Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6227

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2000
Datum publicatie
21-11-2002
Zaaknummer
AWB 98/2110
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2000-02-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/180 met annotatie van TS
Ars Aequi RV20000050 met annotatie van

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr. : AWB 98/2110 VRWET

Inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1966, bezit de Iraanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 11 juli 1990 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 16 juli 1990 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en

verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 20 september 1990 heeft verweerder afwijzend op deze aanvragen beslist.

Eiser heeft om herziening van dit besluit verzocht. Bij besluit van 16 november 1992 is hij als vluchteling toegelaten.

Bij besluit van 6 februari 1996 is de toelating als vluchteling ingetrokken en is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 21, aanhef en onder b, van de Vw.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 28 februari 1996. Het bezwaar is aangevuld bij brieven van 22 maart 1996, 26 april 1996 en 14 augustus 1996. Op 27 februari 1997 is eiser door de Adviescommissie

voor vreemdelingenzaken (ACV) gehoord. Bij besluit van 5 februari 1998 heeft verweerder conform het advies van de ACV het bezwaar ongegrond verklaard en eiser gelast Nederland te verlaten.

Daarbij is aan eiser medegedeeld dat hij niet naar Iran zal worden verwijderd zolang hij aldaar heeft te vrezen voor vervolging in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Bij beroepschrift van 27 februari 1998, aangevuld bij brief van 8 april 1998, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 12 mei 1998 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter

griffie ontvangen. In het verweerschrift van 23 november 1998 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrond-verklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 1998.

Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.Th.A. Bijleveld, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Drooglever Fortuijn advocaten &

notarissen, te 's-Gravenhage.

4. Bij beslissing van 11 juni 1999 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde nadere inlichtingen bij verweerder in te winnen.

5. Bij brief van 9 augustus 1999 heeft verweerder de vragen van de rechtbank beantwoord. Bij brief van 15 september 1999 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd op de door verweerder gegeven antwoorden. Vervolgens hebben partijen

meegedeeld akkoord te gaan met een afdoening van de zaak op de stukken, en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Thans is aan de orde de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Gebleken is dat eiser op 18 of 19 november 1993 in Hongarije is aangehouden in het bezit van verdovende middelen. Hij is bij vonnis van 18 mei 1995 van de rechtbank te Gyula, Hongarije, veroordeeld tot vier jaar onvoorwaardelijke

gevangenisstraf, onder aftrek van (anderhalf jaar) voorarrest, terzake van het in bezit hebben en smokkel (invoer) van een hoeveelheid verdovende middelen, te weten vier pakken opium met een massa van 1006,5 gram (nettogewicht 945,2

gram). Het vonnis is op 29 mei 1995 rechtsgeldig geworden. Blijkens faxbericht van 12 juni 1995 van de Nederlandse ambassade te Budapest heeft eiser tegen voormeld vonnis weliswaar in eerste instantie beroep ingesteld, doch dit

vervolgens weer ingetrokken, waarmee dit vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen. Op 23 juli 1996 is eiser vervroegd in vrijheid gesteld, waarna hij, omdat hem was toegestaan de beslissing op zijn bezwaarschrift in Nederland af

te wachten, op 27 juli 1996 naar Nederland is gereisd.

3. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte op grond van het vonnis van de rechtbank te Gyula besloten om zijn toelating als vluchteling in te trekken en hem ongewenst te verklaren. Voornoemde

rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser geen handelaar in verdovende middelen was, maar in feite slachtoffer is geworden van een "set up" van twee van zijn relaties. Eiser was er niet mee

bekend dat deze personen verdovende middelen in hun bagage vervoerden. Hij was slechts degene die toevallig met de koffer werd aangetroffen en door zijn reisgenoten werd aangewezen als de eigenaar daarvan.

Voorzover niettemin moet worden uitgegaan van de juistheid van het vonnis van de rechtbank te Gyula, kan niet worden gesteld dat het enkel vervoeren, waaronder exporteren, van de bewuste hoeveelheid heroïne een bijzonder ernstig

misdrijf is als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag. Alleen de toets aan dit artikellid mag leiden tot weigering van de vluchtelingenstatus of intrekking daarvan ingeval van het plegen van een misdrijf.

