Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5766

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2000
Datum publicatie
04-05-2000
Zaaknummer
AWB 99/11066
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2000-05-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken

________________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

________________________________________________________

Reg.nr.: AWB 99/11066 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiser, gemachtigde

mr. H.F.J.L. van Pelt, advocaat te Arnhem,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1961, bezit de Afghaanse nationaliteit.

Hij verblijft, volgens zijn verklaring, sedert 20 februari 1999 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 23 februari 1999 heeft hij te Zevenaar een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij

besluit van 7 juli 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Dit besluit is op 20 juli 1999 aan eiser uitgereikt. Eiser heeft

daartegen bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 17 augustus 1999, bij verweerder ingekomen op 18 augustus 1999. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij faxbericht van 9 september 1999.

Bij besluit van 10 september 1999 heeft verweerder het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. Dit besluit is op dezelfde datum verzonden naar de gemachtigde van eiser.

2. Tegen het besluit van 10 september 1999 heeft eiser bij beroepschrift van 23 september 1999 beroep ingesteld bij deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle.

3. Bij brief van 7 december 1999 is aan eiser meegedeeld dat zijn beroep zal worden behandeld door de Rechtseenheidskamer.

4. In het verweerschrift van 12 januari 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Bij brief van 31 januari 2000 heeft eiser meegedeeld niet te zullen repliceren. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om schriftelijk te dupliceren.

6. Het beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2000. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen onder de nummers AWB 99/11015 VRWET en AWB 99/11065 VRWET.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Eiser legt aan zijn aanvraag en het beroep primair ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling en subsidiair voor een vergunning tot verblijf zonder beperking wegens klemmende redenen van humanitaire

aard. Meer subsidiair stelt eiser in aanmerking te komen voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv).

Daartoe heeft eiser het volgende gesteld.

3. Eiser is moslim en hij behoort tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep.

Eiser is van 1976 tot de val van Najibullah lid geweest van de DVPA.

Eiser is van november/december 1985 tot september 1996 werkzaam geweest als politie-officier. Eiser heeft van 1985 tot 1992 gewerkt bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken (directie bouw) te Kabul. Na de komst

van de Mudjahedin heeft eiser anderhalve maand thuis gezeten. Vervolgens heeft eiser wederom gewerkt bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, hij heeft samengewerkt met de Mudjahedin. Eiser heeft

van december 1993/januari 1994 tot april/mei 1994 gevangen gezeten. Hij werd beschuldigd van deelname aan een staatsgreep en van samenwerking met de groep Hekmatyar, Dostam en Mazari. Eiser is ontsnapt met behulp van een bevriende

commandant van de Mudjahedin, genaamd Safi. Eiser is vervolgens in Najrab voor deze commandant gaan werken. Na 1994 heeft eiser geen problemen ondervonden van de Mudjahedin of de Taliban omdat hij onder bescherming stond van Safi.

In maart/april 1996 is eiser teruggekeerd naar Kabul. Hij is gaan werken voor het Ministerie van Defensie. Na de verovering van Kabul door de Taliban is eiser naar Paryat, dat bij Najrab behoord, gegaan omdat de Taliban meteen oude

leden van de partij heeft vermoord. Eiser heeft sinds 1996 in zijn levensonderhoud voorzien door de verkoop van opbrengsten van zijn land.

In 1997 heeft eiser samen met zijn vrouw een cursus georganiseerd voor een aantal kinderen. In 1997 heeft Safi Paryat overgegeven aan de Taliban, eiser is toen niet gevlucht. Eiser is op 7 november 1998, nadat Najrab voor de tweede

keer door de Taliban was veroverd, gevlucht naar een vriend. Van zijn schoonmoeder heeft eiser gehoord dat twee collega's/ medeleden van de DVPA door de Taliban zijn vermoord. Tevens heeft eiser via zijn vrouw, die het van een

cursist had gehoord, vernomen dat de Taliban van plan was om eiser te arresteren. Op 9 november 1998 heeft een huiszoeking plaatsgevonden. De vrouw van eiser is mishandeld. De spullen zijn in brand gestoken. De schoonvader van eiser

is opgepakt. Na zijn aankomst in Nederland heeft eiser gehoord dat zijn schoonvader gevangen is gezet.

