Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5943

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2000
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 99/10455
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5, geldigheid: 2000-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/10455 VRWET

inzake: A, wonende te B, verzoeker,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1976, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij verblijft in ieder geval sedert zijn 13e jaar als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 1 juni 1999 heeft hij zich bij de korpschef van de

regiopolitie Utrecht, vreemdelingendienst district C te B, gemeld met het verzoek om verlenging

van zijn vergunning tot verblijf tot 7 april 2000. Bij besluit van 24 juni 1999 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van

20 juli 1999, welk bezwaar is aangevuld met gronden bij brief van 6 augustus 1999. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft verweerder bij brief van 1 september 1999 meegedeeld dat uitzetting gedurende de periode dat

het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten. Verzoeker moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.

2. Bij verzoekschrift van 14 september 1999 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen totdat op bezwaar is beslist op de aanvraag om

verlenging van zijn vergunning tot verblijf. Bij brief van 2 november 1999 heeft verzoeker het petitum van het verzoek om een voorlopige voorziening gewijzigd in die zin dat tevens verzocht wordt dat verweerder de aanvraag om

verlenging van de vergunning tot verblijf in behandeling neemt en verzoeker, zolang niet is beslist op bezwaar, vrije toegang tot de arbeidsmarkt wordt verleend. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 15

december 1999 ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 29 december 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en met toepassing van artikel 33b Vw, tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Verzoeker

heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 30 december 1999.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2000.

Verzoeker is aldaar in persoon verschenen bijgestaan door mr. M.J. Verwers, advocaat te Wageningen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.S. Poppens, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de

uitzettingsbeslissing te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen. In artikel 32 lid 1 aanhef en onder b Vw is bepaald dat uitzetting achterwege blijft indien er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het

bezwaar gericht tegen het besluit dat strekt tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft. De beslissing uitzetting niet achterwege te laten dient te worden geschorst indien verweerder heeft gehandeld in

strijd met bovengenoemde wettelijke bepaling. Voorts dient uitzetting vooralsnog achterwege te blijven indien verweerder in de gegeven omstandigheden anderszins heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk

bestuur of enige andere rechtsregel.

2. De president gaat uit van de volgende feiten. Verzoeker was vanaf 2 juli 1991 toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven op grond van artikel 10 lid 2 Vw. Verzoeker is met ingang van 7 april 1994 een vergunning

tot verblijf zonder beperkingen verleend, toen zijn verblijfsrecht op grond van artikel 10 lid 2 Vw van rechtswege is komen te vervallen. Deze is laatstelijk verlengd tot 7 april 1999. Het verzoek om verlenging van zijn vergunning

tot verblijf is buiten behandeling gesteld omdat dit niet tijdig is ingediend en verzoeker niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikte. Verzoeker heeft op 17 augustus 1999 een aanvraag om verlening van

een vergunning tot vestiging ingediend. Bij besluit van 20 september 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 14 oktober 1999, aangevuld bij brief van 4 november 1999, bezwaar

gemaakt.

De Vreemdelingendienst D heeft in antwoord op een desbetreffende vraag van de IND de volgende informatie verstrekt. Noch uit Vreemdelingen Administratie Systeem (VAS), noch uit het dossier blijkt dat aan verzoeker in 1994, bij het

bereiken van de 18-jarige leeftijd, een vergunning tot vestiging is aangeboden. Voor de

buitenbehandelingstelling van de aanvraag om een vergunning tot verblijf is aan verzoeker de vraag gesteld of hem een vergunning tot vestiging is aangeboden. Toen hij antwoordde dat hem destijds wel een

vestigingsvergunning is aangeboden maar dat hij er toentertijd van heeft afgezien omdat hij de leges niet kon betalen (met aanvullende notitie op zijn stamkaart: "was pas ontslagen"), is aan de vreemdeling de beschikking van

buitenbehandelingstelling uitgereikt. Vervolgens heeft verzoeker op 17 augustus 1999 alsnog een aanvraag om een vergunning tot vestiging ingediend.

