Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6032

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-02-2000
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 99/10156
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Voorschrift Vreemdelingen 2000 28, geldigheid: 2000-02-29
Voorschrift Vreemdelingen 2000 28, geldigheid: 2000-02-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/133 met annotatie van BKO
Ars Aequi RV20000037 met annotatie van

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/10156 VV

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, verzoeker,

gemachtigde mr. M.A. Collet, advocaat te Waalwijk,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP.

Verzoeker bezit de Albanese nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 16 januari 1997 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: verblijf bij Nederlandse partner B (hierna: referente) en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.

Bij besluit van 10 februari 1997 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Dit besluit is op 12 februari 1997 aan verzoeker uitgereikt. Daarbij is aan verzoeker medegedeeld dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten.

Op 12 februari 1997 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van diezelfde datum heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een onverwijlde voorziening te treffen, inhoudende - kort gezegd - dat verweerder niet zal overgaan tot uitzetting van verzoeker uit

Nederland zolang nog niet beslist zal zijn op het bezwaarschrift van verzoeker. Bij uitspraak van 12 september 1997 heeft de fungerend president van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 19 november 1999 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij schrijven van 23 november 1999 beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 24 november 1999 ter griffie van de rechtbank ontvangen. Bij schrijven van 16 december 1999 zijn de gronden van het

beroep nader aangevuld.

Voorts is op 23 november 1999 namens verzoeker wederom om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van verzoeker over te gaan, totdat op het

beroepschrift zal zijn beslist.

Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 20 januari 2000, waar verzoeker in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Referente is tevens ter zitting verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.L.H. Hermans, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN.

Ingevolge artikel 8:81 Awb kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van

de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de beslissing op het verzoek meebrengt dat

een oordeel wordt gegeven in de bodemprocedure, draagt dat oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

In dit geschil is van belang de vraag of de Staatssecretaris van Justitie in redelijkheid heeft kunnen komen tot de beslissing om de uitzetting van verzoeker niet achterwege te laten gedurende de periode dat beroep aanhangig is.

Voor deze beoordeling moet worden bezien of op voorhand gezegd kan worden dat het beroepschrift geen kans van slagen heeft. Voorts dient te worden bekeken of uitzetting hangende het beroep anderszins in strijd is met rechtsregels.

Uit de gedingstukken is gebleken dat verzoeker sedert juni 1994 in Nederland verblijft. Hij heeft na binnenkomst aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Hij heeft daarbij

opgegeven dat zijn naam is C en dat hij afkomstig is uit Kosovo en behoort tot de Albanese bevolkingsgroep. Uit dactyloscopisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een proces-verbaal van 13 december 1996, is gebleken

dat verzoeker eerder - vanaf juli 1991 - in Duitsland heeft verbleven.

Hij heeft in Duitsland onder de naam A asiel gevraagd. Nadat verzoeker op 19 december 1996 met deze bevindingen was geconfronteerd - waarbij verzoeker volhield niet in Duitsland te hebben verbleven - is hij in vreemdelingenbewaring

gesteld.

Op 16 januari 1997 heeft verzoeker zijn aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf ingetrokken.

Diezelfde dag heeft hij verzocht om verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij zijn partner en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst. Inmiddels is uit de relatie van verzoeker en zijn partner een kind

geboren.

De president overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij toepassing van artikel 11, vijfde lid, Vw een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen

voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake

is van klemmende redenen van humanitaire aard.

De Staatssecretaris van Justitie hanteert, als uitwerking van de globale beleidsregel dat op grond van klemmende redenen van humanitaire aard een vergunning tot verblijf kan worden verleend, voor een aantal categorieën vreemdelingen

specifieke criteria. Eén van die categorieën betreft vreemdelingen die in het kader van gezinsvorming toelating bij hun Nederlandse partner beogen. Ingevolge het door verweerder gevoerde beleid, zoals neergelegd in de

Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994, onder hoofdstuk B 1/3, kan aan de partner van een Nederlander verblijf hier te lande worden toegestaan in het kader van een vaste relatie, danwel vanaf het achttiende levensjaar van beide partners,

in het kader van een nieuwe relatie, indien:

a. er sprake is van een vaste relatie, hetgeen met name moet blijken uit het feit dat de partners feitelijk samenwonen, op hetzelfde adres in het bevolkingsregister zijn ingeschreven en een gemeenschappelijke huishouding voeren;

b. beide partners met gelegaliseerde officiële documenten

aantonen ongehuwd te zijn. Een uitzondering is mogelijk indien vaststaat dat een van de partners door wettelijke beletselen waarop hij zelf geen invloed kan uitoefenen nog niet

gescheiden is. Verder mogen de partners geen bloed- en

aanverwantschap in de eerste of tweede graad met elkaar hebben;

c. degene bij wie toelating wordt beoogd duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw, waaronder in casu wordt verstaan een netto-inkomen dat tenminste gelijk is aan het bestaansminimum in

de zin van de Algemene Bijstandswet, dat wil zeggen ten minste het netto normbedrag voor de desbetreffende categorie

echtparen/gezinnen;

d. degene wiens toelating het betreft geen gevaar vormt voor de openbare rust, de openbare orde of de nationale veiligheid.

