van de COA-arts M. Antheunisse over met name de littekens op zijn linker- en rechter-kuit. Voorts heeft eiser overgelegd een recent door de Ahmadiyya Moslim Jamaat in

Nederland samengesteld rapport "Vervolging van Ahmadi moslims in Pakistan" en een tweetal krantenartikelen uit de "Daily Al Naqeeb" d.d. 19 maart en 1 juni 1999.

Tevens heeft eiser overgelegd twee verklaringen van H.N.L. Verhagen (de getuige) d.d. 3 juli 1996 en 19 augustus 1996.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt. De weigering eiser toe te laten als vluchteling is gebaseerd op artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Dit artikel bepaalt

dat een aanvraag om toelating als vluchteling niet wordt ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien zij is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel

vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat de door eiser ondervonden discriminatie niet zodanig is dat zijn leven onhoudbaar is geworden. Hierbij wordt in ogenschouw

genomen dat niet is gebleken dat hij zich in het openbaar heeft gemanifesteerd c.q.

geprofileerd als Ahmadiyya-moslim. Evenmin is gebleken dat eiser problemen van de autoriteiten heeft ondervonden, nu hij op relatief eenvoudige wijze telkens is vrijgelaten. Bovendien geldt dat eiser op 13 december 1994 door de

autoriteiten in het bezit is gesteld van een identiteitskaart en dat hij via de luchthaven Karachi, Pakistan ongehinderd heeft kunnen verlaten. Voorzover eiser secretaris van de Ahmadiyya-gemeenschap zou zijn, zoals verklaard bij

schrijven 20 augustus 1996, is verweerder van oordeel dat dit aspect niet wezenlijk tot eisers verhaal kan bijdragen aangezien eiser ter zitting van de ACV niet heeft bevestigd dat hij deze functie daadwerkelijk heeft verricht.

Bij het vorenstaande heeft verweerder verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 29 juli 1994, kenmerk DAZBA/59220 en de aanvullende ambtsberichten d.d. 6 juni 1996 en 24 juli 1997, kenmerk

DAZBA/61933 en DCP/AM-539463. Voorts heeft verweerder gesteld dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 mei 1998 volgt dat Ahmadiyya's zich elders in Pakistan kunnen vestigen om zich te onttrekken aan

ondervonden problemen

van de zijde van fundamentalistische moslim-groeperingen. Ook overigens komt eiser volgens verweerder niet voor toelating in aanmerking.

4. Met betrekking tot de gehandhaafde weigering eiser als vluchteling toe te laten, overweegt de rechtbank als volgt.

5. Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en artikel 15, eerste lid, Vw is van

vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

6. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Pakistan, niet zodanig is dat vreemdelingen, behorende tot de Ahmadiyya-gemeenschap, afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiser

zal dus aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

7. Blijkens het verslag van het gehoor door de ACV d.d. 13 februari 1998 heeft eiser aldaar verklaard dat hij zich voor de Ahmadiyya-beweging met name heeft beziggehouden met propaganda-activiteiten om zijn geloof uit te dragen en

dat hij hiertoe alleen bekenden benaderde. Volgens het verslag heeft eiser niet gereageerd op de vraag of hij binnen de Ahmadiyya-beweging tevens een bestuurlijke functie heeft bekleed. In het door verweerder overgenomen afwijzende

advies van de ACV van - eveneens - 13 februari 1998 overweegt de ACV dat ernstig wordt betwijfeld of eiser wel, zoals hij (eerst) bij schrijven van

20 augustus 1996 naar voren heeft gebracht, de functie van secretaris binnen genoemde beweging heeft vervuld, omdat daarnaar door de ACV tweemaal is gevraagd en hij zulks toen niet heeft bevestigd.