3. Verzoeker meent dat hij ondanks zijn niet tijdige aanvraag om verlenging van zijn vergunning tot verblijf behoort te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat terugzending naar het land van herkomst van een bijzondere

hardheid zou getuigen. Verzoeker had er door de Vreemdelingendienst middels een aangetekend schrijven minimaal twee maanden voor het verlopen van zijn verblijfsvergunning op gewezen moeten worden dat hij deze diende te verlengen.

Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, van 2 juli 1999 (JV 1999, 12, no 231). Verzoeker heeft een dergelijke rappel-brief nooit ontvangen. Verzoeker behoort alsnog in het bezit

gesteld te worden van de vestigingsvergunning waarop hij recht had.

Verzoeker is er voorts ten onrechte niet op gewezen dat hij een aanvraag om wedertoelating had kunnen indienen, waarmee vrijstelling van het mvv-vereiste verkregen had kunnen worden.

De buitenbehandelingstelling van verzoekers aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning betekent een ongeoorloofde inmenging in het in Nederland bestaande gezinsleven tussen verzoeker en zijn ouders, zoals bedoeld in artikel

8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu verzoeker onvoldoende heeft aangetoond te behoren tot een van de categorie├źn genoemd in artikel 16a Vw dan wel artikel 52a Vreemdelingenbesluit (Vb), zijn niet-tijdige aanvraag om

verlenging van zijn verblijfsvergunning op goede gronden buiten behandeling is gesteld. Verzoeker is op 8 februari 1999 een brief gestuurd met daarbij de benodigdheden om schriftelijk de aan hem verleende vergunning tot verblijf te

verlengen.

Verzoeker heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en heeft als reden hiervoor opgegeven dat een jonger broertje de bescheiden zou hebben weggegooid. Met betrekking tot de aanvraag om een vestigingsvergunning wordt overwogen

dat verzoeker sedert 7 april 1999 niet op grond van artikel 9 of 10 Vw in Nederland verblijft en deswege niet voldoet aan de voorwaarden. Voorts is verzoeker in 1994 al gewezen op de mogelijkheid om een vestigingsvergunning aan te

vragen. Verzoeker is in zijn stelling dat hij er door de Vreemdelingendienst op gewezen had moeten worden een aanvraag tot wedertoelating in te dienen niet te volgen, aangezien een aanvraag tot wedertoelating op een fundamenteel

andere situatie ziet dan de onderhavige. Het beroep op de terugkeeroptie geldt slechts voor vreemdelingen die zijn teruggekeerd naar het land van herkomst.

Er rust geen positieve verplichting in het kader van artikel 8 van het EVRM op de Nederlandse Staat, nu het mvv-vereiste niet inhoudt dat het familie- of gezinsleven niet op een later tijdstip weer in Nederland kan worden

uitgeoefend. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Zwolle, van 15 oktober 1999 (AWB 99/3474 VRWET). Voorts is niet gebleken van "more than normal emotional ties," tussen verzoeker en zijn

ouders.

De president overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, kan een aanvraag om een vergunning tot verblijf buiten behandeling worden gesteld indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen

van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het

bestuursorgaan gestelde termijn de

aanvraag aan te vullen.

6. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag om een vergunning tot verblijf slechts in behandeling genomen indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, die aan hem is afgegeven in zijn land van herkomst

of in zijn land van bestendig verblijf. Ingevolge het derde lid van genoemd artikel zijn een aantal in dat artikel genoemde categorie├źn personen van het bezit van een mvv vrijgesteld.

Ingevolge het bepaalde in het zesde lid van artikel 16a Vw kan de Minister van Justitie, buiten de gevallen genoemd in het tweede, derde en vierde lid van artikel 16a Vw, in zeer bijzondere individuele gevallen voor het in

behandeling nemen van de aanvraag om toelating afzien van het eisen van het bezit van een geldige mvv.

7. De Staatssecretaris van Justitie heeft bij brief van 31 januari 2000 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal (kenmerk 5002921/ 99 /DVB) zijn voornemen bekend gemaakt om een algehele vrijstelling van het

wettelijk mvv-vereiste te verlenen bij voortgezet verblijf ongeacht de termijn waarbinnen het verlengingsverzoek is ingediend. Vooralsnog kan dus naar het voorlopig oordeel van de president aan de toepassing door verweerder van

artikel 16a Vw dan wel artikel 52a Vb worden voorbijgegaan, mede met het oog op de volgende overwegingen.