Voorts dienen vreemdelingen om in Nederland te kunnen worden toegelaten voor een verblijf van langer dan drie maanden ingevolge artikel 41 van het Vreemdelingenbesluit, juncto artikel 28, zesde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen

in het bezit zijn van een geldig nationaal paspoort.

Van het vereiste van het bezit van een geldig nationaal paspoort kan, gelet op het bepaalde in artikel 42 van het Vreemdelingenbesluit, juncto artikel 28, zevende lid, van het Voorschrift Vreemdelingen, worden afgeweken hetzij omdat

betrokkene heeft aangetoond, dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig paspoort kan worden gesteld, hetzij omdat betrokkene een aanvraag om toelating als

vluchteling heeft ingediend en heeft aangetoond dat met het oog op het verlenen van een vergunning tot verblijf of het verlengen van de geldigheidsduur daarvan van hem redelijkerwijs niet kan worden gevergd, dat hij zich voor het

verkrijgen, of het doen verlengen van de geldigheidsduur van een paspoort, tot bedoelde regering wendt.

Ten aanzien van de in hoofdstuk B 1/3 van de Vc gestelde toelatingsvereisten merkt de president allereerst op dat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, naar zijn oordeel niet vast is komen te staan dat aan die

vereisten niet voldaan wordt. Daarbij wijst de president met name op de stukken die door referente voorafgaand aan de beslissing op bezwaar zijn overgelegd met betrekking tot het middelenvereiste, maar waarover verweerder in de

beslissing op bezwaar geen oordeel heeft uitgesproken. Op het vereiste dat met gelegaliseerde officiële documenten moet worden aangetoond dat de partners ongehuwd zijn, zal de president hieronder terugkomen.

Met betrekking tot het aan verzoeker tegengeworpen paspoortvereiste overweegt de rechtbank het volgende.

Namens verzoeker zijn bij schrijven van 2 juni 1997 kopieën overgelegd van zijn Albanees paspoort, gesteld op naam van A, geboren op [...] 1977 te D. Na onderzoek is gebleken dat dit paspoort als blanco gestolen paspoort stond

gesignaleerd in het Nationaal Schengen Informatie Systeem. Na op 7 juni 1999 te zijn geconfronteerd met deze informatie heeft verzoeker aangegeven niet te weten dat het paspoort gestolen was en heeft hij vrijwillig afstand gedaan

van het paspoort.

Tevens heeft hij verklaard dat de personalia in het paspoort onjuist zijn en heeft hij opgegeven te zijn A, geboren op

[...] 1977 te E.

Bij schrijven van 30 augustus 1999 is door verzoeker een nieuw Albanees paspoort overgelegd, gesteld op naam van A, geboren op

[...] 1977 te E. Tijdens een verhoor op 27 september 1999, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, heeft verzoeker verklaard dat hij dit paspoort niet zelf heeft aangevraagd, maar dat zijn moeder dit voor hem in Albanië heeft gedaan.

Ten behoeve van de aanvraag heeft verzoeker zelf niets ondertekend. Nadat hij het paspoort in Nederland per koeriersdienst had ontvangen, heeft hij het paspoort ondertekend.

Verweerder heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat het bij schrijven van 30 augustus 1999 overgelegde paspoort

niet kan worden aangemerkt als een geldig document voor grensoverschrijding. Deze conclusie kan naar de mening van verweerder reeds worden gedragen door het enkele feit dat het paspoort niet aan verzoeker in persoon is afgegeven

(een zogenaamd "blanco" paspoort). Ter zitting heeft verweerders gemachtigde aangegeven dat niet in twijfel wordt getrokken dat het een authentiek door de Albanese autoriteiten afgegeven paspoort betreft. Echter, vanwege de

fraudegevoeligheid is het beleid van verweerder om van geen enkel land "blanco" paspoorten te accepteren, als zijnde een geldig identiteitsdocument. Dienaangaande zijn door verweerders gemachtigde een tweetal uitspraken (AWB

98/10562 en AWB 99/5516) van de rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, overgelegd, waarin dit beleid redelijk wordt geacht. Met betrekking tot de twijfels aangaande verzoekers identiteit wijst verweerder daarenboven op de

omstandigheid dat het paspoort, naar verzoeker heeft verklaard, niet de juiste personalia vermeldt. Verder acht verweerder van belang dat verzoeker in het verleden van verscheidene aliassen gebruikt heeft gemaakt en onder valse

voorwendselen asiel heeft aangevraagd.

Namens verzoeker is hiertegen aangevoerd dat de wijze waarop het paspoort is afgegeven geen afbreuk doet aan de waarde die daaraan kan worden gehecht. Naar de mening van verzoekers gemachtigde heeft de afgifte van het paspoort in

persoon geen enkele toegevoegde waarde, zodat niet valt in te zien waarom verweerder het paspoort niet accepteert, nu niet in twijfel wordt getrokken dat het een authentiek door de Albanese autoriteiten afgegeven paspoort betreft.