Ter ondersteuning van zijn relaas heeft eiser een aantal documenten, zoals een identiteitskaart, bewijzen van zijn arbeidsverleden en schoolrapporten overgelegd. Eiser is van mening dat de door hem gestelde omstandigheden in

samenhang bezien een basis vormen voor gegronde vrees voor vervolging. Ten aanzien van de weigering van de vvtv stelt eiser zich op het standpunt dat het beleid in TBV 1998/30 in strijd is met het uitgangspunt van artikel 12b Vw en

daarmee in strijd is met de wet. Door enkel te kijken naar de duur van het verblijf in het derde land en eraan voorbij te gaan of wedertoelating tot het derde land gewaarborgd is, handelt verweerder in strijd met het doel van

artikel 12b Vw. De mogelijkheid van niet-toelaten tot het derde land impliceert volgens eiser dat hij moet terugkeren naar Afghanistan. Dat houdt het risico in dat eiser in een mensonwaardige situatie terechtkomt. In de visie van

eiser is elke contra-indicatie vatbaar voor een contra-indicatie. Het komt dan ook aan op een beoordeling door verweerder van alle aanwijzingen tezamen. Verweerder wil ten onrechte niet tot die uiteindelijke beoordeling overgaan.

Eiser is van oordeel dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord naar aanleiding van zijn bezwaarschrift.

4. Verweerder heeft primair gesteld dat eiser geen reisbescheiden heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn reisroute. Daarnaast wekt het volgens verweerder bevreemding dat eiser, ondanks de opleidingen die hij heeft genoten, zich

tijdens een groot gedeelte van de reis er niet van vergewiste waar hij zich zou bevinden. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten hem niet is toe te rekenen, is de oprechtheid van het relaas op

voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, voorzover eiser in zijn verklaringen moet worden gevolgd, het relaas onvoldoende

zwaarwegend is voor een gegrond beroep op vluchtelingschap. Daartoe heeft verweerder gesteld dat de enkele omstandigheid dat eiser behoort tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep op zichzelf niet leidt tot vluchtelingschap. Ten aanzien

van het gestelde DVPA-lidmaatschap heeft verweerder onder meer verwezen naar het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 november 1998, waarin is weergegeven dat DVPA-leden die thans geen

`anti-islamitisch' gedrag tentoonspreiden, in beginsel niets te vrezen hebben van de zijde van de Taliban. Niet is gebleken dat eiser in de negatieve aandacht zou staan van de Taliban. In dit kader heeft verweerder onder meer

gewezen op de activiteiten die eiser als DVPA-lid heeft uitgevoerd, op eisers verklaring dat hij nimmer problemen heeft ondervonden vanwege zijn DVPA-lidmaatschap en op de omstandigheid dat eiser, na een gevangenhouding van enkele

maanden in 1994, zijn werkzaamheden bij de overheid heeft kunnen hervatten. Overigens twijfelt verweerder aan de gestelde detentie en, voorzover al waarde aan de gestelde detentie moet worden gehecht, is deze gebeurtenis voor eiser

geen aanleiding geweest om zijn land van herkomst te verlaten. Ten aanzien van de gestelde vrees voor vervolging vanwege eisers functie tijdens het communistisch regime heeft verweerder overwogen dat de werkzaamheden een civiele

aard hadden en dat uit het hiervoor genoemde ambtsbericht blijkt dat officieren geen risicogroep vormen enkel op grond van het feit dat zij in het communistisch leger gediend hebben. De verklaringen over de dood van twee collega's

is louter gebaseerd op verklaringen van eisers schoonmoeder. Voorzover de collega's zouden zijn gedood, is niet gebleken dat de dood het gevolg is geweest van hun voormalig lidmaatschap van de DVPA. Voorzover waarde moet worden

toegekend aan de verklaringen van eiser dat hij gezocht wordt door de Taliban vanwege het geven van cursussen - eiser heeft hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd -, valt niet in te zien dat eiser in verband met het vinden

van cursusmateriaal door de Taliban vervolging zou hebben te vrezen. De angst voor de Taliban geeft geen aanleiding om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Eiser heeft in de eerste overgave van Paryat door Safi aan de

