Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5846

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-02-2000
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
AWB 99/4162 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetting voorwaardelijke in definitieve toevoeging; art. 31.3 Wet op de rechtsbijstand staat niet toe dat rekening wordt gehouden met een toename van draagkracht die niet in relatie staat tot de verleende rechtsbijstand.

Weigering omzetting voorwaardelijke in definitieve toevoeging voor rechtsbijstand i.v.m. echtscheidingsprocedure op de grond dat na beëindiging van de rechtsbijstand is gebleken dat sprake is van overschrijding van de vermogensgrens. De raad voor rechtsbijstand heeft het bestreden besluit doen steunen op art. 31.3 van de Wet op de rechtsbijstand (Wet) en daarbij rekening gehouden met het inkomen uit arbeid over maart 1998 bij X , presentiegeld van Y, partneralimentatie en kinderalimentatie. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 31 van de Wet betrekking heeft op die gevallen waarin de rechtsbijstand kan leiden tot een aanmerkelijke toename van de draagkracht, terwijl het bepaalde in art. 33.1.d van de Wet ziet op een toename van de draagkracht die niet in relatie staat tot de verleende rechtsbijstand.

Uit de stukken bleek dat eiseres in 1996 slechts inkomen genoot uit het lidmaatschap van Y, zodat met de andere inkomensbestanddelen bij de beslissing omtrent voorwaardelijke toevoeging geen rekening kon worden gehouden. Haar inkomen uit arbeid voor X kan, anders dan de partner- en kinderalimentatie, niet worden geacht in relatie te staan tot de verleende rechtsbijstand. De door de Raad gekozen wettelijke grondslag liet dus niet toe dat met dit inkomensbestanddeel rekening werd gehouden. Bestreden besluit genomen in strijd met de Wet.

Gegrond beroep.

De raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage, verweerder

mr. P.A. Koppen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Tweede kamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: AWB 99/4162 WRB

Inzake A, wonende te B, eiseres,

tegen de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage, verweerder,

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 19 maart 1999, verzonden op 29 maart 1999, kenmerk 982483.

2. Zitting

Datum: 13 januari 2000.

Eiseres is in persoon verschenen.

Verweerder werd vertegenwoordigd door M.A.H. de Pagter.

3. Feiten

Aan eiseres is op 28 november 1996 door het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand (het bureau) een voorwaardelijke toevoeging verstrekt als bedoeld in artikel 24 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) ten behoeve van rechtsbijstand door een advocaat in verband met een echtscheidingsprocedure. Bij besluit van 20 november 1998 heeft het bureau geweigerd deze om te zetten in een definitieve toevoeging, op de grond dat na beëindiging van de rechtsbijstand is gebleken dat de financiële draagkracht zodanig is dat deze de in artikel 34 van de Wrb genoemde bedragen overschrijdt.

Tegen dit besluit heeft eiseres op grond van artikel 45, eerste lid, van de Wrb administratief beroep ingesteld bij verweerder. Eiseres is gehoord.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de commissie bezwaar en beroep het beroep ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 7 mei 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

4. Motivering

In dit geding is tussen partijen in geschil of verweerder bij het bestreden besluit het door eiseres ingestelde beroep op goede gronden ongegrond heeft verklaard.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat de financiële draagkracht van eiseres in het inkomen op de datum waarop de echtscheiding is uitgesproken ƒ 4.090,- bedroeg, waarmee de relevante wettelijke grens van ¦ 3.655,- netto per maand is overschreden.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat niet relevant is hoeveel het inkomen gedurende de echtscheidingsprocedure bedroeg, maar dat de niet door haar gewenste of te beïnvloeden datum van de formele uitspraak bepalend is.

Artikel 31, derde lid, van de Wrb bepaalt, voor zover hier van belang, dat het bureau geen definitieve toevoeging afgeeft indien na beëindiging van de rechtsbijstand blijkt dat de financiële draagkracht van de verzoeker zodanig is toegenomen dat deze de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt.

Artikel 33, aanhef en onder d, van de Wrb bepaalt dat het bureau, anders dan op verlangen van de verzoeker, de toevoeging kan wijzigen, beëindigen of intrekken, indien de financiële draagkracht van de verzoeker voor de beëindiging van de rechtsbijstand aanzienlijk blijkt te zijn toegenomen.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 31 betrekking heeft op die gevallen waarin de rechtsbijstand kan leiden tot een aanmerkelijke toename van de draagkracht, terwijl het bepaalde in artikel 33, eerste lid, onder d, ziet op een toename van de draagkracht die niet in relatie staat tot de verleende rechtsbijstand (kamerstukken II 1992/93, 22 609, nr.6, p.41).

Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op artikel 31, derde lid, van de Wrb en daarbij rekening gehouden met het inkomen uit arbeid over maart 1998 bij "[…] B.V.", presentiegeld van de deelgemeenteraad […], partneralimentatie en kinderalimentatie.

Uit de stukken blijkt dat eiseres in 1996 slechts inkomen genoot uit het lidmaatschap van de deelgemeenteraad, zodat met de andere inkomensbestanddelen bij de beslissing omtrent voorwaardelijke toevoeging geen rekening gehouden kon worden. Haar inkomen uit de arbeid voor Artihove kan, anders dan de partner- en kinderalimentatie, niet worden geacht in relatie te staan tot de verleende rechtsbijstand. De door verweerder gekozen wettelijke grondslag liet dus niet toe dat met dit inkomensbestanddeel bij de beslissing over omzetting van de voorwaardelijke toevoeging alsnog rekening gehouden werd. In zoverre is het bestreden besluit derhalve genomen in strijd met de Wrb.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond verklaard te worden. Voor instandhouding van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit op grond van artikel 33, aanhef en onder d, van de Wrb bestaat reeds daarom geen ruimte, omdat de financiële draagkracht in het inkomen van eiseres eerst is toegenomen toen zij bij […] is gaan werken.

Niet is gebleken dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

5. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

gelast dat verweerder als rechtspersoon aan eiseres het door deze betaalde griffierecht, zijnde f 60,-, vergoedt.

6. Rechtsmiddel

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden:

Coll. :