Daarbij heeft verzoekers gemachtigde aangegeven dat de Albanese ambassade hier te lande bereid is het originele paspoort te controleren om vast te kunnen stellen of verzoeker de rechtmatige eigenaar daarvan is. Voorts heeft

verzoekers gemachtigde gewezen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de bij schrijven van 16 december 1999 overgelegde verklaring van 15 december 1999 van de Albanese ambassade, waarin wordt bevestigd dat de aanvraag van een

Albanees paspoort ten behoeve van een in het buitenland verblijvende Albanees, tevens door een familielid van hem in Albanië kan worden ingediend.

Ten aanzien van de onjuiste vermelding van de personalia in het paspoort heeft verzoekers gemachtigde opgemerkt dat in het geheel niet uitgesloten is dat de personalia van verzoeker in Albanië niet geheel correct zijn weergegeven,

nu dit terug is te voeren op het feit dat de personalia verkeerd zijn opgenomen in de Albanese

bevolkingsadministratie.

De president is van oordeel dat noch uit de gedingstukken noch uit het verhandelde ter zitting, voldoende duidelijkheid is ontstaan over het beleid dat verweerder voert ten aanzien van "blanco" paspoorten.

Allereerst moet voorshands worden vastgesteld dat niet gebleken is dat dit beleid van verweerder kenbaar is nu verweerders gemachtigde ter zitting niet heeft kunnen aangeven waar dit beleid gepubliceerd is.

Hiervan uitgaande is de president van oordeel dat verweerder bij een nader te houden bodemzitting hierover duidelijkheid dient te verschaffen, doch dat thans voorshands nog niet duidelijk is in hoeverre verweerder op goede gronden

verzoekers paspoort als identiteitsbewijs weigert te accepteren. Hierbij wijst de president met name op de ter zitting aan de orde gestelde, maar door verweerders gemachtigde naar het oordeel van de president niet afdoende

beantwoorde vraag wat de toegevoegde waarde is van een afgifte van het paspoort aan verzoeker in persoon ten opzichte van een vaststelling door de Albanese ambassade hier te lande dat het hier aan de orde zijnde paspoort een

authentiek paspoort betreft waarvan verzoeker de rechtmatig eigenaar is. In de beoordeling van het onderhavige verzoek acht de president van belang dat uit de namens verzoeker op 16 december 1999 overgelegde brief van 15 december

1999 van Albanese ambassade, kan worden begrepen dat de wijze waarop verzoeker zijn paspoort heeft verkregen past binnen een gangbare

praktijk en dat ter zitting door verzoekers gemachtigde is aangegeven dat de Albanese ambassade hier te lande bereid is het originele paspoort te controleren om vast te kunnen stellen of verzoeker de rechtmatige eigenaar daarvan is.

Verweerder dient zich in dit opzicht ook te beraden over de vraag in hoeverre de weigering van de acceptatie van dit paspoort niet een schending van het interstatelijk vertrouwensbeginsel oplevert, te meer nu verweerder het paspoort

niet heeft onderzocht op authenticiteit.

Hoewel door verzoeker wordt toegegeven dat ook het in geding zijnde paspoort niet zijn juiste personalia bevat, zodat verweerder zich terecht op het standpunt zou kunnen blijven stellen dat verzoeker zijn identiteit nog immer niet

heeft aangetoond, is de president van oordeel dat gelet op het vorenstaande nog niet gesteld kan worden dat vaststaat dat verzoeker niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding dan wel geldig

identiteitsdocument, zoals vereist in het beleid. De namens verweerder overgelegde uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, leiden niet tot een ander oordeel, nu in deze zaken, anders dan in de onderhavige zaak,

geen sprake is van een vaststelling door de bevoegde autoriteiten dat de verstrekking van het paspoort overeenkomt met een gangbare wijze en voorts in deze zaken niet naar voren is gebracht dat de bevoegde autoriteiten bereid zijn

vast te stellen of de betrokken vreemdeling rechtmatig eigenaar is van het paspoort.

Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van de president dat evenmin vaststaat dat geen waarde kan worden gehecht aan de door verzoeker overgelegde documenten betreffende zijn ongehuwd zijn.

Nu gelet op het vorenstaande mitsdien niet op voorhand kan worden gezegd dat het beroepschrift geen kans van slagen heeft, dient naar het oordeel van de president het verzoek om een voorlopige voorziening te worden toegewezen.

De president acht voorts termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

De president wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid van de Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan verzoeker het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De president:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb toe;

veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,-- te vergoeden door de Staat der Nederlanden, en te voldoen aan de griffier;

gelast dat het gestorte griffierecht ten bedrage van f 225,-- door de Staat der Nederlanden aan verzoeker wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf, als president, in tegenwoordigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2000.

de president is buiten staat de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden op: 10 maart 2000

KG