Daarbij dient mee te wegen dat vervoer van verdovende middelen gewoonlijk niet geschiedt door handelaren maar door ondergeschikte personen die als regel op indirecte wijze door een criminele organisatie worden aangestuurd.

Intrekking van de vluchtelingenstatus en ongewenstverklaring dient slechts in uitzonderingsgevallen te geschieden en wel indien sprake is van bijzonder ernstige vormen van criminaliteit, bijvoorbeeld in geval van het bij herhaling

plegen van ernstige misdrijven of deelneming aan een criminele organisatie. In het geval van eiser was geen sprake van zo'n bijzonder ernstig misdrijf. Eiser fungeerde slechts als koerier. Bovendien is in zijn geval geen sprake van

recidivegevaar. De glijdende schaal zoals neergelegd in hoofdstuk A4/4.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) bevat regels voor statusontneming in het reguliere vreemdelingenrecht.

In zaken van vluchtelingen dient echter de belangenafweging een andere te zijn, evenals in het geval personen worden bedreigd met een onmenselijke behandeling of foltering. In tegenstelling tot de vreemdeling die een normale

verblijfstitel heeft gekregen is er voor een vluchteling als regel geen vestigingsalternatief te vinden. Het is niet realistisch om te veronderstellen dat een vreemdeling die in Nederland zijn status als vluchteling ingetrokken ziet

en ongewenst is verklaard, in een derde land zal kunnen worden toegelaten. Zolang tevens duidelijk is dat de situatie in Iran niet zodanig is gewijzigd dat eiser zonder risico naar dat land kan terug keren, dient geen toepassing te

worden gegeven aan de glijdende schaal. Het vasthouden daaraan zou immers betekenen dat bij volstrekt andere gevolgen eenzelfde maatstaf wordt gehanteerd. Bovendien komt eiser als gevolg van het bestreden besluit in een quasi

gedoogsituatie te verkeren (hij wordt niet toegelaten maar ook niet verwijderd), waardoor hij ernstig in zijn rechtspositie wordt geschaad.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit terecht is genomen. Daartoe heeft verweerder het volgende aangevoerd.

Eiser is bij vonnis van 18 mei 1995 van de rechtbank te Gyula veroordeeld tot vier jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf, terzake van het in bezit hebben en smokkel van een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen. Tegen dit

vonnis heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Het strafbare feit waarvoor eiser is veroordeeld wordt in Nederland met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar bedreigd.

In de praktijk wordt in Nederland ongeveer twee tot drie jaar gevangenisstraf opgelegd. Ingevolge artikel 15, derde lid juncto artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de toelating als vluchteling (onder meer) worden

ingetrokken, indien een vreemdeling bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens een opzettelijk begaan misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. De intrekking van de toelating als vluchteling is

nader uitgewerkt in hoofdstuk A4/4.3.2.2 van de Vc 1994. Ingevolge dit hoofdstuk kan bij een verblijfsduur van minder dan drie jaar hier te lande voortgezet verblijf worden ontzegd en een vreemdeling ongewenst worden verklaard,

indien sprake is van een strafmaat van meer dan negen maanden. Gelet op de door de rechtbank te Gyula opgelegde strafmaat van vier jaar gevangenisstraf alsmede op het feit dat eiser ten tijde van het plegen van het strafbare feit

nog geen drie jaar in Nederland verbleef, is de toelating van eiser als vluchteling op juiste gronden ingetrokken en is hij tevens op juiste gronden ongewenst verklaard, een en ander overeenkomstig het advies van de ACV. In het

bestreden besluit heeft verweerder ten overvloede overwogen dat eiser geen aanspraak heeft op de voordelen van het refoulementverbod, gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag. De

belangenafweging die in het kader van dit artikellid moet worden gemaakt, valt in het nadeel van eiser uit. Eiser heeft zich immers schuldig gemaakt aan een zwaar drugsdelict, te weten de smokkel van verdovende middelen. Een

dergelijk delict levert een zodanig gevaar op voor de gemeenschap - namelijk een gevaar voor de volksgezondheid - dat het belang van Nederland om hem verblijf hier te lande te ontzeggen, prevaleert boven zijn belang om hier als

vluchteling te verblijven. Dat het delict niet in Nederland is gepleegd doet hieraan niet af.

