Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5940

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/4878
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/4878 S1813

inzake: A, wonende te Taiwan, eiser,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1966, bezit de Taiwanese nationaliteit. Op 8 september 1998 heeft B (hierna: referent), bij de Korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot

voorlopig verblijf (hierna: mvv) ten behoeve van eiser. Bij besluit van 29 januari 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit op 25 februari 1999 een bezwaarschrift ingediend, welk

bezwaar is aangevuld

met gronden bij brief van 10 maart 1999. Het bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 8 april 1999. Het besluit is bij brief van dezelfde datum aan de gemachtigde van eiser gezonden.

2. Bij beroepschrift van 6 mei 1999 heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser verzocht het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat aan eiser een mvv afgegeven wordt.

Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij schrijven van 29 juni 1999. Op 27 augustus 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 4 november 1999 heeft

verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 1999.

Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. H.L.M. Lichteveld, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.L. de Mik, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van

Justitie. Tevens was ter zitting aanwezig referent.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 33d Vw worden besluiten omtrent de afgifte van mvv's gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met

besluiten aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vw. De rechtbank 's-Gravenhage is derhalve bevoegd.

2. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser beoogt met zijn mvv-aanvraag verblijf bij zijn Nederlandse

partner, referent. Referent is werkzaam als acteur. Hij heeft jaaropgaven van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) over de jaren 1995 tot en met 1997 overgelegd alsmede een statusoverzicht betreffende zijn

arbeidsverleden over de jaren 1994 tot en met 1998. Voorts heeft referent salarisspecificaties over de maanden september 1997 tot en met december 1997 en januari 1998 overgelegd.

Tevens zijn betaalspecificaties van het GAK op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de maanden maart 1998 tot en met september 1998 overgelegd. Met ingang van 1 september 1998 heeft referent een arbeidsovereenkomst met Stichting

Theater C, in eerste instantie lopend tot 30 augustus 1999, maar bij schrijven van 30 augustus 1999 verlengd tot en met 18 februari 2000.

3. Eiser stelt dat hij op grond van het partnerbeleid, zoals neergelegd in hoofdstuk B1/3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994, voor toelating in aanmerking komt. Eiser stelt dat er voldaan wordt aan het vereiste van het

duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. Referent heeft na afloop van zijn arbeidsovereenkomst bij Stichting Theater C recht op een loongerelateerde uitkering op grond van de WW gedurende drie jaar. Uit het reeds bij

brief van 8 januari 1999 overgelegde statusoverzicht van het GAK blijkt immers dat referent voldoet aan het "vier uit vijf"-vereiste zoals genoemd in artikel 17 WW. Referents WW-aanspraak kan door verweerder niet worden afgedaan als

een onzekere toekomstige gebeurtenis nu deze aanspraak rechtstreeks voortvloeit uit de wet en de door eiser gepresenteerde feiten. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, van 9

augustus 1996 (MR 1996, 159). Voorts is eiser van mening dat verweerder gehouden is om rekening te houden met de specifieke arbeidssituatie in de toneelsector, waar uitsluitend met kortlopende contracten gewerkt wordt. Gelet hierop

en op het feit dat referent ten tijde van zijn aanvraag om afgifte van een mvv ten behoeve van eiser op basis van zijn arbeidsovereenkomst maar één week te kort kwam om aan het duurzaamheidsvereiste te voldoen, had verweerder

gebruik moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Ook verweerders argument dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het

uitzonderingsbeleid op het duurzaamheidsvereiste, zoals vermeld in B1/3.2.3.3 Vc 1994, gaat niet op, aangezien referents arbeidsverleden in combinatie met zijn aanspraken op een WW-uitkering voldoende waarborg zijn voor duurzame

inkomsten, hetgeen de ratio is achter dit uitzonderingsbeleid.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het zogenoemde partnerbeleid aangezien niet wordt voldaan aan het vereiste van het duurzaam beschikken over

voldoende middelen van bestaan. De stelling van eiser dat referent na afloop van zijn contract bij Stichting Theater C recht heeft op een WW-uitkering maakt dit oordeel niet anders, aangezien niet met officiële documenten is

aangetoond dat referent voornoemde uitkering ook toegekend zal krijgen. Eventuele verstrekking van een WW-uitkering is derhalve een toekomstige onzekere gebeurtenis.

Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, van 9 augustus 1996 gaat niet op aangezien in dat geval uit een brief van de bedrijfsvereniging de duur en de hoogte van betreffende uitkering en

vervolguitkering is gebleken. Het enkele feit dat referent acteur is ontslaat hem niet van de verplichting om aan de middeleneis te voldoen. Ook het feit dat referent ten tijde van de aanvraag één week te kort kwam om aan het

duurzaamheidsvereiste te voldoen, is geen reden om van het toepasselijke beleid af te wijken. Evenmin wordt voldaan aan de voorwaarden van het uitzonderingsbeleid ten aanzien van het duurzaamheidsvereiste, aangezien referent in de

driejaarsperiode meer dan 26 weken werkloos is geweest.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan eiser in het bezit gesteld zou moeten worden van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

De weigering om eiser verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op respect voor het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens

en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Voor een verblijf in Nederland van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling in beginsel een der verblijfstitels genoemd in de artikelen 9 tot en met 10 Vw. Met het oog hierop pleegt een aanvraag om een mvv te worden

getoetst aan dezelfde criteria als die welke strekken tot het verkrijgen van een vergunning tot verblijf. Een mvv kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11 lid 5 Vw worden geweigerd op gronden aan het algemeen

belang ontleend.

6. Bij de toepassing van dit artikellid wordt het beleid gevoerd dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

Dit beleid is neergelegd in de Vc 1994.

7. Een van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het gevoerde beleid inzake de toelating van partners, neergelegd in hoofdstuk B1/3 Vc 1994, is dat degene bij wie verblijf wordt

beoogd duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw.

8. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan het bestaansminimum in de zin van de Algemene bijstandswet, dat wil zeggen ten minste het netto-normbedrag voor de desbetreffende

categorie echtparen/gezinnen.

9. Middelen van bestaan worden als duurzaam beschouwd indien deze voor een periode van nog ten minste een jaar beschikbaar zijn (Vc 1994 onder B1/3.2.3.4).

Inkomsten uit arbeid op basis van tijdelijke arbeidscontracten met een duur van korter dan een jaar kunnen als duurzaam worden aangemerkt

indien ten tijde van de aanvraag betrokkene reeds gedurende drie jaar onafgebroken (op basis van soortgelijke tijdelijke overeenkomsten) heeft gewerkt en deze inkomsten uit arbeid ten tijde van de aanvraag nog voor minimaal zes

maanden beschikbaar zijn.

10. In geschil is of eisers partner duurzaam beschikte over voldoende middelen van bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat niet wordt voldaan aan het vereiste van het duurzaam

beschikken over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft in zijn conclusie dat referent niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikte, onvoldoende acht geslagen op de omstandigheid dat in zijn geval sprake is

van een bestendig arbeidspatroon waarbij, zoals in de toneelsector niet ongebruikelijk, periodes van arbeid in loondienst telkens worden afgewisseld met tijdvakken waarin hij een WW-uitkering ontving. Deze omstandigheid alsmede het

gegeven dat referent ten tijde van het bestreden besluit de rechten had opgebouwd voor een loongerelateerde WW-uitkering voor de duur van drie jaar, maken dat verweerder niet kon volstaan met de enkele constatering dat dit

uitkeringsrecht een toekomstige onzekere gebeurtenis betreft, en derhalve buiten beschouwing dient te blijven.

11. In het licht van het voorgaande is het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

12. De conclusie is dan ook dan het beroep van eiser gegrond is. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 lid 1 Awb.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

14. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge:

tweehonderdenvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,- (zegge veertienhonderdentwintig gulden) te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2000, door mr. D. Radder, voorzitter, mr. W.J. van Bennekom en mr. H.P.M. Meskers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. de Man, griffier.

Afschrift verzonden op: 2 februari 2000

Conc:CM

Coll:

Bp:

D:B