Taliban geen aanleiding gezien om zijn dorp of het land te verlaten, hetgeen niet duidt op vrees voor vervolging van de zijde van de Taliban. De stelling van eiser dat hij, als bekend persoon in Najrab, in de negatieve aandacht van

de Taliban staat, wordt niet gevolgd omdat, gezien de band tussen Safi en eiser, geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat eiser anti-islamitisch gedrag verweten zal worden. Er bestaat geen aanleiding om eiser in het bezit

te stellen van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

Evenmin kan eiser, vanwege een verblijf van vijftien dagen in Tadzjikistan, aanspraak maken op verlening van een vvtv.

Ter zitting heeft verweerder opgemerkt dat het ontbreken van documenten is tegengeworpen, maar dat artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw (Wijziging van de Vreemdelingenwet (ongedocumenteerden) in werking getreden op 1

februari 1999) niet is toegepast. Onder artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw wordt een asielaanvraag niet zonder meer als kennelijk ongegrond afgewezen. Het artikellid wordt uitsluitend toegepast na een inhoudelijke

beoordeling van de asielaanvraag. In die zin verschilt een beoordeling van een asielaanvraag onder artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw niet van een beoordeling onder artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw. In deze

zaak is artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, toegepast en is het ontbreken van de documenten een bijkomend argument voor de ongeloofwaardigheid van het relaas.

Er is terecht afgezien van horen.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 7:2 Awb stelt een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het op het bezwaarschrift beslist. In artikel 32, tweede lid, Vw is een uitzondering op artikel 7:2 Awb opgenomen. De

uitzonderingssituatie van artikel 32, tweede lid, Vw doet zich in deze zaak echter niet voor nu verweerder niet heeft bepaald dat eiser de behandeling van zijn bezwaarschrift niet in

Nederland mag afwachten. Als gevolg daarvan is thans de vraag aan de orde of verweerder het bezwaar op goede gronden kennelijk ongegrond heeft verklaard en op grond van artikel 7:3 Awb heeft kunnen afzien van het horen van eiser.

6. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift. De rechtbank wijst daarbij op het volgende.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat geen sprake van evidente ongeloofwaardigheid. Gelet op het consistente en voldoende concrete relaas en gelet op het feit dat eiser wel documenten heeft overgelegd om zijn asielrelaas

te ondersteunen, is de rechtbank van oordeel dat de geloofwaardigheid van het relaas in dit geval (ook) niet reeds op voorhand is aangetast door het ontbreken van documenten inzake de reisroute. Het lag op de weg van verweerder om

eiser te horen, nu eiser verweerders argumenten om hem als ongedocumenteerde te beschouwen, gemotiveerd heeft betwist.

In de tweede plaats blijkt uit het relaas dat eiser Tadzjiek is, lid is geweest van de DVPA en een functie bij de politie heeft gehad onder de vorige regimes. Verweerder heeft in de beschikking in eerste aanleg deze omstandigheden

afzonderlijk beschouwd in zijn overwegingen. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift echter terecht gesteld dat een oordeel gevormd moet worden op basis van de samenhang van deze omstandigheden.

In de derde plaats is in de bestreden beschikking - kort gezegd - overwogen dat eiser geen beroep op vluchtelingschap kan doen omdat hij bij de (eerste) inname van het dorp Paryat niet is gevlucht. Voorts is in die beschikking door

verweerder gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve aandacht van de Taliban staat. Verweerder overweegt onder meer dat hij geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat eiser een anti-islamitische houding wordt

toegedicht. Verweerder motiveert dat door te wijzen op de band van eiser met Safi. Echter, naar het oordeel van de rechtbank had verweerder, voordat hij deze omstandigheden veronderstellenderwijs in zijn overwegingen kon betrekken,

eiser in de gelegenheid moeten stellen om zijn visie op verweerders interpretatie van de omstandigheden naar voren te brengen.