5. Bij brief van 9 augustus 1999 heeft verweerder op de vragen van de rechtbank - onder meer het volgende geantwoord.

"In uw eerste vraag stelt u de verhouding tussen het nationale recht (neergelegd in art. 15 lid 3 jo 14 lid 1 Vw) en het verdragsrecht (te vinden in het Vluchtelingenverdrag (en art. 3 EVRM) aan de orde.

Volgens het systeem van de wet kan er tot intrekking van de a-status worden overgegaan als de toegelaten vluchteling een misdrijf heeft

gepleegd als omschreven in de - op art. 14 lid 1 aanhef en onder c Vw gebaseerde - glijdende schaal. Op grond van de letterlijke tekst van de wet en het daarop gebouwde beleid zou dus ook overgegaan kunnen worden tot intrekking van

de a-status indien de vluchteling geen "particularly serious crime" heeft gepleegd in de zin van art. 33 lid 2 van het Vluchtelingenverdrag. Overigens zal een misdrijf dat voldoet aan de criteria van de glijdende schaal veelal als

een "particularly serious crime" kunnen worden aangemerkt. Voorzover dat in een voorkomend geval niet zo zou zijn, zal verweerder, hoewel de toegelaten vreemdeling een misdrijf als bedoeld in de glijdende schaal heeft gepleegd, niet

overgaan tot intrekking van de a-status, mits de a-statushouder op dat moment (nog steeds) als verdragsvluchteling is te beschouwen en het misdrijf niet te beschouwen is als een "particularly serious crime" in de zin van art. 33 lid

2 Vluchtelingenverdrag. In die zin wordt ten aanzien van verdragsvluchtelingen als het ware een dubbele toets toegepast. Er wordt, alvorens tot intrekking van de a-status over te gaan, bezien of sprake is van een misdrijf als

bedoeld in de glijdende schaal. Vervolgens wordt beoordeeld of dit misdrijf ook te kwalificeren is als een "particularly serious crime."(...) Uit het voorgaande blijkt dat verweerder slechts overgaat tot intrekking van de a-status

in uitzonderingssituaties."

Verweerder heeft voorts in zijn brief van 9 augustus 1999 meegedeeld

"dat eiser in het bezit is gesteld van een a-status zonder dat hij kon (en kan) worden aangemerkt als verdragsvluchteling. Uit zijn relaas is niet af te leiden dat hij een gegronde vrees heeft voor

vluchtelingrechtelijke vervolging (...) en dat in dit geval dus uitsluitend getoetst kan worden aan de glijdende schaal als bedoeld in hoofdstuk A4/4.3.2.2 Vc. Voorzover de rechtbank verweerder hier niet in zou volgen, merkt

verweerder op dat het misdrijf dat eiser heeft gepleegd te beschouwen als een "particularly serious crime" in de zin van art. 33 lid 2 van het Vluchtelingenverdrag. (...) Ook dus als ervan uit zou worden gegaan dat eiser

verdragsvluchteling is, kan, gezien het door hem gepleegde delict, zonder meer worden overgegaan tot intrekking van de destijds aan hem verleende a-status."

6. Bij brief van 15 september 1999 heeft eiser gesteld dat het onjuist is om thans de gronden waarop hem eerder een A-status werd verleend in twijfel te trekken. Hij is van mening dat slechts getoetst dient te worden aan artikel 33,

tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag.

Verweerder kan in redelijkheid niet volhouden dat het misdrijf waarvoor eiser is veroordeeld beschouwd dient te worden als een "particularly serious crime" wat zou rechtvaardigen dat de erkenning als toelating als vluchteling wordt

ingetrokken. Op grond hiervan is eiser van oordeel dat de motivering van de beschikking ook na de nadere uitleg daarvan tekort blijft schieten.

