Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6365

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/111
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht jo artikel 34a Vreemdelingenwet

reg.nr.: AWB 00/111 VRWET

inzake : A, van (gestelde) Zuid-Afrikaanse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Ter Apel, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 6 januari 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet (Vw) in bewaring gesteld. Verweerder heeft op 6 januari 2000 schriftelijk een last tot uitzetting van

eiser gegeven.

Bij beroepschrift van 10 januari 2000 heeft mr. M. Visser, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning van

schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 19 januari 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Visser, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. F.T.T.

van der Heijde, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

Namens eiser is het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Verweerder heeft, door op 11 januari 2000 de voice-mail van de mobiele telefoon van eiser uit te luisteren, onrechtmatig gehandeld, nu eiser daartoe geen toestemming heeft verleend.

Voorts bestaat er geen zicht op de verwijdering van eiser nu hij vorig jaar bijna tien maanden in vreemdelingenbewaring heeft verbleven zonder dat de toepassing van die maatregel heeft geleid tot de daadwerkelijke verwijdering van

eiser.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Aan de materiële en formele vereisten voor inbewaringstelling is voldaan. Hoewel een eerdere toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet heeft geleid tot de

verwijdering van eiser, bestaat er nog steeds zicht op uitzetting. Het vermoeden is ontstaan dat eiser vermoedelijk uit Togo of Ivoorkust dan wel een ander West-Afrikaans land afkomstig is, nu in de voicemail van eiser Franstalige

gesprekken waren opgenomen. Het onderzoek is nog gaande. Eiser zal daarna met het resultaat van dat onderzoek worden geconfronteerd, waarna hij - zoals het zich thans laat aanzien - bij de autoriteiten van een land uit West-Afrika

zal worden gepresenteerd.

Verweerder heeft door het beluisteren van de mobiele telefoon van eiser niet onrechtmatig gehandeld. Indien de rechtbank van oordeel is dat dit wel het geval is, heeft dit geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de voortduring van

de bewaring nu voornoemde handelwijze van verweerder als een feitelijke handelwijze dient te worden aangemerkt waartegen een aparte rechtsgang, namelijk de indiening van een bezwaarschrift, openstaat.

Verweerder merkt nog op dat ook de omstandigheid dat eiser tijdens de behandeling van het onderhavige beroep een - tot dusver bij verweerder onbekende - geboortedatum ([...] 1972) heeft opgegeven, eveneens als een nieuw feit of

omstandigheid dient te worden aangemerkt op grond waarvan er opnieuw zicht is ontstaan op de verwijdering van eiser, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikt over een geldige titel tot verblijf en dat zijn identiteit en nationaliteit niet vaststaan. Voorts beschikt eiser niet over een vaste woon- of verblijfplaats en heeft hij niet de

beschikking over voldoende middelen van bestaan om in zijn levensonderhoud of in zijn terugreis te voorzien. Tenslotte stelt de rechtbank vast dat zijn uitzetting is gelast. Eiser heeft Nederland niet verlaten, hoewel hem dit bij de

opheffing van de vorige bewaring is aangezegd. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerders standpunt dat er voldoende aanleiding is om aan te nemen dat eiser zich aan zijn verwijdering zal

onttrekken, niet ongegrond is.

Met betrekking tot de vraag of er een reëel zicht op uitzetting van eiser bestaat overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser is eerder in vreemdelingbewaring gesteld gedurende de periode van

9 januari 1999 tot 5 november 1999, op welke datum hij is heengezonden omdat er geen zicht op verwijdering meer bestond. Gezien deze recente en lange periode van bewaring zal eerst dan wederom zicht op uitzetting ontstaan indien er

sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die het vermoeden kunnen wettigen dat nader onderzoek daarvan mogelijk kan leiden tot vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser.