Niet is uitgesloten dat het horen van eiser meer - en/of een ander - inzicht had kunnen geven op bijvoorbeeld de gang van zaken voor, tijdens en na de (eerste) inname van eisers dorp en op de relatie die bestaat tussen eiser en

Safi.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte afgezien van horen.

7. Gelet op de stukken en op het verhandelde ter zitting, merkt de rechtbank inzake de weigering van de vvtv het volgende op.

8. Ingevolge artikel 12b Vw, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit, kan verweerder een vvtv verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar het

oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

9. De rechtbank overweegt dat de wetgever blijkens de tekst van artikel 12b Vw aan verweerder beoordelingsvrijheid heeft gelaten ten aanzien van de beantwoording van de vraag of gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van

bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Uit de tekst van dit artikel blijkt voorts dat de wetgever verweerder - bij een positieve beantwoording van voornoemde vraag - de

beleidsvrijheid heeft toegekend al dan niet een vvtv te verlenen.

10. Ten aanzien van de beoordelings- en beleidsvrijheid heeft de toenmalige staatssecretaris in een brief van 18 december 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK 1997-1998, 19 637, nr. 308) aangegeven welke indicatoren hij

betrekt bij zijn besluitvorming omtrent het voeren van een vvtv-beleid. In genoemde brief is onder meer aangegeven dat artikel 12b Vw de staatssecretaris ruimte geeft om bepaalde personen

tijdelijk te beschermen tegen uit humanitair oogpunt onverantwoorde risico's. Voorts is in deze brief aangegeven dat een vvtv op basis van individuele omstandigheden kan worden geweigerd. De staatssecretaris wijst in dit verband

onder meer op de parlementaire geschiedenis, waarin wordt aangegeven dat de beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst cruciaal, maar niet doorslaggevend is. In de persoon of de achtergrond van de vreemdeling

kunnen duidelijke kenmerken zijn gelegen waardoor vrijwel is uit te sluiten dat uitzetting humanitaire risico's met zich brengt. Een factor die bij deze beslissing een rol kan spelen, is de duur van het verblijf buiten het land van

herkomst.

11. Verweerder heeft aanleiding gezien om de hiervoor genoemde `in de persoon van de vreemdeling gelegen redenen' in een beleidsregel neer te leggen. Bij brief van 20 november 1998 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK

1998-1999, 19 637, nr. 395) heeft verweerder beleidsvoornemens bekendgemaakt. Deze zijn op 16 december 1998 met de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer besproken. Vervolgens heeft verweerder in TBV 1998/30 van 21

december 1998, op dezelfde dag gepubliceerd in de Staatscourant en in juli 1999 ongewijzigd opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 1994 B7/15.4.1., het volgende vastgesteld:

"In de Memorie van Antwoord (22 735, blz. 9-11) is aangegeven dat de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten het land van herkomst een factor is die wordt meegewogen bij de beoordeling van de vraag of een vvtv wordt

verleend. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 november 1998 is aangegeven dat vreemdelingen, die voor hun komst naar Nederland in een ander land dan het land van herkomst hebben verbleven, bij terugkeer naar het land van eerder

verblijf niet de risico's lopen, die wel zouden bestaan bij terugkeer naar het land van herkomst. Dit leidt tot de volgende contra-indicatie.

Indien een asielzoeker, afkomstig uit een land waarheen om beleidsmatige redenen niet wordt verwijderd, voorafgaand aan de komst naar Nederland in een ander (derde) land heeft verbleven, wordt aan hem geen voorwaardelijke vergunning

tot verblijf verleend.

Deze contra-indicatie wordt toegepast indien de vreemdeling langer dan twee weken in het derde land heeft verbleven, ongeacht zijn intentie om (uiteindelijk) naar Nederland te reizen. Bij het stellen van deze termijn is aansluiting

gezocht bij het zogenoemde doorreiscriterium.

