Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6347

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
2200144799
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200144799

parketnummer 0975400598

datum uitspraak 30 juni 2000

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

Gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 16 juli 1999 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op

[geboortedatum],

wonende te 2651 BE Berkel en Rodenrijs, Veilingweg 60.

1. Onderzoek van de zaak

1.1. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op

de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 9, 13, 15, 16, 20 en 22 december 1999, 20, 21, 23, 27, 28, 29 en 31 maart 2000, 3, 4 en 13 april 2000, 15, 16, 18, 22 en 31 mei 2000, 5, 7, 14 en 16 juni 2000.

1.2. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaten-generaal mrs. Van den Broek en Van Atteveld en van hetgeen door de raadsman mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie mr. Mooijen d.d. 2 april 1999 en ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal mr. Van Atteveld d.d. 20 maart 2000 gewijzigd.

2.2. Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest.

3. De partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding

3.1. Ter terechtzitting van 22 december 1999 heeft het hof ten aanzien van de partiële nietigverklaring van de dagvaarding het volgende overwogen:

"De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de inleidende dagvaarding ten aanzien van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit nietig verklaard, aangezien dat onderdeel

geen beschrijving of nadere uitwerking van feitelijke handelingen die zouden zijn verricht, bevat."

Een dergelijke partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding is toelaatbaar als na de nietigverklaring van het betreffende onderdeel van de tenlastelegging het resterende gedeelte nog hetzelfde strafbare feit als tevoren inhoudt. Vgl. HR 14 april 1987, NJ 1988, 171 en HR 3 mei 1994, NJ 1994, 565. Dat is hier het geval.

Bij de beoordeling van de geldigheid van een tenlastelegging dient naar 's hofs oordeel de gehele tenlastelegging in al haar aspecten te worden bezien en dienen tevens de bedoelingen die de steller van de tenlastelegging daarbij heeft gehad mede in ogenschouw te worden genomen.

Een tenlastelegging is in beginsel geldig, indien daarin een voldoende duidelijke feitelijke omschrijving, inclusief vermelding van tijd en plaats, van het strafrechtelijk vervolgde gebeuren is opgenomen.

In de onderhavige tenlastelegging sub 1 wordt de verdachte - voor zover hier van belang - verweten te hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het telkens opzettelijk invoeren binnen het grondgebied van Nederland van cocaïne en/of het plegen van voorbereidingshandelingen tot een dergelijk feit.

De steller van de tenlastelegging heeft in de onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging een viertal invoeren en een poging tot invoer nader in tijd, plaats en hoeveelheid cocaïne gespecificeerd.

Van de steller van een tenlastelegging terzake van een misdrijf als omschreven in artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan in redelijkheid niet worden gevergd dat reeds in de tenlastelegging alle invoeren van cocaïne waarmee de organisatie zich in zijn ogen heeft beziggehouden naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nauwkeurig worden omschreven.

Onder omstandigheden kan de steller van een dergelijke tenlastelegging aan het slot van de tenlastelegging volstaan met de meer algemene omschrijving dat de beweerde organisatie zich ook nog met andere, naar tijd, plaats en hoeveelheid ingevoerde cocaïne nog niet nader te specificeren, invoeren van cocaïne dan wel voorbereidingshandelingen ter zake van een dergelijk feit heeft ingelaten.

Het is niet ondenkbaar dat een dergelijke wijze van tenlasteleggen voor de verdachte voldoende duidelijk is en voldoende aanknopingspunten voor zijn verdediging biedt. Ook het onderzoek ter terechtzitting strekt er immers mede toe om feiten aan het licht te brengen die het strafrechtelijk vervolgde gebeuren verduidelijken.

Het hof zal dus dienen te onderzoeken of de verdachte geacht kan worden de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen te hebben begrepen, en, in geval van een ontkennend antwoord, in hoeverre de verdachte geacht kan worden hierdoor in zijn verdediging te zijn geschaad.

De in onderdeel 6 genoemde periode en plaats, althans voor wat betreft Zuid-Amerika, zijn in het licht van de daaraan voorafgaande onderdelen 1 tot en met 5 van die tenlastelegging op het eerste gezicht ook niet zodanig ruim dat niet meer gezegd kan worden dat sprake is van een voldoende feitelijke omschrijving.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om het hoger beroep niet op de grondslag van de gehele tenlastelegging te behandelen.

Een eventuele terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is niet aan de orde. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van het resterende gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde is gekomen, kan immers niet worden gezegd dat de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist. Zie HR 19 mei 1992, NJ 1992, 655.

Over de uiteindelijke geldigheid van onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit zal het hof in het eindarrest een beslissing nemen.”

3.2. Ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de verdachte de aard en strekking van de in onderdeel 6 van het onder 1 tenlastegelegde feit verweten gedragingen niet heeft begrepen dan wel anderszins door de redactie van dit onderdeel van de tenlastelegging in zijn verdediging is geschaad.

3.3. De in dat onderdeel aan de verdachte verweten gedragingen hebben in de tenlastelegging een geheel zelfstandige betekenis.

3.4. Strijdigheid van de tenlastelegging met het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering doet zich volgens het hof alleen voor voorzover in onderdeel 6 de woorden: “althans het buitenland” voorkomen. Deze woorden acht het hof te vaag en te onbepaald. Alleen in zoverre kan de partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding door de rechtbank in stand blijven.

4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

4.1. Door de raadsman is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging op de navolgende gronden -kort en zakelijk weergegeven- en ook in onderling verband en samenhang bezien, een en ander zoals nader toegelicht in de pleitnotities van de raadsman:

A. grove schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn;

B. langdurige en stelselmatige onthouding van stukken aan de verdediging;

C. schending van het recht op een eerlijk proces vanwege het door tijdsverloop ontbreken van controle op de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en processtukken;

D. schending van belangen van de verdachte en het algemeen belang van de gemeenschap bij een eenduidig, zorgvuldig en integer optreden van het openbaar ministerie bij opsporing en vervolging door een tweeslachtige houding jegens de verdachte-informant;

E. schending van verdedigingsbelangen bij de verlening van de status van bedreigde getuige;

F. schending van fundamentele rechtsbelangen door het sluiten van een deal met de getuige NN VI;

G. grove veronachtzaming van het recht op een eerlijk proces door het creëren van een onjuist beeld van aard, aantal en betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige NN III en het afschermen van diens informatiebronnen;

H. schending van het verbod van willekeur door slechts de

verdachte ter zake van financiële transacties te vervolgen en andere personen die informatie hebben gegeven en daarbij zelf strafbare feiten hebben gepleegd, zoals bedreigde getuigen, niet te vervolgen.

4.2. Het hof stelt ten aanzien van het door de raadsman aangevoerde met betrekking tot de onder (A),(B),(C) en(E) gevoerde verweren voorop dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de processuele positie van de verdachte in het voorbereidend onderzoek vrijwel geheel afhankelijk is gesteld van het verloop van het onderzoek in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1], zo zeer zelfs dat de zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort als getuige ter terechtzitting van het hof van 4 april 2000 heeft verklaard dat "als bij bewijs tegen [medeverdachte 1], van hogerhand de aanwijzing zou komen om [medeverdachte 1] niet verder te vervolgen, dan zouden wij [medeverdachte 2] en [verdachte], als minderen, ook niet vervolgen".

Wanneer een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld worden de grenzen van dit onderzoek bepaald door hetgeen aan de verdachte in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek wordt verweten. De verdediging moet immers zo spoedig mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om de betrouwbaarheid én de rechtmatigheid van het voor de verdachte belastende materiaal te controleren en voor de verdachte ontlastend materiaal daartegenover te stellen. Wat voor de verdachte als belastend moet worden aangemerkt, wordt bepaald door de beschuldiging zoals die in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek is omschreven. Indien in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek een feit als bedoeld in artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is omschreven, is het belang van het onderzoek niet gelijk aan het belang van het onderzoek naar de rol van de verdachte in die organisatie. Het belang van het onderzoek omvat immers de deelneming aan een bepaalde criminele organisatie en de verdachte is slechts een van de personen tegen wie verdenking van een dergelijke deelname bestaat. Het kan dus voorkomen dat het onderzoek naar een bepaalde deelnemer aan de beoogde criminele organisatie stil ligt, of sterker nog al min of meer is voltooid, terwijl het onderzoek naar andere deelnemers aan de criminele organisatie nog in volle gang is. Ook kan het voorkomen dat met de aanhouding van een bepaalde verdachte, hoewel de zaak tegen hem al “rond” is in die zin dat zijn rol in de organisatie al wel vaststaat, wordt gewacht tot het onderzoek verder gevorderd is. Wil men hoger of zo men wil dieper in een bepaalde criminele organisatie komen, dan moeten en politie en justitie alvorens openheid naar de verdediging te betrachten belangen van individuele verdachten ondergeschikt kunnen maken aan het onderzoek naar de gehele criminele organisatie. Zo kan een in het kader van meerdere gerechtelijke vooronderzoeken verrichte huiszoeking voldoende materiaal opleveren om degene die verantwoordelijk is voor het witwassen van de drugsgelden te kunnen aanhouden en vervolgens te berechten, doch kan het belang van het onderzoek naar de organisatoren van de drugstransporten meebrengen dat noch tot aanhouding noch tot dagvaarding van die verdachte wordt overgegaan. Het stellen van prioriteiten in deze zin door het openbaar ministerie is in het algemeen legitiem en geeft op zich geen aanleiding tot het opleggen van bepaalde processuele sancties. Het voorgaande kan ook bij mededaderschap toepassing vinden. Ook bij mededaderschap behoeft het belang van het onderzoek niet zonder meer te worden vereenzelvigd met het belang van onderzoek tegen een bepaalde verdachte. Het belang van het onderzoek is het onderzoek naar het feit zoals dat in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek is omschreven.

Wel is het zo dat het openbaar ministerie steeds tegen elkaar zal moeten afwegen het belang van het onderzoek zoals dat in de (nadere) vordering tot gerechtelijk vooronderzoek is ingekaderd en het verdedigingsbelang van de verdachte die object is van dat gerechtelijk vooronderzoek. Die belangenafweging kan er onder omstandigheden toe leiden dat de belangen van de verdachte ten gevolge van het onderzoek naar andere deelnemers aan de criminele organisatie of andere mededaders onevenredig worden geschaad en daaraan processuele sancties dienen te worden verbonden. Zolang evenwel de inactiviteit of beperking van verdedigingsrechten in een bepaald gerechtelijk vooronderzoek verband houdt met het onderzoek in een parallel gerechtelijk vooronderzoek kan, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, niet worden gezegd dat de behandeling van de zaak tegen de betreffende verdachte niet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet, met als gevolg de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

Vanuit dit vertrekpunt zal het hof het door de verdediging gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging benaderen.

4.3. Redelijke termijn van berechting

Op 9 mei 1994 is bij de verdachte huiszoeking gedaan en is hij door opsporingsambtenaren gehoord. Dat tijdstip dient als aanvang van een in casu te gelden redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM te worden aangemerkt. Het hof acht aannemelijk geworden dat met het onderzoek ter zake van de resultaten van rond vermeld tijdstip uitgevoerde huiszoekingen geruime tijd, te weten tot ver in 1995, gemoeid is geweest.

Vanaf eind 1995 heeft het onderzoek in de zaak van de verdachte evenwel, in hoofdzaak tengevolge van stagnaties in de zaak [medeverdachte 1], grotendeels stilgelegen. Zulks tot november 1997.

In de zaak van de verdachte zou voortzetting van de vervolging tegen medio 1996 alleen mogelijk zijn geweest terzake van strafbare handelingen verband houdende met een of meer concrete cocaïnetransporten. Voortzetting van de vervolging terzake van deelneming aan een criminele organisatie rondom de medeverdachte [medeverdachte 1] zou medio 1996 daarentegen niet zonder meer mogelijk zijn geweest in verband met het nog lopende onderzoek in de zaak tegen die medeverdachte. De wenselijkheid om de verdachte terzake van dit feit te vervolgen heeft de vertraging grotendeels veroorzaakt. De verdachte en diens verdediging vormden te dezen immers in geen enkel opzicht een vertragende factor. Gelet op de aard van de zaak en de complexiteit daarvan en de ernst van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten kan een periode van omstreeks anderhalf jaar vertraging op zichzelf genomen niet zonder meer een overschrijding van de redelijke termijn opleveren. Het hof acht evenwel de totale periode van mei 1994 tot de behandeling van de zaak in hoger beroep (juni 2000) gelet op de actieve medewerking van de verdachte in het strafproces onredelijk lang, maar niet zo lang dat het openbaar ministerie dientengevolge niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard. Het belang van de gemeenschap bij berechting dient in casu naar het oordeel van het hof te prevaleren.

