Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6351

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2000
Datum publicatie
29-08-2002
Zaaknummer
AWB 99/423
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2, geldigheid: 2000-02-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/423 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1913, bezit de Surinaamse nationaliteit. Op 10 december 1997 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam- Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij

besluit van 30 juni 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Bij bezwaarschrift van 22 juli 1998 heeft mr. B.R. Angad Gaur, namens eiser, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 16 december

1998 ongegrond verklaard. Dit besluit is diezelfde dag toegezonden aan eiser.

2. Bij beroepschrift van 11 januari 1999, aangevuld bij schrijven van 23 februari 1999, heeft mr. S.V. Ramdihal, advocaat te Amsterdam, namens eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen

meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 16 april 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 12 januari 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2000. Zoals tevoren aangekondigd is eiser aldaar niet in persoon verschenen, noch vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen

door gemachtigde mr. E. Bervoets, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand

kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser verblijft sedert 11 september 1997 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland.

Eiser beoogt een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij Nederlandse dochter C".

Eiser heeft in totaal tien kinderen; vier kinderen verblijven in Suriname, zes kinderen verblijven in Nederland.

In het dossier bevindt zich een brief van 16 februari 1998 van R. de Randamie aan een medewerker van de Dienst Vreemdelingenpolitie Amsterdam, waarin -onder meer- het volgende wordt gesteld:

Kort voor het overlijden van diens vrouw in Suriname, woonde de heer A gescheiden van zijn vrouw, dit is hem niet in dank afgenomen door de meeste van zijn kinderen.

Om deze reden ondervindt de heer A geen medewerking van zijn kinderen (allen volwassen en met gezin) in Suriname en ook niet van één van zijn zoons alhier. (...)

De overgebleven kinderen die hem wel ondersteunen zijn allen woonachtig in Nederland.

Naar aanleiding van het in bezwaar gestelde heeft verweerder de gemachtigde van eiser bij schrijven van 23 september 1998 de volgende vragen voorgelegd:

Naar aanleiding van [uw bezwaarschrift] stel ik u in de gelegenheid binnen twee weken na dagtekening van deze brief:

1. uw stelling dat betrokkene medische behandeling in Nederland nodig heeft, met documenten, b.v. medische rapportage, aan te tonen;2. uw stelling dat de vier kinderen van betrokkene in Suriname al lange tijd geen kontakt met

betrokkene hebben, en dit ook niet willen, aan te tonen.

Bij schrijven van 28 september 1998 heeft mr. Angad Gaur, voornoemd, verweerder het volgende meegedeeld.

Het bezwaarschrift is ingediend op verzoek van R.P. de Randamie.

Deze heeft mij bij brief van 23 juli 1998 verzocht mijn bemoeienis met de zaak te beëindigen. (¿) Ik adviseer u zo nodig betrokkene rechtstreeks aan te schrijven voor zover hij nog in Nederland verblijft. Ook dat laatste is

inmiddels onduidelijk gelet op eerdere uitlatingen van de heer R.P. de Randamie.

Naar aanleiding van deze brief heeft verweerder de vragen uit de brief van 23 september 1998 bij brief van 28 september 1998 verzonden naar het laatst bekende adres van eiser. Eiser heeft op deze brief niet gereageerd. Vervolgens

heeft verweerder op 7 december 1998 beslist dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had en op 16 december 1998 het thans bestreden besluit genomen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen aanspraak kan maken op een vergunning tot verblijf.

Eiser kan geen geslaagd beroep doen op het verruimde

gezinsherenigingsbeleid aangezien de feitelijke gezinsband met C is verbroken. Het is niet aangetoond, noch gebleken

dat de achterlating van eiser in Suriname een onevenredige hardheid zou betekenen.

Evenmin kan eiser een geslaagd beroep doen op het beleid inzake de toelating van vreemdelingen van 65 jaar en ouder. Het is niet met gelegaliseerde officiële documenten aangetoond dat eiser in zijn land van herkomst alleenstaande

is. Voorts is gebleken dat vier van de tien kinderen van eiser nog in Suriname woonachtig zijn.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan eiser om andere klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit had moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf.

Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om nadere informatie over te leggen omtrent het door hem in bezwaar gestelde.

Eiser heeft van deze gelegenheid echter geen gebruik gemaakt.

Het bestreden besluit betekent geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Eiser is niet gehoord omdat daartoe gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Vw geen verplichting bestond en dit evenmin door de zorgvuldigheid werd gevorderd.

4. Eiser is van mening dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning tot verblijf.

In de bezwaarfase heeft eiser gewezen op zijn ouderdom en gesteld dat hij lijdt aan een veelheid van ouderdomskwalen. Hij is slecht ter been, heeft last van adervernauwing en heeft een slecht hart.

Dit is vastgesteld door de artsen. Het is voor de gezondheid van eiser niet goed om een lange vliegreis te maken. Als eiser naar Suriname zou moeten terugkeren, zou hij hoogstwaarschijnlijk depressief worden.

In 1998 is eiser in Nederland aan zijn ogen geopereerd. Medische nazorg en medische nabehandeling zijn noodzakelijk.

Eiser kan niet bij zijn kinderen in Suriname verblijven aangezien het contact met deze kinderen erg bekoeld is. Voordat de vrouw van eiser op 6 maart 1981 overleed, had eiser een relatie met een andere vrouw. De kinderen van eiser

verwijten hem de dood van zijn vrouw, hun moeder. Slechts drie van de in Nederland verblijvende kinderen hebben nog contact met eiser. Zij zijn bereid en in staat om hem te onderhouden.

De vrouw met wie eiser een nieuwe relatie is aangegaan, is om medische redenen naar

Nederland gegaan. Eiser is haar achterna gereisd.

In beroep heeft eiser verzocht het eerder aangevoerde als herhaald en ingelast te beschouwen. In aanvulling daarop heeft hij het volgende gesteld. In het bestreden besluit stelt verweerder nadere stukken te hebben gevraagd, doch

deze niet te hebben ontvangen. Dit ontslaat verweerder echter niet van de plicht om te komen tot een beoordeling op grond van het reeds gestelde en overgelegde. De motivering in het bestreden besluit is te summier en volledig

gebaseerd op het ontbreken van de gevraagde stukken. Eiser had in de bezwaarfase moeten worden gehoord. Als verweerder zoveel belang hecht aan de gevraagde stukken, dan hadden deze bij het horen alsnog kunnen worden overgelegd.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de

Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. Verweerder heeft in het besluit in eerste aanleg gesteld dat eiser niet voldoet aan de vereisten van het beleid inzake verruimde gezinshereniging, zoals neergelegd in hoofdstuk B 1 onder 7 van de Vc, en evenmin voldoet aan de

vereisten van het beleid inzake de toelating van vreemdelingen van 65 jaar en ouder zoals neergelegd in hoofdstuk B 1 onder 9 van de Vc. Eiser heeft deze stellingen noch in bezwaar, noch in beroep, bestreden. De rechtbank gaat er

dan ook vanuit dat niet in geschil is dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op deze beleidsregels.

8. Niet is gebleken dat eiser aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen. Eiser heeft weliswaar gesteld, doch -ondanks het uitdrukkelijk verzoek van verweerder daartoe- op generlei

wijze onderbouwd dat hij hier te lande een medische behandeling ondergaat of heeft ondergaan. Nog daargelaten dat eiser daartoe geen aanvraag heeft ingediend, kan dan ook niet worden gesteld dat verweerder eiser in het bezit had

moeten stellen van een vergunning tot verblijf voor medische behandeling.

9. Evenmin is gebleken van zodanige (andere) klemmende redenen van humanitaire aard dat verweerder op grond daarvan -in afwijking van de beleidsregels- aan eiser hier te lande verblijf had moeten toestaan. De gestelde

gezondheidsproblemen van eiser zijn -zoals hiervoor reeds overwogen- niet nader onderbouwd. De enkele stelling

dat de in Suriname verblijvende kinderen van eiser geen contact meer met hem willen hebben, kan zonder nadere toelichting niet tot het oordeel leiden dat in redelijkheid niet van eiser kan worden verwacht terug te keren naar zijn

land van herkomst.

Voor zover aangenomen moet worden dat er tussen eiser en zijn dochter bij wie hij verblijf beoogt sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, is niet gesteld, noch gebleken dat het bestreden besluit een

schending van dit artikel zou betekenen.

10. Eisers stelling dat hij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De wederkerigheid van de rechtsbetrekking tussen de burger en de overheid brengt met zich dat de burger, voor zover hij wenst dat met zijn inzichten of belangen rekening wordt gehouden, deze op een daartoe geschikte wijze naar voren

moet brengen en dat hij daaraan ook door het bestuur kan worden gehouden.

Eiser heeft zonder enige reden niet gereageerd op verweerders verzoek van 28 september 1998 om nadere informatie te verschaffen.

Noch in het beroepschrift, noch ter zitting

-alwaar eiser niet is verschenen- zijn de door verweerder gestelde vragen beantwoord. Het -summiere- beroepschrift beperkt zich inhoudelijk tot een herhaling van de gronden van het bezwaar. Er zijn in de beroepsfase geen feiten

aangevoerd waar verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit rekening mee had moeten houden. Onder deze omstandigheden kan eiser zich niet met vrucht beroepen op schending van de hoorplicht.

11. Het beroep is dan ook ongegrond.

12. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Rang, voorzitter, en mr. M.A.

Vermeulen en

mr. M. Lolkema, rechters, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2000, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, griffier.

Afschrift verzonden op: 3 maart 2000

Conc.: CR - JW

Coll:

Bp: -

D: B