Bij de toepassing van deze contra-indicatie is het niet van belang of de Nederlandse overheid de verzekering heeft dat de vreemdeling opnieuw zal worden toegelaten tot het derde land. Op de vreemdeling rust de rechtsplicht om

Nederland te verlaten. (...)"

12. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beleid zoals verwoord in TBV 1998/30 volstrekt in overeenstemming is met de gedachte dat de vvtv slechts een aanvullende functie heeft. Slechts indien

de asielzoeker geen andere mogelijkheden had de facto bescherming te verkrijgen tegen de in zijn land van herkomst heersende onveiligheid -die heeft geleid tot het in het leven roepen van een vvtv-beleid-, komt een asielzoeker in

beginsel voor een vvtv in aanmerking.

13. Voorts heeft verweerder, daarnaar gevraagd, in de brief van 8 februari 2000, aan de rechtbank - zakelijk weergegeven - het volgende meegedeeld. Naar het oordeel van verweerder heeft de wetgever met de in artikel 12b Vw vervatte

beleidsvrijheid beoogd dat verweerder kan reageren op actuele en/of onvoorziene ontwikkelingen. Een van die ontwikkelingen is dat vvtv-gerechtigde asielzoekers die in een aantal derde landen bescherming tegen de in hun land

heersende onveiligheid (hadden) kunnen verkrijgen (en die dat gezien hun verblijf van minimaal twee weken ook daadwerkelijk hebben verkregen) toch in grote getale - om doorgaans economische redenen - besluiten naar Nederland te

reizen. Voor

die situatie is het vvtv-instrument niet in het leven geroepen. Het is, volgens verweerder, in overeenstemming met de geest en strekking van artikel 12b Vw om vreemdelingen in dergelijke gevallen een vvtv te weigeren.

Bij het tegenwerpen van de contra-indicatie gaat het om de vraag of de vreemdeling in het derde land een verblijfsalternatief heeft gehad.

Daarbij gaat het dus om het verleden en niet om de toekomst. De contra-indicatie wordt tegengeworpen als de vreemdeling (de facto) bescherming tegen een uitzetting naar zijn land van herkomst had kunnen genieten. Slechts als een

vreemdeling aannemelijk kan maken dat voor hem in het derde land een humanitaire noodsituatie bestond, zal verblijf in het derde land niet worden tegengeworpen. Terzake van de termijn van het verblijf in het derde land wordt in

beginsel geen rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Bij de toepassing van de contra-indicatie speelt de wedertoelating tot het derde land geen rol.

Ter zitting is dit laatste zo uitgelegd dat ook indien in een individueel geval zou blijken dat terugkeer naar het derde land feitelijk niet (meer) mogelijk is, geen nieuwe situatie ontstaat in die zin dat dan alsnog een vvtv wordt

verleend. De vreemdeling had de facto bescherming (kunnen genieten). De vreemdeling had geen asielrechtelijke reden om naar Nederland te komen. De gevolgen van zijn keuze om vanuit het derde land naar Nederland te reizen, dienen

voor zijn rekening en risico te komen.

14. De rechtbank overweegt het navolgende.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan en dan met name of verweerder bij de invulling van het beleid zoals hierboven omschreven binnen de grenzen van een redelijke beleidstoepassing is

gebleven. In dit kader moet worden bezien of de voor de belanghebbende nadelige gevolgen die uit deze beleidsregel voortvloeien niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (art. 3:4, tweede lid,

Awb jo. art. 1:3, vierde lid, Awb).

15. De rechtbank is van oordeel dat het door verweerder met TBV 1998/30 nagestreefde doel niet kennelijk onredelijk is te achten in zoverre verweerder zich (meer) ruimte wil verschaffen om die vreemdelingen, die afkomstig zijn uit

een land ten aanzien waarvan verweerder een vvtv-beleid voert - en die niet als vluchteling kunnen worden erkend en toegelaten dan wel in het bezit kunnen worden gesteld van een vergunning tot verblijf wegens een dreigende schending

van artikel 3 EVRM - geen toelating te verlenen indien zij niet rechtstreeks naar Nederland zijn gekomen.

