Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6036

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/835
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/S136

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Fungerend president

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a Vreemdelingenwet

Reg.nr.: AWB 00/835 VRWET

Inzake: A, domicilie kiezende te B,

verzoeker,

gemachtigde mr. M.A. Collet,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J. Prins.

1. ZITTING

Datum: 4 februari 2000.

Ter zitting zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Zitting hebben:

mr. A.E.A.M. van Waesberghe, president,

mr. M.H.J.W. van Saane, griffier.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president partijen medegedeeld dat op dinsdag 8 februari 2000 om 10.00 uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3. vermeld.

2. OVERWEGINGEN

In geschil is de dreigende uitzetting van verzoeker als gevolg van de niet-inwilliging d.d. 24 januari 2000 van zijn aanvraag om toelating als vluchteling.

Verweerder heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw, nu verzoeker bij binnenkomst hier te lande over geen enkel document beschikte ter ondersteuning van zijn

identiteit, nationaliteit en reisroute. Voornoemd artikel bepaalt dat een aanvraag om toelating als vluchteling niet wordt ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen

reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag om toelating, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze documenten niet

aan hem is toe te rekenen. Per 1 februari 1999 is de Vreemdelingenwet gewijzigd in bovengenoemde zin. Blijkens Tussentijdse Berichten Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/3 van 22 januari 1999, waarin genoemde wijziging is

bekendgemaakt, vormt het ontbreken van documenten op zichzelf echter geen grond voor niet-inwilliging op grond van artikel 15c Vw. Artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw kan uitsluitend worden toegepast na een inhoudelijke

beoordeling van de asielaanvraag, waarbij het toerekenbaar ontbreken van documenten altijd in de context van het totale feitencomplex moet worden beschouwd.

Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag om toelating als vluchteling onder meer aangevoerd dat hij in 1996 deel uit heeft gemaakt van het arrestatieteam van de Asayish. Hij had een neef die hem informatie doorspeelde.

Toen verzoeker in 1995 drie mensen gearresteerd had, is zijn neef daarvoor opgepakt door de Centraal-Irakese autoriteiten. Verzoeker is na dit incident is staat van beschuldiging gesteld voor het stelen van informatie van de Asayish

om zijn neef vrij te krijgen. Hij is naar aanleiding van de beschuldiging vijf dagen gedetineerd geweest. Door bemiddeling van een stamhoofd is verzoeker

vrijgelaten. Een maand later is verzoeker ontslagen. Hiertegen heeft hij geen stappen ondernomen. Verzoeker is hierna in de winkel van zijn vader gaan werken.

Op 23 november 1996 is de winkel van de vader van verzoeker beschoten door onbekenden. Verzoeker heeft tijdens deze aanval een schotwond in het been opgelopen. Verzoeker heeft hiervan aangifte gedaan bij de Asayish, maar desondanks

is geen duidelijkheid verkregen over de identiteit van de daders. Verzoeker bleef hierna in de winkel van zijn vader.

Het volgende incident had verzoeker in juli 1997 met zijn vader toen hij op weg was naar huis. Hij werd in elkaar geslagen door vier onbekende mannen, waarbij de arm van verzoekers vader is gebroken. Verzoeker heeft ook hiervan bij

de Asayish aangifte gedaan. Verzoeker vermoedt dat de daders van de Rekanstam afkomstig waren, nu die stam hem eerder al mondeling had bedreigd.

Op 22 of 23 november 1998 is de auto van verzoeker en een vriend in het donker beschoten. Verzoeker is hierbij ongedeerd gebleven en heeft weer aangifte bij de Asayish gedaan. Die hebben volgens verzoeker een schijnonderzoek gedaan

en gesteld dat de PKK verantwoordelijk was voor de aanslag. Verzoeker zelf vermoedt dat het om de stam Rekan of de Irakese autoriteiten gaat, dan wel dat de KDP erachter zit.

Het laatste incident heeft plaatsgevonden op 1 december 1999 rond half een 's nachts. Bij verzoeker thuis werd op de deur geklopt en toen hij opendeed werd er een handgranaat naar binnen gegooid op de binnenplaats van het huis. De

vader van verzoeker is bij de ontploffing omgekomen.

Verzoeker heeft geen aangifte gedaan bij de Asayish, die overigens wel op de rouwplechtigheid aanwezig waren. Het is verzoeker onbekend wie de handgranaat naar binnen heeft gegooid.

De president overweegt als volgt.