De rechtbank overweegt het volgende.

7. Ingevolge artikel 1(A), aanhef en onder (2), van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten

vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

8. In artikel 15, derde lid, juncto artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw is bepaald, dat verweerder de toelating als vluchteling kan intrekken indien de vluchteling bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens een

opzettelijk begaan misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

Artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw bepaalt voorts dat een vreemdeling ongewenst kan worden verklaard, indien hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld wegens een opzettelijk begaan

misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

9. Met betrekking tot de bevoegdheid tot intrekking van de toelating als vluchteling en ongewenstverklaring voert verweerder het beleid neergelegd in hoofdstuk B7/16.1 van de Vc 1994. Daarin is - voorzover hier van belang - bepaald

dat in geval van inbreuken op de openbare orde in beginsel het beleid zoals weergegeven in hoofdstuk A4/4.3 Vc 1994 wordt toegepast. Op grond van dit beleid kan voortgezet verblijf alleen worden ontzegd indien sprake is van

a. een gevangenisstraf,

b. die (gedeeltelijk) onvoorwaardelijk is opgelegd,

c. door een Nederlandse of buitenlandse rechter,

d. wegens een opzettelijk begaan misdrijf,

e. waartegen een straf van tenminste drie jaar is bedreigd en f. die onherroepelijk is geworden.

Met betrekking tot de voorwaarde onder c geldt dat ook een uitspraak van een buitenlandse rechter van belang kan zijn voor de openbare orde hier te lande. Indien de straf door een buitenlandse rechter is opgelegd, dient te worden

bezien of het desbetreffende strafbare feit ook naar Nederlands recht een misdrijf is, of dit strafbare feit in Nederland een vergelijkbare strafbedreiging heeft en of de strafmaat vergelijkbaar is met de straf die zou zijn opgelegd

door de Nederlandse rechter wanneer het delict in Nederland zou zijn gepleegd. In geval hieromtrent verschillen met de Nederlandse situatie bestaan, dient te worden beoordeeld of het strafbare feit, wanneer het in Nederland zou zijn

gepleegd en tot een rechterlijke uitspraak zou hebben geleid, reden zou zijn geweest tot ontzegging van voortgezet verblijf. Voorts geldt dat ontzegging van voortgezet verblijf en ongewenstverklaring plaats vindt overeenkomstig een

glijdende schaal. Daarbij is het uitgangspunt dat een veroordeling tot een straf die boven de in de glijdende schaal aangegeven beleidsnorm uitstijgt, steeds tot ongewenstverklaring en ontzegging van voortgezet verblijf zal leiden.

Die criteria houden - voor zover hier van belang - in dat de verblijfstitel wordt ingetrokken en de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, indien betrokkene bij een verblijfsduur van minder dan drie jaar vóór het plegen van het

strafbare feit wordt veroordeeld tot een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van meer dan negen maanden. Het gaat hier om de duur van (het onvoorwaardelijk gedeelte) van de opgelegde straf.

10. Met betrekking tot de intrekking van de toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank allereerst het volgende. De rechtbank is van oordeel dat zich in het geval van eiser de situatie voordoet zoals bedoeld in hoofdstuk

A4/4.3.2.2 van de Vc 1994. Zoals uit de hierboven in rechtsoverweging II.2 weergegeven feiten blijkt is eiser op 18 of 19 november 1993 - derhalve binnen drie jaar nadat hij als vluchteling was toegelaten - door de douane in

Hongarije aangehouden terzake van het in het bezit hebben van ongeveer een kilo verdovende middelen. Hij is voor dit strafbare feit veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar, welke straf hij heeft

uitgezeten. De rechtbank merkt op dat zij geen enkele aanwijzing heeft dat de rechtbank in Hongarije eiser ten onrechte tot een gevangenisstraf van vier jaar heeft veroordeeld. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat indien

hij in Nederland zou zijn veroordeeld, hij een gevangenisstraf opgelegd zou hebben gekregen die lager zou zijn uitgevallen dan de hierboven in rechtsoverweging II.11 aangegeven norm van negen maanden.