8. Ter zitting is H.N.L. Verhagen als getuige gehoord in de hoedanigheid van Amir en voorzitter van de Ahmadiyya Moslim Djammat (gemeenschap) Nederland. Hij heeft - samengevat - het volgende verklaard. Eiser heeft voornoemde

gemeenschap te Den Haag verzocht zich nader omtrent zijn achtergronden te informeren. De verklaring van eiser en zijn persoonsgegevens zijn aldaar opgenomen en gestuurd naar het hoofdkantoor in Londen. Deze gegevens zijn vervolgens

doorgestuurd naar het hoofdkantoor in Pakistan. Op

3 juli 1996 is het lidmaatschap van eiser bij de Ahmadiyya-gemeenschap bevestigd en op 19 augustus 1996 is tevens informatie verstrekt over de werkzaamheden van eiser in het land van herkomst. Eiser heeft in de periode van 1995 tot

en met 1996 twee functies verricht. Hij is toezichthouder geweest van een wijk in het dorp C en was in die hoedanigheid verantwoordelijk voor ongeveer 75 Ahmadiyya's. Voorts is eiser werkzaam geweest als secretaris. Hierbij heeft de

getuige verwezen naar zijn verklaring d.d. 19 augustus 1996. In zijn hoedanigheid als secretaris heeft eiser zich in de gemeenschap bezig gehouden met het organiseren van verschillende activiteiten omtrent training van leden, het

verspreiden van literatuur en preken. De getuige heeft voornoemde verklaring verduidelijkt en gesteld dat het niet is toegestaan voor leden van de Ahmadiyya-beweging om in het openbaar op te treden.

Voornoemde functies zijn dan ook als het ware onzichtbaar en alleen binnen de Ahmadiyya-beweging naar buiten tredend.

Naar aanleiding van vragen ter zitting van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder heeft de getuige nog het volgende verklaard.

In verband met het geven van voorlichting nodigt de secretaris mensen - niet behorende tot voornoemde beweging - uit voor gesprekken en andere activiteiten. Er is hieraan een risico verbonden, nu op prediken zeer streng wordt gelet.

Voor de onderhavige functies word je gekozen en

vervolgens geacht deze naar beste vermogen te vervullen. Ter aanvulling heeft de getuige verklaard dat het doel van de functie is niet actieve leden, actief te maken. Hiervoor heb je een aantal mensen onder je. Het was eisers taak

om deze mensen te laten prediken. Nu de gemeenschap geen geheime organisatie is en je hierbij navraag kunt doen is er een risico aan het vorenstaande verbonden. Overigens is het - bij wet - niet toegestaan om te prediken en als

Ahmadiyya je geloof openlijk te belijden. Eisers functies behoorden tot de lagere functies binnen de organisatie. Wel was hij daar aanwezig waar het werk was.

Tenslotte heeft de getuige naar aanleiding van de vraag van de rechtbank of eiser een paspoort kan verkrijgen, geantwoord dat Ahmadiyya's hun paspoort kunnen laten verlengen. Op de vraag waarom eiser omtrent zijn functie en

activiteiten bij de ACV geen duidelijke verklaringen heeft afgelegd heeft eiser ter zitting verklaard dat hem daarnaar niet is gevraagd, althans dat hij die vragen kennelijk niet goed heeft begrepen.

9. De rechtbank acht het, gelet op hetgeen door de getuige ter zitting naar voren is gebracht, mede in verband met de afgegeven verklaringen van 3 juli 1996 en

19 augustus 1996, niet onaannemelijk dat eiser zich binnen zijn "wijk" in meer of mindere mate actief bezig hield met (bekerings)activiteiten voor de Ahmadiyya-beweging en binnen die geledingen van de beweging ook een

toezichthoudende / coördinerende functie bekleedde. Dit is niet in overeenstemming met het ACV-advies waarin aan eisers activiteiten voorbij is gegaan en in twijfel is getrokken of eiser wel een bestuursfunctie heeft bekleed.

Derhalve zal dit gegeven alsnog in de besluitvorming moeten worden betrokken, met name nu verweerder, in navolging van de ACV, een binnenlands vestigingsalternatief voor eiser heeft aangenomen, zonder te hebben onderzocht of dat

vestigingsalternatief in gelijke mate kan worden tegengeworpen aan actieve c.q. bestuursleden binnen de Ahmadiyya-beweging.

10. Het vorenstaande leidt ertoe dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke feitelijke grondslag berust en ongenoegzaam is gemotiveerd. Het bestreden besluit komt om die redenen dan ook voor vernietiging in aanmerking

11. Het beroep is derhalve gegrond.

12. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1.420,-. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient

ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuwe besluit op het bezwaarschrift neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eisers betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mrs. A.E.A.M. van Waesberghe, H. Ollermann en M.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2000, in tegenwoordigheid van mr. C.M.N. Menten, griffier.

afschrift verzonden op: 9 februari 2000