Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6271

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/9930
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/S171

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/9930 S1813

inzake : A, wonende in Marokko, eiser, wettelijk

vertegenwoordigd door B, wonende te C,

tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1991, bezit de Marokkaanse

nationaliteit. Op 2 oktober 1997 heeft B, vader van eiser en tevens referent, bij de korpschef van de regiopolitie Utrecht een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) ten behoeve van

eiser. Bij besluit van 7 mei 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit bij bezwaarschrift van 28 mei 1998, aangevuld bij schrijven van 10 juni 1998, bezwaar gemaakt. Bij beroepschrift

van 16 december 1998 is namens eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Bij uitspraak van 23 maart 1999 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep gegrond verklaard en bepaald

dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar dient te nemen. Verweerder heeft bij besluit van 4 augustus 1999 het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 26 augustus 1999 heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 6 december 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het

verweerschrift van 14 maart 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2000.

Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. drs. E. Olof, advocaat te Zeist. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.E. van der Kamp, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en

notarissen te 's-Gravenhage. Tevens was ter zitting aanwezig B, wettelijk vertegenwoordiger van eiser, en

B. Kouchhoni, tolk.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 33d Vw worden besluiten omtrent de afgifte van mvv's gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep,

gelijkgesteld met besluiten aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vw. De rechtbank 's-Gravenhage is derhalve bevoegd.

2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser is geboren staande het huwelijk van referent en D (hierna: de

moeder). Nadat dit huwelijk op 17 november 1992 door verstoting is ontbonden, is referent op 1 december 1992 in het huwelijk getreden met E. E voornoemd is op 23 mei

1993 Nederland ingereisd in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf. Op

26 augustus 1997 heeft de moeder bij akte afstand gedaan van de ouderlijke macht over eiser. Eiser heeft altijd in Marokko verbleven.

Hij beoogt thans verlening van een vergunning tot verblijf met als doel:

"verblijf bij vader B". Referent is sedert 1983 houder van een vergunning tot vestiging hier te lande.

In het dossier bevindt zich een ambtsbericht van 8 december 1997 van de korpschef van de regiopolitie Utrecht (formulier D16). Hierin wordt - onder meer- het volgende vermeld.

Referent heeft medegedeeld dat de moeder zorg draagt voor de opvoeding van eiser. Bij ernstige kwesties zou referent worden geraadpleegd doch dit was tot op heden nog niet het geval. Referent bezoekt zijn familie (en eiser) eenmaal

per jaar. Eiser woont bij zijn moeder. In hetzelfde dorp woont een groot deel van zijn familie.

In het dossier bevindt zich voorts een brief van 23 oktober 1998 van de Stichting Thuiszorg en Maatschappelijk Werk De Bilt-Zeist. Hierin wordt -zakelijk weergegeven- vermeld dat eiser uit het gezin van de zuster van referent is

gehaald omdat er sprake was van mishandeling en die zuster niet in staat was eiser op te voeden. Eiser verblijft thans bij de vader van referent. Deze komt binnenkort naar Nederland en dan zal eiser niemand hebben om hem te

verzorgen en verplegen.

In het dossier bevindt zich voorts een vijftal bewijzen van storting van een internationale postwissel, alle gericht aan F in Marokko.

3. Eiser meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Daartoe voert hij in bezwaar aan dat referent vanzelfsprekend bij de opvoeding van eiser betrokken is doordat referent niet alleen betaalt -waardoor er

door de familie uiteraard wel naar zijn aanwijzingen zal worden geluisterd- doch ook eenmaal per jaar naar Marokko gaat. Ter zake van een dergelijk jong kind is er in zijn algemeenheid geen sprake van zaken waaromtrent de vader

dient te worden geraadpleegd. De moeder van eiser heeft afstand gedaan van eiser ten behoeve van referent, vanwege het feit dat zij hertrouwd is en haar huidige echtgenoot niet voor eiser wenst te zorgen. De weigering eiser toe te

laten is aan te merken als een inmenging in en niet-eerbiediging van het recht op family life als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen

vader en zoon. Bovendien is sprake van een dermate ernstige situatie dat sprake is van een positieve verplichting voor verweerder om eiser toe te staan bij

referent te wonen. Er is sprake van klemmende redenen van humanitaire aard die aanvaarding van het verblijf van referent in Nederland met zich behoren te brengen.

