Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6031

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2000
Datum publicatie
21-11-2002
Zaaknummer
AWB 00/674
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/126
RV20000063 met annotatie van Baudoin P.J.A.M. Piet
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

--------------------------------

Awb 00/674 V3

Proces-verbaal als bedoeld in artikel 8:67, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) van de mondelinge uitspraak van de rechtbank, ingevolge artikel 34a van de

Vreemdelingenwet, in het geschil tussen:

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1941, voorheen verblijvende in het Justieel Complex Koning Willem II te Tilburg, de vreemdeling

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

Procesverloop

Namens de vreemdeling is op 25 januari 2000 een beroepschrift ingediend bij de rechtbank met het verzoek de bewaring met onmiddellijke ingang op te heffen. Voorts is om schadevergoeding en een dwangsom verzocht.

Het beroep is op 26 januari 2000 behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank, waar de vreemdeling niet is verschenen, maar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg.

Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. P. van Zijl.

Voorafgaande procedure

De vreemdeling is tot 3 december 1999 strafrechtelijk gedetineerd geweest. Onmiddellijk aansluitend is hij op 3 december 1999 voor de eerste maal in vreemdelingenbewaring gesteld.

Op 19 januari 2000 heeft verweerder de bewaring opgeheven vanwege het verzuim om binnen vier weken de in artikel 86 Vb bedoelde kennisgeving aan de rechtbank te verzenden.

Onmiddellijk aansluitend aan de opheffing van de eerste bewaring heeft verweerder op 19 januari 2000 de vreemdeling voor de tweede maal in bewaring gesteld.

Hiertegen heeft de vreemdeling beroep aangetekend. Dit beroep is behandeld door de rechtbank ter zitting van 24 januari 2000. Bij uitspraak van 25 januari 2000 heeft de rechtbank de opheffing van de

tweede bewaring bevolen.

Kennelijk heeft verweerder de tweede bewaring opgeheven, maar onmiddellijk aansluitend heeft verweerder op 25 januari 2000 de vreemdeling voor de derde maal in bewaring gesteld.

Hiertegen heeft de vreemdeling nog op 25 januari 2000 beroep ingesteld.

Dit beroep is door de rechtbank behandeld ter zitting van heden.

Standpunt van verweerder

De gemachtigde heeft ter zitting toegelicht dat de derde inbewaringstelling is bevolen op grond van de overweging dat bij de behandeling op 24 januari 2000 van het beroep tegen de tweede bewaring, de gronden van openbare orde die

aanleiding waren voor de tweede bewaring, kennelijk onvoldoende onder de aandacht van de rechtbank zijn gebracht.

Voorts heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat hij bij de behandeling ter zitting op

24 januari 2000 wel heeft gewezen op de gronden van openbare orde en heeft hij beaamd dat sedertdien geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

Overwegingen van de rechtbank

Uitgangspunt bij de toepassing van dwangmiddelen moet zijn dat iemand ter zake van hetzelfde feit niet bij herhaling mag worden onderworpen aan hetzelfde dwangmiddel, indien de omstandigheden gelijk blijven. Dit uitgangspunt vloeit

voort uit de in het strafprocesrecht aanvaarde gedachte dat iemand geen tweede keer wegens dezelfde verdenking van zijn vrijheid mag worden beroofd, tenzij sprake is van nieuwe bezwaren. "Nemo debet bis vexari pro una et eadem

causa, rebus sic stantibus".

Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit uitgangspunt evenzeer voor de vreemdelingenbewaring, waarbij het evenals in het strafproces gaat om het dwangmiddel van vrijheidsbeneming. In dit verband is tevens van belang dat het de

bedoeling van de wetgever is geweest om de regeling van het beroep op de rechter, bij beperking van de bewegingsvrijheid krachtens artikel 18 en bij bewaring krachtens artikel 26 Vw, in hoofdzaak overeen te laten komen met die van

het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de rechterlijke controle op de toepassing van voorlopige hechtenis (MvT bij Vreemdelingenwet 1965, BHTK 62/63, 7163, nr. 3, p. 17)

Wel kan in het kader van de vreemdelingenbewaring een specifieke invulling worden gegeven aan het begrip "nieuwe feiten en omstandigheden", in aanmerking genomen dat de opheffing van de bewaring op zichzelf niet de opheffing tot

gevolg heeft van een bij de aanvang van de bewaring bestaande verplichting van de vreemdeling om Nederland te verlaten.

De rechtbank is in het onderhavige geval niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die de nieuwe inbewaringstelling op 25 januari 2000 rechtvaardigen.

De enkele overweging van verweerder dat de zaak bij de behandeling van een eerder beroep op 24 januari 2000 onvoldoende zou zijn toegelicht - daargelaten of deze overweging juist is - is in ieder geval geen relevant nieuw feit of

nieuwe omstandigheid.

De rechtbank ziet derhalve aanleiding om de opheffing tot vrijheidsbeneming ex artikel 26 Vw te bevelen. In het feit dat verweerder de beslissing van de rechtbank van 25 januari 2000, waarbij de opheffing van de tweede bewaring is

bevolen, materieel illusoir heeft gemaakt door onmiddellijk en zonder goede grond een nieuwe bewaring te bevelen, ziet de rechtbank aanleiding om de onmiddellijke invrijheidstelling van de vreemdeling te gelasten, zulks op grond van

artikel 15 lid 2 van de Grondwet.

De rechtbank legt geen dwangsom op, nu verweerder ter zitting heeft toegezegd dat de rechterlijke beslissing zal worden gerespecteerd.

Derhalve luidt de uitspraak:

de rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt de opheffing van de bewaring en gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van de vreemdeling.

Omtrent de schadevergoeding en proceskosten zal in een afzonderlijke uitspraak worden beslist.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. J.C.A.M. Claassens op 26 januari 2000 in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. Nieskens als griffier.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,

de griffier de rechter