4.4. Onthouding van stukken

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad doordat aan de verdediging in de periode van 1994 tot en met 1997 stukken niet dan wel niet tijdig werden toegezonden, inzage in de stukken niet kon plaatsvinden en brieven door het openbaar ministerie niet of eerst zeer laat werden beantwoord. De afhankelijke procespositie van de verdachte, zoals onder 4.2. weergegeven, kan zulks op onderdelen naar het oordeel van het hof slechts in een zeer geringe mate rechtvaardigen. Het hof acht echter niet aannemelijk geworden dat een en ander in het bijzonder is geschied om de belangen van de verdediging welbewust grovelijk te benadelen. Het hof acht daarom niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging geen adequate sanctie.

4.5. Schending recht van verdediging met betrekking tot

vorderingen tot statusverlening bedreigde getuigen

Naar het oordeel van het hof is de verdachte in zijn verdediging geschaad doordat aan de vorderingen bedreigde getuige d.d. 14 december 1994 in zijn zaak geen enkel gevolg is gegeven en bedreigde getuigen in 1994/1995 vooreerst alleen in de zaak [medeverdachte 1] als zodanig zijn erkend en gehoord, zonder dat de verdediging van de verdachte zich daarin heeft kunnen mengen.

Door verlening van de status van bedreigde getuige in de zaak [medeverdachte 1] kon immers met nagenoeg volledige zekerheid worden aangenomen dat later ook in de samenhangende zaak van de verdachte die statusverlening onontkoombaar was, zulks terwijl eveneens aannemelijk was ten tijde van die statusverlening, dat (een aantal van) de betreffende getuigen ook in de zaak van de verdachte gehoord moesten worden. Mede gelet op het tijdsverloop sedert het horen van de betreffende getuigen en de daaruit voortvloeiende beperkingen ter zake van toetsingsmogelijkheden, acht het hof de verdachte op dat punt onvoldoende gecompenseerd door de inbreng van de verdediging bij de latere statusverlening aan en het horen van getuigen in zijn zaak in 1997/98.

Ook deze gang van zaken valt, naar het hof aannemelijk acht, te verklaren vanuit het hiervoor reeds aangegeven door het openbaar ministerie gegeven primaat aan de vervolging van [medeverdachte 1]. Het hof wijst in dit verband op de volgende verklaring van de zaaksofficier van justitie mr. Ch.V. van der Voort als getuige ter terechtzitting van het hof van 4 april 2000: "..als de bedreigde getuigen in alle drie de gerechtelijke vooronderzoeken zouden worden gehoord, zou het risico bestaan dat de combinatie van kennis van de getuigen herleidbaar zou zijn tot de persoon. Bij sommigen speelde dat een rol en daarom hebben wij voorrang gegeven aan het gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 1] en gewacht in het gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 2] en [verdachte]." Dit primaat kan een en ander echter niet in afdoende mate rechtvaardigen; anderzijds acht het hof niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie op deze grond niet een passende sanctie, nu het hof niet aannemelijk acht dat een en ander is gedaan met het oogmerk van grove benadeling van de verdachte in zijn verdedigingsbelangen, terwijl naar het oordeel van het hof evenmin in casu sprake is van zodanige doelbewuste miskenning van enig algemeen belang van eerlijke procesvoering dat niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging zou moeten volgen.

4.6. Schending van het recht op een eerlijk proces

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat een langdurig tijdsverloop en feitelijke onthouding van stukken als in casu de mogelijkheid van adequate waarheidsvinding en controle van opsporingsmethoden zijdens de verdediging nadelig beïnvloeden.