In beroep voert eiser nog het volgende aan. Eiser is

internationaalrechtelijk bezien aangewezen op gezinshereniging met referent nu zijn moeder afstand van hem heeft gedaan. De gezinsband tussen eiser en referent is steeds in stand

gebleven middels betalingen om de kosten van de opvoeding van eiser te helpen dragen. Er is niet in redelijkheid te stellen dat het fysiek niet behoren tot het gezin van referent

uitsluit dat sprake is van een gezinsband tussen eiser en referent. Nu de moeder wegvalt, is referent de eerst

aangewezene om verder zorg te dragen voor eiser. Referent is ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase.

Ter zitting heeft eiser nog het navolgende aangevoerd.

Referent heeft sinds de geboorte van eiser steeds geld ten

behoeve van eiser overgemaakt. Hij voelt het als zijn

verplichting voor eiser in diens levensonderhoud en opvoeding te voorzien. Eiser heeft steeds bij zijn moeder gewoond, maar dat is niet langer mogelijk nu zijn moeder met haar nieuwe echtgenoot naar Frankrijk is gegaan. Eiser is nu

alleen in Marokko. Eisers grootvader woont al geruime tijd slechts een deel van het jaar in Marokko, en het andere deel in C.

Verweerders standpunt dat de gezinsband tussen eiser en referent is verbroken is onjuist. Referent heeft steeds geld overgemaakt en heeft eiser jaarlijks in Marokko bezocht.

Bovendien is er veel telefonisch contact geweest over allerlei zaken betreffende eiser. Verweerder heeft in 1992, ondanks de problemen die er toen waren na de verstoting, wel een mvv voor eiser afgegeven. Niet valt in te zien waarom

dat thans niet kan. Eiser is na de verstoting volledig onder het gezag van referent geweest. Sedertdien heeft referent pogingen

ondernomen om eiser naar Nederland te laten overkomen.

Verweerder had in het nieuwe huwelijk van eisers moeder en eisers gedwongen opname in het gezin van zijn tante gewijzigde omstandigheden moeten zien die tot het horen van referent aanleiding hadden moeten geven.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gezinsband tussen eiser en referent is verbroken en eiser mitsdien niet voldoet aan de voorwaarden inzake gezinshereniging. De

feitelijke gezinsband tussen eiser en referent is sedert 17 november 1992 verbroken. Eiser heeft nimmer deel uitgemaakt van het gezin van referent hier te lande. Bovendien heeft referent eerst op 2 oktober 1997 (aantoonbare)

pogingen

ondernomen om eiser te laten overkomen. Referent heeft niet met gelegaliseerde officiële documenten aangetoond dat hij (nog altijd) is belast met het gezag over eiser. Evenmin heeft referent aangetoond dat hij sedert de achterlating

van eiser in het gezin van zijn moeder in financieel en moreel opzicht voor eiser verantwoordelijk is gebleven. Niet is met

documenten aangetoond dat referent betrokken is geweest bij de opvoeding en verzorging van eiser, anders dan door het diverse malen overmaken van een geldbedrag. Zo heeft eiser tegenover de vreemdelingendienst te C verklaard dat de

moeder van

eiser belast is met diens opvoeding en dat het nog nimmer nodig is geweest dat referent daaromtrent werd geraadpleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond waarvan eiser om andere klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf. Voorzover de

situatie voor eiser in het land van herkomst minder rooskleurig is dan in

Nederland is dat geen reden om in afwijking van het beleid verblijf toe te staan. Het feit dat eisers moeder mogelijk voornemens is in het huwelijk te treden, is evenmin aanleiding eiser in het bezit te stellen van een vergunning

tot verblijf.