16. Met dit oordeel staat, mede gelet op het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, Awb, evenwel niet zonder meer vast dat de in TBV 1998/30 neergelegde beleidsregel aan dat doel evenredig is. De rechtbank komt - marginaal toetsend -

tot het oordeel dat, gezien de (concrete) invulling van de beleidsregel, van onevenredigheid sprake is. Daartoe is het volgende redengevend.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever met de invoering van de Wet van 23 december 1993 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en van het Wetboek van Strafrecht beoogd om de rechtspositie van bepaalde niet

verwijderbare vreemdelingen, die geen zelfstandige gronden voor onvoorwaardelijke toelating konden aanvoeren, waar mogelijk te versterken, en aan hen in beginsel een verblijfsrecht te verlenen. Met het creëren van de vvtv heeft de

wetgever willen voorzien in situaties waarin (al dan niet asielzoekende) vreemdelingen die niet tot Nederland kunnen worden toegelaten, maar die evenmin op beleidsmatige gronden verwijderd worden naar hun land van herkomst, niet

(meer) `titelloos' worden gedoogd en in beginsel in het bezit worden gesteld van een vvtv.

18. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is - in dit kader - voorts meerdere malen aandacht besteed aan de positie van de asielzoeker, die onderdaan is van een `gedoogdenland', en niet

rechtstreeks vanuit dat land naar Nederland is gevlucht, maar eerst in een (ander) land van eerste opvang heeft verbleven. De regering heeft meerdere malen aangegeven dat wanneer een asielzoeker direct voor zijn komst naar Nederland

langdurig in een derde land heeft verbleven, altijd wordt nagegaan of wedertoelating tot dat land technisch en/of beleidsmatig mogelijk is en dat toelating hier te lande wordt geweigerd indien wedertoelating in het derde land

gewaarborgd is (verwezen wordt naar: TK 1992-1993, 22 735, nr. 5 blz. 9 en Algemene beraadslagingen Tweede Kamer op 2 september 1993, TK 89-6661). De rechtbank leidt hieruit af dat de wetgever inzake het al dan niet verlenen van een

vvtv rekening heeft willen houden met een mogelijk verblijfsalternatief in een ander land en begrijpt deze uitlatingen voorts als een onderstreping van het belang dat wordt nagegaan of een verondersteld aanwezig verblijfsalternatief

in concreto (nog steeds) beschikbaar is voordat op basis daarvan aan de vreemdeling een vvtv kan worden onthouden.

19. Weliswaar heeft de wetgever - zoals ook namens verweerder in de brief van 8 februari 2000 en tevens ter zitting is benadrukt - verweerder een ruime beoordelings- en beleidsvrijheid gegeven, doch dit laat naar het oordeel van de

rechtbank onverlet dat aan de hiervoor genoemde aard en strekking van het vvtv-beleid alsmede aan de in r.o. 18 aangehaalde uitlatingen in het parlementaire debat een richtinggevende betekenis niet kan worden ontzegd. De rechtbank

is van oordeel dat, ondanks het feit dat in TBV 1998/30 wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde passage in de Memorie van Antwoord, in de kenbare afweging die tot de in TBV 1998/30 neergelegde beleidsregel heeft geleid en de

invulling daarvan ten aanzien van de duur van het verblijf in het derde land en de wedertoelating tot dat land, deze richtinggevende betekenis onvoldoende is terug te vinden.