Hiermee staat vast dat eiser voldoet aan de in het nationale recht gehanteerde criteria voor intrekking van de vluchtelingenstatus. Nu verweerder zich niet op het standpunt heeft gesteld dat artikel 33 lid 2 Vluchtelingenverdrag

niet bij de overwegingen behoeft te worden betrokken nu uitzetting niet aan de orde is, maar daarentegen in de brief van 9 augustus 1999 uitvoerig op de toepasselijkheid van artikel 33 lid 2 is ingegaan, zal de rechtbank een oordeel

geven over de vraag welke betekenis in de onderhavig procedure toekomt aan dit artikel,

waarvan de tekst als volgt luidt:

"Lid 1: Geen der verdragsluitende Staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst,

nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

Lid 2: Op de voordelen van deze bepaling kan evenwel geen aanspraak worden gemaakt door een vluchteling ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan hen te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich

bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land."

11. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de beslissing om eiser als vluchteling te erkennen niet door verweerder is ingetrokken. De rechtbank is dan ook met eiser van oordeel dat het niet aangaat om de gronden waarop hem in

het verleden asiel is verleend thans in twijfel te trekken. Als die gronden onvoldoende waren, had verweerder hem destijds niet als vluchteling moeten erkennen. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat eiser nog steeds vluchteling

is in de zin van genoemd artikel 1A, aanhef en onder (2), van het Vluchtelingenverdrag, zodat thans op de voet van artikel 33 tweede lid van dat verdrag moet worden beoordeeld of eiser vanwege zijn veroordeling een gevaar oplevert

voor de Nederlandse gemeenschap. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend nu de veroordeling van eiser - wat er ook zij van de vraag of deze een "particulary serious crime" betrof - reeds meer dan vier jaar geleden is en niet

is gebleken van eerdere veroordelingen, noch van recidive.

12. Het vorenstaande voert tot de conclusie dat verweerder op grond van hoofdstuk A4/4.3.2.2 van de Vc 1994 juncto artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag ten onrechte tot intrekking van de toelating van eiser als

vluchteling heeft besloten.

13. Met betrekking tot de ongewenstverklaring komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Hoewel toepassing van de rechtsregels en beleid, zoals weergegeven in rechtsoverwegingen II.11 op zich zelf tot ongewenstverklaring aanleiding

kunnen geven, heeft verweerder zich onvoldoende rekenschap gegeven van de consequentie van zijn beslissing op bezwaar. Eiser pleegt immers een strafbaar feit door hier te lande te verblijven, terwijl verweerder heeft nagelaten

onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om eiser, die immers nog steeds als vluchteling is erkend, uit te zetten naar een ander land dan Iran. In dit verband verwijst de rechtbank naar het ACV advies waarin wordt gesteld dat

indien uitzetting slechts door verwijdering naar Iran kan plaatsvinden, geoordeeld dient te worden dat een dergelijke uitzetting in strijd kan komen met art. 3 EVRM. De ACV vervolgt dan aldus dat indien zou worden besloten niet tot

verwijdering van de vreemdeling over te gaan, in overweging moet worden genomen de ongewenstverklaring op te heffen.

Verweerder heeft nagelaten het bovengenoemde onderzoek te verrichten en de in het systeem van de wet problematische situatie in het leven geroepen eiser niet te verwijderen, ondanks zijn strafbare aanwezigheid in Nederland op grond

van de ongewenstverklaring. Het bestreden besluit is derhalve evenmin tot stand gekomen in overeenstemming met het zorgvuldigheidsbeginsel als vervat in artikel 3:2 van de Awb.

15. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten

maken. Deze kosten zijn begroot op f1.420,-

als kosten van verleende rechtsbijstand.

16. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient het griffierecht te worden vergoed door een door de rechtbank aan te wijzen rechtspersoon.

De rechtbank beslist als volgt

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,- (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 50,-.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2000, door mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, griffier.

Afschrift verzonden op: 2 maart 2000

Conc.: AB/WR

Coll:

Bp: -

D: B