8. Met betrekking tot verzoekers stelling dat hem een

vestigingsvergunning had moeten worden aangeboden overweegt de president het volgende.

9. Ingevolge artikel 13 Vw is de Minister van Justitie bevoegd aan een vreemdeling een vergunning tot vestiging te verlenen. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikel - voor zover hier van belang - het beleid dat

vreemdelingen die sinds het bereiken van de acht-jarige leeftijd, gedurende een tijdvak van ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan hun aanvraag, hun hoofdverblijf in Nederland hebben gehad, welk verblijf op grond van de

artikel 9 of 10 Vw was toegestaan, aanspraak hebben op een vergunning tot vestiging. De korpschef dient deze vreemdelingen ambtshalve mededeling te doen van de mogelijkheid een aanvraag om een vergunning tot vestiging in te dienen.

10. Gebleken is dat door verzoeker in 1994 een aanbod tot een vergunning tot vestiging van de hand is gewezen omdat hij het hiervoor verschuldigde legesgeld niet kon betalen. De president gaat ervan uit (zoals destijds ook kennelijk

de Vreemdelingendienst) dat dit aanbod hem is gedaan op grond van B2/3.3.2 Vc 1994 aangezien verzoeker op zijn 18e verjaardag (15 maart 1994) tenminste vijf jaar hier te lande had verbleven. Blijkens een schrijven van de

Vreemdelingendienst Leersum van 16 augustus 1999 is dit voor de Vreemdelingendienst aanleiding geweest om niet na verloop van tien jaar, toen de geldigheid van verzoekers vergunning tot verblijf per 7 april 1999 afliep, opnieuw een

aanbod tot een vergunning tot vestiging te doen. De president is van oordeel dat deze handelswijze niet in overeenstemming is met het terzake geldende beleid en derhalve niet rechtmatig is. De Afdeling Rechtspraak van de Raad van

State (ARRvS) heeft bij haar uitspraak van 25 januari 1993 (nos. R02.91.1067 en R02.91.2460, RV 1993, no. 32) weliswaar geoordeeld dat verweerder terecht geen vergunning tot vestiging heeft verleend toen de vreemdeling eerst vijf

jaar nadat hij aan de vereisten voor een vestigingsvergunning voldeed, aanvoerde dat hij destijds aan alle vereisten daartoe voldeed. De vreemdeling had op het moment dat hij daaraan voldeed (dus vijf jaar eerder) echter om hem

moverende redenen van een vergunning tot vestiging afgezien. Anders dan in de onderhavige zaak had die vreemdeling in de vijf volgende jaren niet hier te lande verbleven krachtens een hem verleende vergunning tot verblijf en voldeed

dus na ommekomst van die vijf jaren niet meer aan de vereisten voor een vergunning tot vestiging.

11. Verzoeker daarentegen heeft sedert 15 maart 1994 steeds rechtmatig hier te lande verbleven op grond van artikel 10, tweede lid, Vw (oud),

respectievelijk artikel 9 Vw 1994. Van openbare orde inbreuken of gevaar voor de nationale veiligheid is aan de zijde van verzoeker niet gebleken. Verzoeker had dus op 15 maart 1999 opnieuw een aanbod voor een vergunning tot

vestiging moeten worden gedaan (ARRvS 1 februari 1990, no. R02.88.0643, Rv 1990, no. 27).

12. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bezwaar tegen het besluit van verweerder van 24 juni 1999 een redelijke kans van slagen heeft en het verzoek derhalve

voor toewijzing in aanmerking komt.

13. Gelet op de voorgaande overwegingen is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op f 1.420,- als kosten van verleende

rechtsbijstand. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, lid 4 van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde

griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president.

III. BESLISSING

De president

1. wijst het verzoek toe in die zin dat aan verweerder verboden wordt verzoeker uit Nederland te (doen) verwijderen totdat op zijn bezwaar is beslist;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoeker begroot op f 1420,- (veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge tweehonderdvijfentwintig gulden)

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2000 door mr. S.J. Bosma, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. C. de Man, griffier.

Afschrift verzonden op: 10 februari 2000

Conc.:CM

Coll:

D:B

Bp: