Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6226

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-05-2000
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 99/8127
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Voorschrift Vreemdelingen 2000 28, geldigheid: 2000-05-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/8127 VRWET A V4

inzake: A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1939, stelt staatloos te zijn. Op 28 september 1998 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij besluit

van 6 januari 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 28 januari 1999, aangevuld bij brief van 11 februari 1999. Op 24 maart 1999 is eiser naar

aanleiding van het bezwaarschrift gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar is bij besluit van 2 juli 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 23 juli 1999 heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat aan eiser een vergunning tot

verblijf wordt verleend, met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 17 november 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende

stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 21 februari 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2000.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. L.C. Harderwijk, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting

aanwezig D.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiser verblijft naar eigen zeggen sedert 1 januari 1982 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 28 september 1998 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij

Nederlandse partner D".

3. Eiser meent dat klemmende redenen van humanitaire aard dan wel internationale verplichtingen tot toelating nopen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij in 1982 Indonesië heeft verlaten, waarna hij zich, na een kort verblijf in

Duitsland, in Nederland heeft gevestigd. Eiser heeft sedert 1990 een affectieve relatie met de heer D en woont al jarenlang met hem samen. Eiser beschikt niet over een geldig paspoort of enig ander reisdocument. Tevens heeft hij

zijn Indonesische nationaliteit van rechtswege verloren. Dit blijkt uit hetgeen is neergelegd in de Wet op de Nationaliteit van de Republiek Indonesia.

Eiser beschikt evenmin over een geboorteakte en een bewijs van ongehuwd- zijn. Eiser heeft zich verschillende malen gewend tot de Indonesische autoriteiten teneinde zijn nationaliteitskwestie te regelen, echter zonder resultaat. Aan

de overige vereisten van het partnerbeleid is

voldaan.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet de nodige stappen heeft ondernomen om de vereiste documenten te verkrijgen. Eiser kan deze documenten alleen via de Indonesische ambassade in

Nederland verkrijgen. Deze ambassade heeft echter meerdere malen te kennen gegeven dat zij de benodigde documenten niet kan verstrekken. Voorts is door de Indonesische ambassade meegedeeld dat niet vaststaat dat eiser de

Indonesische nationaliteit nog bezit, aangezien in de nationaliteitswetgeving van Indonesië uitdrukkelijk is vermeld dat de Indonesische nationaliteit na vijf jaren verblijf buiten Indonesië van rechtswege verloren gaat. Op grond

hiervan kan sprake zijn van staatloosheid. Ondanks de overmachtsituatie waarin eiser zich bevindt en de gebrekkige medewerking van de Indonesische ambassade, is verweerder niet bereid geweest eiser meer tijd te gunnen om de

benodigde documenten te bemachtigen. Verweerder heeft geen blijk gegeven van een juiste belangenafweging.

Ter zitting is namens eiser naar voren gebracht dat hij, gelet op zijn staatloosheid, had moeten worden gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV).

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan het zogenoemde paspoortvereiste, terwijl er geen aanleiding bestaat eiser van dat vereiste te ontheffen, omdat aangetoond noch gebleken is dat eiser niet meer in

het bezit kan worden gesteld van een geldig nationaal paspoort. Immers, niet is gebleken dat eiser al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te worden gesteld van een geldig nationaal paspoort. Weliswaar is gebleken dat de

gemachtigde van eiser zich heeft gewend tot de Indonesische ambassade, maar niet is gebleken dat ook eiser verschillende malen contact heeft gehad met voornoemde ambassade.

Voorts heeft eiser ruimschoots de gelegenheid gekregen om een paspoort te overleggen dan wel aan te tonen alles in het werk te hebben gesteld om in het bezit te worden gesteld van een paspoort, maar niet is gebleken dat al het

mogelijke is gedaan om een paspoort te verkrijgen.