De president constateert allereerst dat verweerder niet in staat is gebleken de behandeling van het asielverzoek binnen de daarvoor gestelde 48-uurstermijn te doen plaatsvinden. De enkele omstandigheid dat er sprake is van een

overschrijding van de 48-uurstermijn vormt op zich zelf echter onvoldoende grond om te concluderen dat de aanvraag om toelating als vluchteling zich niet leent voor afdoening binnen het AC-model. Daarvoor dient er sprake te zijn van

bijkomende omstandigheden, waarbij met name een rol speelt de vraag welke, en in wiens risicosfeer vallende, oorzaak aan de termijnoverschrijding ten grondslag lag.

Namens verzoeker is aangevoerd dat de termijnoverschrijding grotendeels het gevolg was van het niet tijdig beschikbaar zijn van een tolk.

Verzoeker is van oordeel dat deze omstandigheid geheel voor risico van verweerder dient te komen.

De president stelt vast dat sprake is van een forse

termijnoverschrijding, van in totaal bijna 15 uur. Anders dan door verzoeker is betoogd is deze termijnoverschrijding echter niet geheel, ook niet grotendeels, terug te voeren op het niet tijdig beschikbaar zijn van een tolk.

Volgens het door verweerder in het geding gebrachte urenstaatje heeft verzoeker van de gegeven 48 uur immers bijna 12 uur op een IND-medewerker en bijna 15 uur op een SRA-medewerker gewacht. Voor zover de termijnoverschrijding door

deze "wacht-uren"is veroorzaakt moet zij derhalve worden geacht in overwegende mate voor risico van verzoeker te komen. Uit het urenstaatje blijkt voorts dat daarnaast in totaal 6 uren op een tolk is gewacht. De president is, anders

dan verzoeker, van oordeel dat het (tijdig) beschikbaar zijn van een tolk een gezamenlijke verantwoordelijkheid betreft van verzoeker en verweerder. Dat maakt dat onder omstandigheden, zeker waar het, zoals in casu, gaat om een

(relatief schaars zijnde) tolk in de Badini-taal, aan de zijde van verzoeker genoegen dient te worden genomen met een telefonische tolkendienst. Het feit dat verzoeker bij de nabespreking van het nader gehoor stond op de

aanwezigheid van een "live-tolk", waardoor de 48-uurstermijn met 4 extra uren werd overschreden, kan naar het oordeel

van de president dan ook niet voor rekening en risico van verweerder worden gebracht. Uit een en ander volgt dat de termijnoverschrijding in overwegende mate werd veroorzaakt door omstandigheden die voor rekening en risico van

verzoeker dienen te worden gebracht. De president ziet dan ook geen aanleiding om verzoeker in zijn standpunt dat zijn aanvrage zich, gelet op de termijnoverschrijding, niet leende voor afdoening binnen het AC-model, te volgen.

Ook overigens is de president van oordeel dat de behandeling van de onderhavige aanvraag om toelating als vluchteling zich leende voor afdoening binnen het AC-model.

Daartoe wordt allereerst overwogen dat de algemene situatie in Irak - hoewel zorgwekkend - niet zodanig is dat verzoeker zonder meer als vluchteling kan worden aangemerkt. Verzoeker zal derhalve feiten of omstandigheden met

betrekking tot hem persoonlijk aannemelijk moeten maken die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

Verzoeker is hierin niet geslaagd. Uit de door hem beschreven incidenten blijkt geenszins van een persoonlijke belangstelling voor verzoeker;veeleer lijken de door verzoeker genoemde belagers het op zijn vader te hebben gemunt. Zijn

vrees voor vervolging is voorts slechts gebaseerd op vermoedens en op geen enkele wijze met objectief verifieerbare stukken aannemelijk gemaakt. Na het laatste incident op 1 december 1999 is verzoeker bovendien nog ruim een week

thuis geweest, hetgeen niet wijst op een acute vluchtsituatie.

Gelet op het vorenstaande is de president van oordeel dat verweerder op goede gronden de aanvraag om toelating als vluchteling met toepassing van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw kennelijk ongegrond heeft verklaard.

Ingevolge vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens dient de rechter, indien een beroep wordt gedaan op artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

(EVRM), te beoordelen of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van verzoeker naar Irak strijd oplevert met artikel 3 EVRM.

Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden. De president overweegt in dit verband nog dat verzoeker van

Koerdische afkomst is, terwijl ook overigens niet is gebleken van contra-indicaties voor zijn terugkeer naar Noord-Irak.

Op grond van het voorgaande is de president van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten de uitzetting niet achterwege te laten. Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de president redelijkerwijs niet kan bijdragen aan

de beoordeling van de zaak, wordt het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de president niet gebleken.

3. BESLISSING

De president van de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

1. verklaart het bezwaar ongegrond;

2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

4. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

De griffier was verhinderd dit proces-verbaal te ondertekenen. In haar plaats: drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin (wnd. griffier)

Verzonden op: 30 maart 2000