Niet is aangetoond dat de moeder van eiser alsdan niet (meer) in staat zou zijn om voor eiser te zorgen. De weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het familie-

of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Weliswaar is tussen eiser en referent sprake van familie- of gezinsleven in de zin van dat artikel, maar van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan is geen sprake, aangezien de

weigering eiser verblijf toe te staan er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het familie- of

gezinsleven hier te lande in staat stelde. Niet is gebleken van dusdanig bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het recht op respect voor zijn familie- of gezinsleven de

positieve verplichting voortvloeit eiser hier te lande

verblijf toe te staan.

In het bestreden besluit voert verweerder nog het volgende aan.

Onweersproken is dat eiser sedert zijn geboorte bij zijn moeder in Marokko verblijft. De verantwoordelijkheid voor de verdere opvoeding van en zorg voor eiser berust hierdoor bij

zijn moeder. De omstandigheid dat de moeder van eiser op 26 augustus 1997 afstand zou hebben gedaan van eiser maakt dit niet anders. De feitelijke gezinsband tussen eiser en referent is immers al veel eerder verbroken. De moeder van

eiser is zelfstandig verantwoordelijk voor haar beslissing. Eiser heeft nimmer deel uitgemaakt van het gezin van referent. Referent heeft weliswaar financiële bescheiden overgelegd, maar deze leiden niet zonder meer tot de conclusie

dat referent

financieel zorg heeft gedragen voor de kosten van

levensonderhoud en opvoeding van eiser.

Het bezwaarschrift is kennelijk ongegrond. In verband daarmee is met toepassing van artikel 7:3, onder b, van de Awb

afgezien van het horen van referent.

Ter zitting heeft verweerder nog het navolgende aangevoerd.

De verstoting heeft plaatsgevonden nadat geen gebruik is gemaakt van de afgegeven mvv. Referent heeft onvoldoende aangetoond daarna nog bemoeienis met eiser te hebben gehad nu er slechts vijf betalingsbewijzen zijn overgelegd. Het

voert te ver om eiser -vanwege de formele overdracht van de voogdij- tot Nederland toe te laten. De gezinsband is een feitelijk begrip. Juridische verantwoordelijkheid is onvoldoende. Eiser heeft nog meerdere familieleden in

Marokko, die hem kunnen opvangen. Naar Marokkaans familierecht gaat bij een

echtscheiding de "rechtsvertegenwoordiging" over het kind over op de vader, maar gaat het "recht van opvoeding" over op de moeder. Het is onjuist dat door de echtscheiding automatisch het verzorgingsrecht van de moeder vervalt.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit

internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

7. Ter beoordeling staat of eiser voldoet aan de criteria die de Vc stelt voor toelating in het kader van gezinshereniging.

Het op dit punt door verweerder gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B1/5 van de Vc 1994. In dit hoofdstuk is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

8. Voor verlening van een vergunning tot verblijf in het kader van gezinshereniging komen - indien aan bepaalde vereisten wordt voldaan - in aanmerking de al dan niet uit het huwelijk geboren minderjarige kinderen (bijvoorbeeld

voorkinderen van één van beide echtgenoten of pleegkinderen), mits zij

feitelijk tot zijn gezin behoren. De minderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht.

Een van de daartoe gestelde vereisten is dat de gezinsband met (een van) de ouders reeds in het buitenland heeft bestaan. Het bestaan van een familierechtelijke relatie moet met

gelegaliseerde officiële documenten worden aangetoond. Hij wordt geacht definitief te zijn verbroken indien sprake is van:

- duurzame opneming in een ander gezin terwijl de ouder(s) niet meer met het gezag zijn belast of niet (meer) in de kosten van opvoeding en verzorging voorzien;

- zelfstandig gaan wonen en in het eigen onderhoud gaan voorzien;

- het vormen van een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of een relatie;

- het belast zijn met de zorg voor buitenhuwelijkse kinderen.