Met betrekking tot de stelling dat eiser op grond van het bepaalde in artikel 17, lid k van de Wet op de Nationaliteit van de Republiek Indonesia van rechtswege de Indonesische nationaliteit heeft verloren en mitsdien niet meer in

het bezit zou kunnen worden gesteld van een geldig nationaal paspoort wordt opgemerkt dat het niet onmogelijk is de Indonesische nationaliteit te herkrijgen. Echter, op geen enkele wijze is gebleken dat eiser hiertoe pogingen heeft

ondernomen. Nu niet is gebleken van het veelvuldig verrichten van serieuze inspanningen om in het bezit te worden gesteld van een geldig nationaal paspoort, moet het ervoor worden gehouden dat het niet vaststaat dat het voor eiser

onmogelijk is om een paspoort te verkrijgen. Er bestaat derhalve geen aanleiding om eiser te ontheffen van het paspoortvereiste. Reeds op grond van het feit dat eiser niet in het bezit is van een geldig nationaal paspoort komt hij

niet in aanmerking voor verlening van een vergunning tot verblijf voor het door hem beoogde doel. Ten overvloede wordt overwogen dat op grond van het bepaalde in C4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) onderdanen van Indonesië een

officieel gelegaliseerd document dienen te overleggen waaruit de ongehuwde staat blijkt. Eiser heeft het voornoemde document niet kunnen overleggen, zodat geen aanleiding bestaat eiser op basis van het partnerbeleid een vergunning

tot verblijf te verlenen.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11, lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen

voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

Dit beleid is neergelegd in de Vc.

7. Ingevolge artikel 19, lid 1 Vw, in samenhang met artikel 54 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) functioneert het bezit van een geldig nationaal paspoort als een maatregel van toezicht. Daarnaast kan het niet beschikken over een

geldig reisdocument de verwijdering van de vreemdeling uit Nederland, in het geval verweerder zich hiertoe genoodzaakt ziet, ernstig bemoeilijken, zo niet onmogelijk maken. In dit verband is artikel 24, lid 3 Voorschrift

Vreemdelingen (VV) van belang, waarin is bepaald dat de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf ten minste één maand korter is dan de termijn gedurende welke de vreemdeling op grond van een geldig document voor

grensoverschrijding kan terugkeren naar het land door welks autoriteiten het is afgegeven.

In artikel 28, lid 7 VV is een uitzondering op het paspoortvereiste opgenomen. Uitzondering is mogelijk hetzij in het geval dat vreemdelingen hebben aangetoond, dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn

niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, hetzij omdat het vreemdelingen betreft die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend en die hebben aangetoond

dat met het oog op het verlenen van een vergunning tot verblijf in Nederland of het verlengen van de geldigheidsduur daarvan van hen redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij zich voor het verkrijgen, of voor het doen verlengen

van de geldigheidsduur, van een document voor

grensoverschrijding tot bedoelde regering wenden. Voorts kan verweerder ingevolge artikel 42 Vb in bijzondere gevallen aan vreemdelingen ontheffing verlenen van het vereiste dat moet worden beschikt over een document voor

grensoverschrijding.

8. Niet in geschil is dat eiser niet beschikt over een geldig nationaal paspoort. Blijkens de gedingstukken heeft eiser zich bij brief van 10 september 1998 tot de Indonesische ambassade te 's-Gravenhage gewend met, voor zover hier

van belang, het verzoek zijn reisdocument te lokaliseren en, indien noodzakelijk, opnieuw uit te geven.

Bij brief van 22 maart 1999 heeft de heer A. Adityawarman, hoofd van de Afdeling Immigratie van de Indonesische ambassade te 's-Gravenhage, aan de gemachtigde van eiser bericht dat hij tijdens een werkbezoek aan Indonesië te horen

heeft gekregen dat de documenten van het paspoort waarschijnlijk zijn zoekgeraakt door de verhuizing naar een nieuw kantoor. In verband hiermee is de ambassade niet in de positie om een nieuw identiteitsdocument aan eiser af te

geven, tot het originele document gevonden is.