Een dergelijk effect is aan die vertragende factoren echter inherent en is als zodanig naar het oordeel van het hof niet als een bijzondere zelfstandige omstandigheid met betrekking tot de al of niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan te merken. De enkele omstandigheid dat het hof, ter bescherming van andere belangen dan die van de verdediging, de verdediging het stellen van enkele vragen aan de getuigen Driessen en Van der Voort heeft belet, brengt overigens, anders dan door de raadsman in dit verband gesteld, naar het oordeel van het hof niet mee dat de verdediging onaanvaardbaar is beperkt in haar mogelijkheden tot controle op het opsporingsonderzoek en de rechtmatigheid van de bewijsgaring.

4.7. Schending van beginselen van een goede procesorde door het

handelen met betrekking tot de verdachte als informant van de CID.

Het hof heeft uitvoering onderzoek verricht of doen verrichten inzake de vraag of de verdachte op enigerlei wijze in zijn processele positie is benadeeld vanwege het feit dat hij behalve verdachte ook enige tijd als informant door de Rotterdamse CID is gerund en als zodanig ook ingeschreven is geweest. In het bijzonder zijn rondom dit thema als getuigen gehoord: Lagerwaard, In 't Veld, De Haan, Struijs en Van Strien.

Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen.

Aannemelijk is dat de Rotterdamse CID op grond van een eigen inschatting omtrent de mogelijk relevante informatie die de verdachte omtrent financiële transacties inzake drugshandel zou kunnen verschaffen, hem heeft benaderd. Niet aannemelijk is geworden dat die benadering verband hield met het COPA-onderzoek. Aannemelijk is geworden dat, toen de runners over de tap kwamen er een gesprek tussen de Rotterdamse CID en het COPA-team heeft plaatsgevonden, met als resultaat dat de verdachte nog enige maanden passief is gerund, totdat hij als informant was uitgeschreven.

Niet aannemelijk geworden (a) dat door de verdachte aan de Rotterdamse CID enige relevante informatie is verschaft, (b) dat enige door hemzelf verschafte informatie gebruikt is in de onderhavige strafzaak tegen de verdachte, (c) dat de verdachte juist vanwege zijn positie als informant op enigerlei wijze in zijn verdediging is geschaad dan wel vanwege zijn positie als informant zijn leven of persoonlijke veiligheid in gevaar is gebracht, (d) dat de verdachte is benaderd om als informant op te treden in de wetenschap dat een strafrechtelijk onderzoek tegen hem liep en (e) dat de verdachte door opsporingsambtenaren tot het aangaan dan wel voortzetten van financiële transacties is aangezet in de wetenschap dan wel min of meer stellige veronderstelling dat die transacties strafbaar zouden zijn dan wel hem toestemming is gegeven om gedurende een bepaalde periode transacties te verrichten. Veeleer is aannemelijk geworden dat verdachte erop is gewezen dat hij geen strafbare feiten mocht plegen.

De door de officier van justitie met de ABN gesloten vrijwaringsovereenkomst is naar het oordeel van het hof reeds daarom niet relevant, omdat deze ruim valt buiten de in de tenlastelegging genoemde periode waarin de verdachte de hem verweten feiten zou hebben begaan.

Feiten of omstandigheden die op dit punt tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging zouden dienen te leiden zijn dan ook niet aannemelijk geworden.

4.8. De “deal” met de bedreigde getuige VI

De enkele omstandigheid dat door het openbaar ministerie een “deal” met een getuige is gesloten aan wie de status van bedreigde getuige is verleend, een constructie waarvan dit hof reeds eerder in deze zaak heeft vastgesteld dat deze rechtens ontoelaatbaar is, brengt nog niet mee dat hof openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard, nu die deal gesloten is op een tijdstip waarop nog niet zonder meer en eenduidig vaststond dat een dergelijke deal rechtens niet toelaatbaar was.

Voorzover de verdediging overigens al in enig opzicht zou zijn geschaad doordat de verdediging en de raadkamer van de rechtbank niet voor de behandeling van het hoger beroep ter zake van de statusverlening van die deal op de hoogte zijn gesteld - hetgeen het hof niet zonder meer aannemelijk voorkomt, nu het daar toch enkel om de statusverlening ging - acht het hof, gelet op de omstandigheid dat het hof het gebruik van die verklaring heeft uitgesloten de verdediging niet in haar belang geschaad, zodat niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging op die grond niet dient te volgen. Ook gelet op laatstgenoemde omstandigheid dient geen niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te volgen op de enkele grond dat bij het sluiten van die deal met NN VI, in het kader van de door het openbaar ministerie te leveren tegenprestatie is vóórbesproken dat ook ingeval van een negatief gratieadvies gratieverlening tot de mogelijkheden behoorde.