Verweerder heeft dergelijke feiten en omstandigheden gesteld; zij zijn ontleend aan het uitluisteren van de voice-mail van de mobiele telefoon die eigendom is van eiser en die hij bij de inbewaringstelling in zijn bezit had. Uit het

terzake opgemaakte proces-verbaal blijkt dat een hoofdagent van politie, werkzaam bij de Dienst Vreemdelingenpolitie te Amsterdam, op dinsdag 11 januari 2000 de bedoelde voice-mail heeft uitgeluisterd. Daarbij was een tolk aanwezig

die heeft meegeluisterd en deze uitte het vermoeden dat het dialect van de Franse taal, waarin de berichten waren ingesproken, mogelijk gezocht kan worden in de landen Togo of Ivoorkust.

Ten aanzien van het uitluisteren van de voice-mail heeft eiser gesteld dat dit een ontoelaatbare inbreuk is op zijn privacy, dat dit derhalve onrechtmatig is geschied, en dat met de daaruit voortvloeiende gegevens geen rekening mag

worden gehouden.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat eiser toestemming heeft gegeven, noch om toestemming is gevraagd, om de voice-mail van zijn mobiele telefoon uit te luisteren. Verweerder heeft ter

zitting bevestigd dat deze toestemming niet is gevraagd, noch gegeven, terwijl eiser ter zitting heeft gesteld dat hij nimmer toestemming zou hebben gegeven indien hij daarom zou zijn gevraagd.

Anders dan eiser heeft gesteld brengt het feit dat bewijs dat in strafrechtelijke zin mogelijk als onrechtmatig verkregen kan worden aangemerkt nog niet met zich mee dat van dit bewijs in een bestuursrechtelijke procedure, en in het

bijzonder in het kader van vreemdelingenbewaring, geen gebruik zou mogen worden gemaakt. De beoordeling van het bewijs in bestuursrechtelijke procedures wordt niet door strafvorderlijke regels beheerst maar door de algemene

beginselen van behoorlijk bestuur. Naar vaste jurisprudentie is het gebruik van bewijsmiddelen slechts dan niet toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende

overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

In dat kader acht de rechtbank van belang dat in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onder meer is vastgelegd dat een ieder recht heeft op respect voor

zijn privé-leven en zijn correspondentie. Onder het begrip correspondentie dienen, blijkens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), ook te worden verstaan telefoongesprekken, terwijl naar het

oordeel van de rechtbank daaronder tevens dient te worden verstaan het uitluisteren van berichten van derden die zijn ingesproken op de voice-mail van de betreffende telefoon. Volgens het tweede lid van artikel 8 EVRM is geen

inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet voorzien. De rechtbank stelt vast dat het uitluisteren van de voice-mail, als in casu door een hoofdagent werkzaam bij de

Vreemdelingenpolitie, geen deugdelijke basis heeft in het geschreven of ongeschreven recht; een duidelijke en precieze rechtsnorm valt daarvoor niet aan te wijzen.

Derhalve is niet voldaan aan het criterium "dan voor zover bij de wet voorzien" en is er sprake van een schending van artikel 8 EVRM. Een dergelijke schending van het in het EVRM neergelegde grondrecht druist naar het oordeel van de

rechtbank in tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. De rechtbank is niet gebleken van

omstandigheden die dit handelen kunnen rechtvaardigen. Het gebruik van de met dit handelen verkregen informatie moet dan ook ontoelaatbaar worden geacht.

De rechtbank zal derhalve buiten beschouwing laten de door verweerder gestelde nieuwe feiten en omstandigheden voor zover deze zijn ontleend aan het uitluisteren van de voice-mail van de mobiele telefoon van eiser.

Voor het overige zijn geen andere nieuwe feiten en omstandigheden door verweerder aangevoerd. Het feit dat eiser ter zitting een geboortedatum heeft genoemd die marginaal afwijkt van een eerder genoemde geboortedatum acht de

rechtbank van onvoldoende gewicht.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er thans geen zicht is op verwijdering van eiser en dat voortzetting van de bewaring dan ook niet langer gerechtvaardigd is.

Gelet op het vorengaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op Fl. 1.420,- als kosten van

verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 21 januari 2000 wordt opgeheven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot Fl. 1.420,- (veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2000, in tegenwoordigheid van L.W. Visser, griffier.

Afschrift verzonden op: 31 januari 2000

Conc.: JPS/LV

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.