20. Ook overigens is niet gebleken van een zorgvuldige, van evenredigheid getuigende belangenafweging.

In de eerste plaats overweegt de rechtbank daartoe dat, blijkens de beleidsregel en de daarop gegeven toelichting, een verblijf van langer dan twee weken in een derde land volgens verweerder voldoende is om het de facto verblijf als

een `verblijfsalternatief' aan te merken en tegen te werpen, terwijl ten aanzien van dit verblijfsalternatief in de visie van verweerder geen rekening wordt gehouden of behoeft te worden gehouden met de aard en aanleiding van het

verblijf, de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling en/of de omstandigheden waaronder hij in het land van eerder verblijf heeft verbleven. Door deze invulling van het begrip `verblijfsalternatief' - waarbij verweerder enkel

oog heeft voor het verleden - roept verweerder een abstractie in het leven ten gevolge waarvan onderzoek naar de vraag of de facto sprake is van een verblijfsalternatief achterwege blijft. Mede in het licht van de ratio van het

vvtv-beleid heeft verweerder, door feitelijk (slechts) de duur van het verblijf in het derde land van doorslaggevend belang te achten, met de beleidskeuze onvoldoende blijk gegeven van een zorgvuldige weging van de betrokken

belangen van de vreemdelingen in verhouding tot het door verweerder nagestreefde doel. De rechtbank wijst er op dat het zeer wel denkbaar is dat enerzijds ook bij een voorafgaand verblijf in een derde land van (korter dan) twee

weken van een aan de vreemdeling tegen te werpen verblijfsalternatief kan worden gesproken, terwijl het anderzijds niet steeds op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat bij een verblijf van langer dan twee weken - nog ongeacht

de vraag of zijn wedertoelating is gewaarborgd - toch niet van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij naar dat land terugkeert. Voorts heeft verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij in TBV 1998/30 alleen ten aanzien

van de periode van verblijf in het derde land aansluiting bij het doorreiscriterium heeft gezocht. De rechtbank merkt in dit verband

overigens nog op dat `het hebben van een verblijfsalternatief' - zoals de contra-indicatie uitdrukkelijk is genoemd in het beleidsvoornemen, te weten de brief van 20 november 1998 - kennelijk is veranderd in een `gehad hebben van

een verblijfsalternatief'. Eveneens terzijde zij opgemerkt dat de strekking van TBV 1998/30 in inhoudelijk opzicht in vergaande mate afwijkt van -en veel restrictiever is dan- het beleidsvoornemen zoals dat in de brief van 20

november 1998 is neergelegd en op 16 december 1998 in de Tweede Kamer is gepresenteerd.

Dit laatste staat naar het oordeel van de rechtbank op gespannen voet met de in de brief van 8 februari 2000 namens verweerder betrokken stelling dat de in de brief van 20 november 1998 uiteengezette gedachtegang in TBV 1998/30 `als

het ware wordt geëxpliciteerd'.

21. In de tweede plaats overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens het standpunt van verweerder speelt wedertoelating tot het derde land (in het geheel) geen rol. Aan verweerder kan worden toegegeven dat wanneer een aanvraag om

toelating niet is ingewilligd, op een vreemdeling ingevolge artikel 15d, tweede lid, Vw de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Door echter de vraag naar de wedertoelating noch de eventuele gevolgen van een

niet-mogelijk-gebleken terugkeer naar het derde land binnen het beoordelingskader een rol te laten spelen, gaat verweerder onder meer volstrekt voorbij aan de omstandigheid dat op het land van eerder verblijf in beginsel geen

(volkenrechtelijke) rechtsplicht rust om een niet-onderdaan terug te nemen. Door hiermee op geen enkele wijze rekening te houden en de gevolgen zonder voorbehoud in de risicosfeer van de vreemdeling te laten, kan het beleid evenmin

op dit punt de toets der redelijkheid doorstaan.

22. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het beleid, als verwoord in TBV 1998/30, heeft kunnen vaststellen. Als gevolg daarvan mist de bestreden beschikking haar grondslag.

23. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond.

De bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

24. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten

bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 10 februari 2000; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is

verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

25. De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiser het betaalde griffierecht ad f 50,- dient te vergoeden.

III. BESLISSING:

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 10 september 1999;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 50,-.

Aldus gedaan door mrs. A.C.J. van Dooijeweert, A.H. Schotman en W.J. van Bennekom en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2000 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M. Dorgelo.

griffier voorzitter

afschrift verzonden op: 4 mei 2000