4.9. Creatie van een onjuist beeld van de verklaringen van de bedreigde getuige NN III en het afschermen van diens informatiebronnen

Aannemelijk is geworden dat door de rechter-commissaris in eerste aanleg de verklaring van de getuige NN III, zoals tegenover hem afgelegd, betrouwbaar heeft geacht terwijl hij kennis droeg van diens eerder tegenover de politiefunctionarissen afgelegde verklaringen. Na het bekend worden van de identiteit van NN III heeft het hof, na kennisneming ook van eerdere door NN III afgelegde verklaringen diens tegenover de rechters-commissarissen afgelegde verklaringen als onbruikbaar voor het bewijs terzijde gesteld. De enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie ten dezen zich kennelijk steeds op het standpunt heeft gesteld de verklaringen van NN III zoals tegenover de rechters-commissarissen afgelegd wel bruikbaar te achten brengt nog niet mee dat sprake is van misleiding van de zijde van het openbaar ministerie.

Gebleken is dat de voorheen anonieme getuige NN III in zijn laatste verhoor bij een rechter-commissaris de door hem als kennissen aangeduide personen niet nader heeft omschreven.

Niet aannemelijk is evenwel geworden dat zijdens het openbaar ministerie de identiteit van die kennissen op enigerlei ontoelaatbare wijze is afgeschermd. Feiten of omstandigheden die in zoverre tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie zouden dienen te leiden zijn dan ook niet aannemelijk geworden, nog daargelaten de omstandigheid dat enig nadeel voor de verdachte niet is gebleken nu het hof de verklaringen van NN III voor het bewijs terzijde heeft gelaten.

4.10. Schending van het verbod van willekeur door vervolging van de verdachte

De verdediging heeft als verweer gevoerd dat er sprake is geweest van willekeur door slechts de verdachte ter zake van financiële transacties te vervolgen en andere personen die informatie hebben gegeven en daarbij zelf strafbare feiten hebben gepleegd, zoals bedreigde getuigen, niet te vervolgen.

Dit verweer stuit reeds af op de omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat enig met de verdachte qua positie en handelen vergelijkbaar persoon ten aanzien van wie een verdenking ten aanzien van feiten als de verdachte tenlastegelegd is gerezen, niet is vervolgd. Van enige willekeur als door de raadsman gesteld is dan ook niet gebleken.

4.11. Het hof verwerpt dan ook het beroep op niet-ontvankelijkheid in al zijn onderdelen. Ook voorzover het hof op onderdelen van dat beroep oordeelde dat aan het optreden van het openbaar ministerie enige sanctionering verbonden diende te worden, zijn de geconstateerde onrechtmatigheden naar het oordeel van het hof ook in onderling verband en samenhang bezien niet zodanig dat niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging daaraan als consequentie zou dienen te worden verbonden.

4.12. Ook overigens zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie dienen te leiden.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

6.1. De vraag of de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard zal het hof eerst ten aanzien van de aan de verdachte tenlastegelegde handelingen met betrekking tot de afzonderlijke cocaïnetransporten bespreken. Vervolgens zal het hof zich uitlaten over de aan de verdachte tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie als onder 1 omschreven.

6.2. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan. De vrijspraak van de verdachte door de rechtbank van het onder 2 tenlastegelegde feit dient derhalve in stand te blijven, zoals ook door het openbaar ministerie is gevorderd.

