Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6064

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-03-2000
Datum publicatie
10-12-2002
Zaaknummer
AWB 98/4093
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RV20000023 met annotatie van Red. Rechtspraak Vreemdelingenrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 98/4093 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiseres,

gemachtigde mr. H.L.M. Lichteveld, advocaat te Amsterdam

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr.drs. R.J.R. Hazen, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1968, bezit de Egyptische

nationaliteit. Zij verblijft sedert 16 december 1994 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 28 februari 1997 heeft zij een aanvraag ingediend om opheffing van de beperking 'verblijf bij Nederlandse

echtgenoot en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf' onder welke beperking haar met ingang 20 december 1994 een vergunning tot verblijf is verleend. Bij besluit van 25 september 1997 heeft

verweerder de aan eiseres verleende vergunning tot verblijf ingetrokken. Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 27 april 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 22 mei 1998 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 februari 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor een vergunning voor voortgezet verblijf na verbreking huwelijk. Eiseres is van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat haar huwelijk op het moment dat

zij naar een opvanghuis vertrok als feitelijk verbroken moet worden beschouwd.

Eiseres is op 20 januari 1994 in Egypte in het huwelijk getreden en heeft zich, nadat aan haar een MVV was verleend, op 16 december 1994 bij haar echtgenoot in Nederland gevoegd. Op 10 januari 1997 is zij na een echtelijke ruzie

waarbij zij door haar echtgenoot werd mishandeld, met haar minderjarige zoon door de politie naar een 'blijf van mijn lijf huis' in Amsterdam gebracht. De echtgenoot van eiseres heeft haar verblijfplaats ontdekt en heeft eiseres

opnieuw bedreigd waarna zij naar een geheim adres in B is gebracht. De echtgenoot heeft, na lange tijd te hebben geweigerd, uiteindelijk toegestemd in een echtscheiding.

Bij de echtscheiding is de voogdij over het minderjarig kind van eiseres aan eiseres toegewezen en werd een omgangsregeling voor de echtgenoot van eiseres vastgesteld. Bij een van die bezoeken heeft de echtgenoot het kind meegenomen

en, naar later bleek, naar Egypte ontvoerd. Blijkens een brief van een Egyptische advocaat heeft de echtgenoot in Egypte verzocht de voogdij over het kind aan zijn moeder toe te kennen. Door middel van een kort geding is de

echtgenoot onder dreiging van gijzeling er uiteindelijk toe bewogen vier maanden nadat hij het kind had ontvoerd het kind terug te brengen naar Nederland.

Eiseres stelt dat zij niet naar Egypte kan terugkeren omdat in Egypte het Nederlands (echtscheidings)recht niet wordt erkend en haar huwelijk aldaar nog steeds als geldig zal worden beschouwd. Onder deze omstandigheden is eiseres

van mening dat, zo zij geen aanspraak kan maken op een zelfstandige verblijfsvergunning na verbreking huwelijk, zij op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voor verblijf in

Nederland in aanmerking komt.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voor toelating in aanmerking komt. Het huwelijk van eiseres heeft niet ten minste drie jaar geduurd zodat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning voor voortgezet

verblijf na verbreking huwelijk. Voorts ziet verweerder in casu onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat eiseres op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voor toelating in aanmerking komt.

4. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

5. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en

werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van

een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

6. Het beleid met betrekking tot voortgezet verblijf na verbreking huwelijk is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) in hoofdstuk B 1/2.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge B1/2.3 Vc kan een vreemdeling in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfstitel, indien het huwelijk voor de verbreking reeds drie jaar heeft bestaan, waarvan ten minste één jaar

direct voorafgaande aan de verbreking tijdens een op grond van artikel 9 of 10 Vw toegestaan verblijf in Nederland. Vast staat dat eiseres op 20 januari 1994 in het huwelijk is getreden en dat zij op 10 januari 1997 naar een

opvanghuis is vertrokken. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat op het moment van het vertrek van eiseres naar bedoeld opvanghuis het huwelijk tussen eiseres en haar echtgenoot als feitelijk verbroken dient te worden

beschouwd nu eiseres niet meer naar haar echtgenoot is teruggekeerd en er inmiddels een echtscheiding tot stand is gekomen.

Voorts overweegt de rechtbank dat indien het huwelijk korter dan drie jaar heeft geduurd de vreemdeling ingevolge B1/2.4 Vc op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in aanmerking kan komen voor een vergunning tot

verblijf. In het geval van gescheiden vrouwen zal een belangenafweging moeten plaatsvinden waarbij een combinatie van de volgende factoren een rol speelt:

- de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst - de maatschappelijke positie van de betrokkene in het land van herkomst - de vraag of in het land van herkomst een naar maatstaven van dat land aanvaardbaar te achten

opvang aanwezig is

- de zorg die de betrokkene heeft voor kinderen die hier te lande zijn geboren en/of getogen

- aangetoond (seksueel) geweld binnen het huwelijk, wat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van het huwelijk. (Dit kan onder meer aangetoond worden aan de hand van processen-verbaal, medische rapporten, verklaringen van

opvanghuizen).

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in casu onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom in de omstandigheden van eiseres geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat in haar geval sprake is van klemmende

redenen van humanitaire aard op grond waarvan zij voor toelating in Nederland in aanmerking komt. Eiseres heeft door middel van een proces-verbaal van de regiopolitie Kennemerland aangetoond dat er sprake was van geweld binnen het

huwelijk, wat heeft geleid tot de feitelijk verbreking daarvan.

De stelling van eiseres dat in Egypte een echtscheiding naar Nederlands recht niet wordt erkend en zij bij terugkeer naar Egypte naar Egyptisch recht nog immer gehuwd zal zijn, heeft verweerder niet bestreden.

Verweerder heeft slechts verwezen naar krantenartikelen waaruit blijkt

dat eiseres naar Egyptisch recht thans de mogelijkheid heeft om echtscheiding aan te vragen en heeft zich op het standpunt gesteld dat, aangezien de voormalig echtgenoot van eiseres, blijkens de verklaringen van eiseres ten

overstaan van de ambtelijke commissie, tot haar familie behoort, niet valt uit te sluiten dat hij - na familieberaad - zijn medewerking zal verlenen aan een echtscheiding.

De rechtbank wijst er allereerst op dat bedoelde krantenartikelen eerst in beroep door verweerder zijn overgelegd zodat deze artikelen gezien het ex-tunc karakter van de toetsing in beroep bij de beoordeling van het bestreden

besluit niet kunnen worden meegewogen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het nemen van de bestreden beslissing door niet te onderzoeken of het huwelijk van eiseres bij

terugkeer van eiseres naar Egypte aldaar nog immer als geldig zal worden beschouwd en er eenvoudigweg van uit is gegaan dat de voormalige echtgenoot van eiseres door middel van familieberaad zal kunnen worden bewogen om mee te

werken aan een echtscheiding. Dit maakt dat het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en een draagkrachtige motivering ontbeert, zodat hij om die redenen voor vernietiging in

aanmerking komt.

8. Het beroep is derhalve gegrond.

9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1.420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,-

en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad f 210,- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.J. van der Ven, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. J.H.A. Teulings en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2000, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van den Broek-Prins, griffier.

afschrift verzonden op: 4 april 2000