9. Met eiser is de rechtbank in het onderhavige geval van oordeel dat verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gezinsband tussen eiser en referent verbroken is (geraakt). De rechtbank

acht daartoe het navolgende redengevend. Uit de door referent in 1992 (mede) ten behoeve van eiser ingediende aanvraag om een

machtiging tot voorlopig verblijf kan naar het oordeel van de

rechtbank de conclusie worden getrokken dat referent in ieder geval toentertijd de intentie had om eiser naar Nederland te laten overkomen. Verweerders stelling dat die intentie niet is verwezenlijkt door de keuze van referent om

zijn toenmalige echtgenote te verstoten en eiser niet (alleen) over te laten komen acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, nu verweerder er onvoldoende blijk van heeft gegeven zich rekenschap te hebben gegeven van de bijzondere

feiten en omstandigheden van het onderhavige geval. Zo acht de rechtbank van belang dat in het onderhavige geval sprake is van een door verstoting

beëindigd huwelijk tussen referent en de moeder van eiser, waarbij de (voormalige) echtelieden bovendien niet in

hetzelfde land woonachtig zijn. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat blijkens artikel 99, eerste lid, van de Marokkaanse Mudawwanah de moeder na een echtscheiding de meest aangewezen persoon is om de verzorging van het kind op zich

te nemen en zij -in het onderhavige geval- ten tijde van de echtscheiding ook daadwerkelijk met de verzorging van eiser belast is

geweest. Gelet daarop kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat sprake is geweest van een situatie waarin referent (en/of eiser) daadwerkelijk over (enige)

keuzevrijheid

beschikte dan wel dat ten aanzien van referent (en/of eiser) sprake was van een dwangsituatie, waarbij hij zich heeft moeten neerleggen.

Ten overvloede merkt de rechtbank overigens op dat eiser niet in zijn stelling gevolgd kan worden dat referent na het

huwelijk van eisers moeder automatisch met de verzorging van eiser belast is, nu genoemd artikel 99, eerste lid, van de Mudawwanah daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Evenmin kan de rechtbank verweerder volgen in zijn stelling

dat uit

(artikel 106 van) de Mudawwanah volgt dat referent door niet tegen het nieuwe huwelijk van de moeder van eiser te

protesteren zijn recht om als verzorgingsgerechtigde van eiser in aanmerking te komen heeft verspeeld. Immers, dat artikel ziet op degene die de moeder in het verzorgingsrecht opvolgt en uit artikel 99, eerst lid, van de Mudawwanah

volgt dat dat niet de vader is, doch de moeder van de moeder, gevolgd door andere vrouwelijke familieleden van eerst de moeder en

vervolgens de vader.

Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder evenmin concluderen tot verbreking van de gezinsband op grond van de aanname dat referent niet met het gezag over eiser belast zou zijn geweest dan wel gebleven. Uit referents

verklaring bij de Dienst Vreemdelingenpolitie dat hij bij belangrijke zaken rond eiser geraadpleegd zou worden, kan naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf beschouwd afgeleid worden dat referent in ieder geval mede met het

gezag over eiser belast is geweest en gebleven. Dat dit gezag -mede gezien de fysieke afstand tussen eiser en referent en de hiervoor omschreven bijzondere situatie die mogelijk met de echtscheiding van de ouders van eiser gepaard

is gegaan- niet is ingevuld op een wijze die gebruikelijk is als de vader en het kind in hetzelfde land wonen doet op zichzelf daaraan niet af. Evenmin kan het feit dat referent zijn gezag over eiser nimmer heeft hoeven te

effectueren zonder meer tot de conclusie leiden dat referent niet (mede) met het gezag over eiser belast is geweest, te meer nu in het onderhavige geval -zoals reeds overwogen- door de echtscheiding van de ouders van eiser een

bijzondere

situatie is ontstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van verweerder gelegen aan deze bijzondere feiten en

omstandigheden aandacht te besteden. Nu verweerder zulks heeft nagelaten is het thans bestreden besluit onvoldoende

draagkrachtig gemotiveerd.

10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als

in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op

ƒ 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

12. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met

inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225,-.

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420,- (zegge veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2000, door mr. W.J. van Bennekom, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P. Zweedijk, griffier.

Afschrift verzonden op: 11 mei 2000

Conc.:PZ

Coll:

Bp:

D:B