6.3. Het hof acht evenmin het onder 3A primair en subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het hof overweegt hierbij allereerst met betrekking tot de telefoongesprekken opgenomen in de [mededader] II zaak als volgt:

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de banden in de zaak [mededader] II om een andere reden zijn vernietigd dan als gevolg van het voorschrift neergelegd in artikel 125h, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten het ontbreken van betekenis van die banden voor het verdere onderzoek in die zaak tegen de toen bekend zijnde (gewezen) verdachten. Op het moment waarop die banden werden vernietigd kon, zo acht het hof aannemelijk, niet worden voorzien dat naderhand in een ander arrondissement, te weten Den Haag, nog een vervolging zou worden gestart tegen [medeverdachte 2], een persoon die toen in de zaak [mededader] II niet als verdachte was aangemerkt, en dat voor het onderzoek in die zaak de banden nog van betekenis zouden kunnen zijn. Echter, indien de weergave van een tapgesprek in een processtuk door de verdachte wordt betwist en de verdediging niet meer in de gelegenheid is de juistheid van de weergave te verifiëren, is die weergave voor het bewijs in beginsel niet bruikbaar. Nu niet duidelijk is hoe de wel beschikbare opname van een gedeelte van de moederband is samengesteld, de verbalisanten Philips en Steman aanvankelijk niet eenduidig waren in hun analyse van de inhoud en de betekenis van belangrijke onderdelen van die gesprekken en er vanwege het niet meer beschikbaar zijn van de oorspronkelijke banden geen nadere toetsing van de betrouwbaarheid van de weergave en de gestelde stemherkenning mogelijk is, is voor een uitzondering op dit beginsel geen plaats, en kunnen de genoemde opname, de weergave en de analyse van de gesprekken niet voor het bewijs meewerken.

Naar het oordeel van het hof is op grond van het voorhanden en bruikbare bewijsmateriaal onvoldoende komen vast te staan dat op enig moment in de tenlastegelegde periode door de verdachte van [mededader] en [betrokkene 1] in ontvangst genomen geldbedragen en stortingen door de verdachte op bankrekeningen waarop hij was gemachtigd en het door verdachte in opdracht van [medeverdachte 2] in mei 1990 aankopen van cheques op naam van [betrokkene 2] direct of indirect in verband staan met de import van de onderhavige partij cocaïne in Nederland op 3 juni 1990. Het hof merkt voorts nog op dat voorzover er al aanwijzingen zijn die in de richting van een andere conclusie zouden kunnen leiden, onvoldoende is komen vast te staan dat bij de verdachte enige wetenschap omtrent een dergelijk verband bestond.

6.4. Ook de onder 3B primair, subsidiair en meer subsidiair aan de verdachte verweten helingvarianten acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen. Het hof acht in het bijzonder niet bewezen dat de in voornoemde onderdelen bedoelde geldbedragen ten aanzien waarvan de verdachte de aldaar genoemde handelingen verrichtte, verkregen waren door dan wel afkomstig waren van enige vorm van handel in harddrugs of van enige ander misdrijf.

6.5. Voorts acht het hof evenals de rechtbank het onder 4A primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Het hof acht in het bijzonder niet bewezen dat de in opdracht van [medeverdachte 2] verrichte aankoop van cheques op naam van [mededader 1] en [zus van mededader 1] in de periode van eind december 1990 tot begin 1991 dan wel de aankoop van cheques op naam van anderen in april 1991, een en ander na storting van geldbedragen op een rekening waarop de verdachte gemachtigd was in enig verband stond met de betreffende mede door [mededader 1] gepleegde invoer van een partij cocaïne op 19 mei 1991. Ook is onvoldoende komen vast te staan dat de verdachte enige wetenschap omtrent bedoeld cocaïnetransport had.

6.6. Met de rechtbank acht het hof ook de onder 4B primair en onder 4B in subsidiaire vorm tenlastegelegde helingvarianten niet wettig en overtuigend bewezen, nu onvoldoende is komen vast te staan dat de in de tenlastelegging onder 4B genoemde geldbedragen verkregen zijn door dan wel afkomstig zijn van enig misdrijf.

6.7. Het hof overweegt met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde, te weten - kort weergegeven - deelneming door de verdachte aan een criminele organisatie zoals onder 1 nader omschreven het navolgende:

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging is geweest om in het onder 1 tenlastegelegde onder meer tot uitdrukking te brengen dat de verdachte deelnam aan een op de invoer van cocaïne in Nederland gerichte organisatie waarvan in ieder geval [medeverdachte 1] deel uitmaakte.