Bij faxbericht van 1 juni 1999 heeft de heer Adityawarman, voornoemd, aan de gemachtigde van eiser bericht dat het paspoort van eiser niet is gevonden.

Bij brief van 16 juni 1999 heeft de heer Adityawarman, voornoemd, de gemachtigde van eiser meegedeeld dat deze kan aannemen dat zij niks meer kunnen doen.

9. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van de identiteit van de aanvrager een essentiële voorwaarde voor toelating is, zodat het alleszins redelijk is van de aanvrager het bezit van een paspoort te

verlangen. Dit klemt in de onderhavige zaak des te meer nu van eiser in het dossier vier verschillende geboortedata voorkomen. Er dienen dan ook voldoende argumenten te bestaan wil het niet voldoen aan het paspoort-vereiste niet aan

de aanvrager worden tegengeworpen.

In deze kwestie heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende gemotiveerd waarom de activiteiten van eiser om over zijn paspoort te beschikken ontoereikend zijn. Met name vermag de rechtbank niet in te zien

dat andere pogingen van eiser wel tot een bevredigend resultaat kunnen leiden, nu de Indonesische autoriteiten hebben meegedeeld dat het paspoort slechts kan worden verstrekt als de daaraan ten grondslag liggende documenten - aldus

vat de rechtbank de

inhoud van de brief van de Indonesische ambassade van 22 maart 1999 op - worden teruggevonden. Uit deze mededeling leidt de rechtbank overigens af dat de door eiser opgegeven personalia correct zijn. In dit verband vestigt de

rechtbank de aandacht er op dat verweerder er blijkens het bestreden besluit van uitgaat dat eiser de Indonesische nationaliteit heeft verloren, gelet op de daarin vermelde zinsnede dat het niet onmogelijk is om de Indonesische

nationaliteit te herkrijgen. De rechtbank wenst dan ook voorbij te gaan aan de stelling ter zitting dat niet is komen vast te staan dat eiser deze nationaliteit heeft verloren.

De rechtbank gaat ervan uit dat Indonesië slechts aan onderdanen paspoorten verstrekt.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder te lichtvaardig heeft aangenomen dat eiser de Indonesische nationaliteit zou kunnen herkrijgen. Verweerder heeft dit standpunt niet onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel

dat verweerder onder deze omstandigheden onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor ontheffing van het vereiste dat moet worden beschikt over een document voor grensoverschrijding, zoals bedoeld in

artikel 42 Vb.

10. Gelet op het vorenstaande ontbeert het bestreden besluit een draagkrachtige motivering en komt het om die reden voor vernietiging in aanmerking. Derhalve dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak.

11. Nu verweerder, gelet op het voorgaande, een nieuw besluit dient te nemen, mag van eiser worden verwacht dat hij zich binnen vier weken na verzending van deze uitspraak, al dan niet door tussenkomst van de Indonesische ambassade

te 's-Gravenhage, wendt tot de Indonesische autoriteiten teneinde antwoord te krijgen op de vraag of hij al dan niet de Indonesische nationaliteit heeft behouden en, indien hij deze heeft verloren, wat hij zou moeten doen om deze te

herkrijgen.

Ten tweede dient eiser aan de Indonesische autoriteiten de vraag voor te leggen welke acties hij dient te ondernemen om in het bezit te worden gesteld van een nieuw paspoort dan wel om een duplicaat van het oude paspoort te

verkrijgen.

Voorts dient eiser te achterhalen of hij documenten kan verkrijgen waaruit zijn ongehuwde staat blijkt.

Eiser dient verweerder onverwijld te informeren over de door hem ter zake verrichtte activiteiten, alsmede over de resultaten daarvan.

12. Gelet op het vorenstaande kan de stelling dat eiser had moeten worden gehoord door de ACV onbesproken blijven.

13. Er is aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot

op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

14. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid Awb dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van f 225,-- (zegge:

tweehonderdenvijfentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,-- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2000, door mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Sulsters, griffier.

Afschrift verzonden op: 8 mei 2000

Conc.: es

Coll:

Bp:

D: b

110497