Het hof acht deelneming van de verdachte aan een zodanige organisatie in de in de tenlastelegging genoemde periode niet bewezen. Het hof overweegt daarbij ten aanzien van de verdachte in het bijzonder dat uit het voorhanden en bruikbare bewijsmateriaal waartoe het hof ook thans niet op grond van het eerder terzake door het hof overwogene de door de voorheen anonieme getuige NN III afgelegde verklaring rekent, niet is gebleken dat door verdachte in de tenlastegelegde periode enige handeling is verricht waarvan verdachte wist dan wel moest weten dat deze was aan te merken als direct of indirect verband houdend met enige activiteit van of ten behoeve van voornoemde [medeverdachte 1] terzake van handel in cocaïne. Het hof overweegt ten aanzien daarvan voorts nog dat het de weergave van het door de verdachte opgenomen gesprek uit medio 1993 met [betrokkene 3] niet voor het bewijs bruikbaar acht. Dit bandje is volgens het hof door de verschillende tolken voor wat betreft het woord “Bout” niet eenduidig vertaald. Het hof acht niet zonder meer aannemelijk dat door de verdachte met het woord “Bout” ook [medeverdachte 1] wordt bedoeld, nu uit geen enkel bewijsmiddel van een relatie tussen [medeverdachte 1] en de verdachte blijkt. Voorzover al zou moeten worden aangenomen dat de verdachte in 1993 iets voor “Bout” stuurde en met “Bout” alleen [medeverdachte 1] bedoeld zou kunnen zijn, is in het geheel niet duidelijk wat de verdachte in 1993 - en derhalve niet in de tenlastegelegde periode - gestuurd dan wel gedaan zou hebben.

Indien en voorzover enkel op grond van de bewoordingen van de tenlastelegging al zou moeten worden aangenomen dat de verdachte dan wel in ieder geval heeft deelgenomen aan een organisatie met het hierboven kort omschreven oogmerk, die bestond uit [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, overweegt het hof als volgt:

Nog daargelaten de vraag of genoemde [medeverdachte 2] deel uitmaakte van een organisatie als bovengenoemd, constateert het hof dat ten aanzien van de verdachte uit het voorhanden bewijsmateriaal het volgende is komen vast te staan. De verdachte heeft in opdracht van dan wel ten behoeve van [medeverdachte 2] veelal met medewerking van diens koerier [betrokkene 4] voor zeer aanzienlijk bedragen financiële transacties via rekeningen van derden, waaronder de aankoop van cheques op naam en aan toonder, verricht dan wel laten verrichten. Voorts is in voldoende mate komen vast te staan dat die cheques op naam stonden van personen die in verband te brengen zijn met de handel in cocaïne, voornamelijk in Zuid-Amerika, of wel in handen zijn geraakt van dergelijke personen.

Evenwel is onvoldoende komen vast te staan dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat aan die financiële transacties activiteiten van anderen, [medeverdachte 2] met name, met betrekking tot cocaïne ten grondslag lagen, een en ander -als gezegd- voorzover dat ten aanzien van [medeverdachte 2] al gesteld zou kunnen worden.

Opzettelijke deelname aan enige organisatie met het oogmerk tot de invoer van cocaïne in Nederland dan wel de voorbereiding daarvan acht het hof dan ook niet wettig en overtuigend bewezen.

6.8. Naar het oordeel van het hof is slechts gebleken dat de verdachte in de periode waarop de tenlastelegging ziet geen controle uitoefende met betrekking tot herkomst en/of bestemming van de gelden waarmee hij in opdracht van anderen transacties uitvoerde, hoewel daartoe naar het oordeel van het hof - ook in de tenlastegelegde jaren - wel aanleiding was.

6.9. Gezien het hiervoor overwogene dient de verdachte te worden vrijgesproken van alle hem tenlastegelegde feiten.

Het hof ziet op die grond dan ook af van bespreking van hetgeen (verder) is aangevoerd omtrent onrechtmatige verkrijging dan wel gebruik van bewijsmateriaal.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding nietig voor wat betreft de in het onder 1 tenlastegelegde sub 6 voorkomende woorden: “althans het buitenland”.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, voorzover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, 2, 3A, 3B en 4A en 4B tenlastegelegde, heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door

mrs Von Brucken Fock, Oosterhof en Stoker-Klein,

in bijzijn van de griffiers Van Pelt en mr. Nijssen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 juni 2000.