Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5727

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2000
Datum publicatie
04-05-2000
Zaaknummer
AWB 99/11065 VRWET
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2000-05-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/172 met annotatie van FV-dJ
JV 2000/117 met annotatie van BPV en K.M. Zwaan, o.i.o. van het Centrum voor Migratierecht
AB 2000, 472

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken

________________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

________________________________________________________

Reg.nr.: AWB 99/11065 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiseres, gemachtigde

mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1962, bezit de Afghaanse nationaliteit.

Zij verblijft, volgens haar verklaring, sedert 1 maart 1999 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 1 maart 1999 heeft zij te Schiphol een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Deze

aanvraag is mede ingediend namens haar twee minderjarige kinderen C, geboren in 1991 en D, geboren op [...] 1993. Bij besluit van 7 juli 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan

ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Dit besluit is op 22 juli 1999 aan eiseres uitgereikt. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 13 augustus 1999. De gronden van 10 september 1999 zijn

ingediend bij faxbericht van 14 september 1999.

Bij besluit van 14 september 1999 heeft verweerder het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. Dit besluit is op

dezelfde datum verzonden naar de gemachtigde van eiseres.

2. Tegen het besluit van 14 september 1999 heeft eiseres bij beroepschrift van 15 september 1999 beroep ingesteld bij deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 22 september

1999.

3. Bij brief van 7 december 1999 is aan eiseres meegedeeld dat haar beroep zal worden behandeld door de Rechtseenheidskamer.

4. In het verweerschrift van 12 januari 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Bij brief van 28 januari 2000 heeft eiseres gerepliceerd. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om schriftelijk te dupliceren.

6. Bij brief van 28 januari 2000 heeft de rechtbank verweerder vragen ten aanzien van het beleid voorgelegd. Deze vragen zijn bij brief van

8 februari 2000 beantwoord.

7. Het beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2000. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen onder de nummers AWB 99/11015 VRWET en AWB 99/11066 VRWET.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Eiseres legt aan haar aanvraag en het beroep primair ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling en subsidiair voor een vergunning tot verblijf zonder beperking wegens klemmende redenen van humanitaire

aard. Meer subsidiair stelt eiseres in aanmerking te komen voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (hierna vvtv).

Daartoe heeft eiseres het volgende gesteld.

3. Eiseres behoort tot de Pashtu bevolkingsgroep en zij is moslim.

Eiseres is van 1978 tot 1992 werkzaam geweest als administratief medewerkster bij het Ministerie van Grondverdeling. Zij was belast met het archiveren en verspreiden van brieven. Eiseres was geen lid of sympathisant van een

politieke of religieuze organisatie maar bezocht soms wel bijeenkomsten van een vrouwenorganisatie. Tijdens het bewind van de Mudjahedin is eiseres door de Mudjahedin in elkaar geslagen. Haar broer werd enkele malen gearresteerd.

Eiseres is gehuwd. Haar echtgenoot was tot 1992 werkzaam bij het Ministerie van Justitie als openbaar aanklager te Kabul. In 1993 zijn eiseres en haar echtgenoot verhuisd van Kabul naar Kandahar. De echtgenoot van eiseres is op 19

oktober 1998 gearresteerd door twee leden van de Taliban. Eiseres weet niet waarom haar echtgenoot is meegenomen. Hij had niet eerder problemen gehad. Na de arrestatie van haar man is eiseres op een dag van een winkel naar huis

gevolgd door de Taliban. Eiseres was bang dat zij, vanwege haar opleiding en haar werkzaamheden voor het oude regime, zelf ook gearresteerd zou worden. Op advies van haar zwager is eiseres op 6/7 februari 1999 gevlucht. Eiseres

heeft voor haar komst naar Nederland achttien (met de reis inbegrepen:

twintig) dagen in Pakistan verbleven.

Eiseres is van mening dat het voor een alleenstaande vrouw onmogelijk is om in Afghanistan te leven. Voorts is zij van mening dat haar korte verblijf in Pakistan geen reden kan zijn om haar een vvtv te onthouden.

Zij heeft aldaar op doorreis in het huis van een reisagent verbleven en heeft in Pakistan geen verblijfsalternatief: zij heeft niemand in Pakistan en kan zich daar als alleenstaande vrouw niet handhaven.

Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van het (Britse) House of Lords van 25 maart 1999 (gepubliceerd in NAV 1999, 162). Verweerder heeft naar de mening van eiseres geen rekening gehouden met de veiligheidssituatie en de

levensomstandigheden in Pakistan. Evenmin heeft verweerder rekening gehouden met de vraag of eiseres in Pakistan wordt toegelaten, hetgeen eiseres in strijd met de wetsgeschiedenis acht.

4. Verweerder heeft in de eerste plaats overwogen dat door eiseres geen documenten zijn overgelegd ten aanzien van haar reisroute. Evenmin zijn documenten ten aanzien van haar identiteit overgelegd, terwijl niet is gebleken dat

eiseres haar land van herkomst in een zeer acute situatie heeft verlaten. Voorzover eiseres in haar verklaringen moet worden gevolgd, stelt verweerder zich op het standpunt dat de door eiseres aangevoerde asielmotieven ontoereikend

zijn voor toelating als vluchteling. Daartoe stelt verweerder dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres in verband met de arrestatie van haar man bovenmatig in de negatieve aandacht van de Taliban heeft gestaan. Eiseres heeft na

de arrestatie van haar man op hetzelfde adres verbleven en heeft nimmer persoonlijk problemen ondervonden. Voorts is niet gebleken dat eiseres vanwege haar opleiding problemen heeft ondervonden. Evenmin kan uit haar

werkzaamheden tijdens het regime van Najibullah worden afgeleid dat eiseres een belangrijk medewerkster is geweest en op grond van deze functie vervolging heeft te vrezen. De stelling in het bezwaarschrift dat eiseres als

alleenstaande vrouw geen leven heeft in Afghanistan, geeft geen reden om anders te oordelen. Niet is gebleken dat eiseres persoonlijk in de belangstelling zou staan van welke machtsfactor dan ook in Afghanistan. Er bestaat geen

aanleiding om eiseres in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Vanwege het verblijf van achttien (dan wel twintig) dagen in Pakistan kan eiseres evenmin aanspraak maken op verlening van een vvtv.

5. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van Vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig

zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, nationaliteit of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

6. De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit, en het daaraan ten grondslag liggende besluit in primo, gemotiveerd op het vluchtrelaas van eiseres is ingegaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van deze

motivering terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vluchteling is en dat zij mitsdien niet als zodanig kan worden toegelaten. Hetgeen in het aanvullend beroepschrift, nader toegelicht ter

zitting, door eiseres is gesteld, heeft de rechtbank niet tot de overtuiging kunnen brengen dat verweerder een onjuiste beslissing heeft genomen. Naast hetgeen verweerder reeds heeft overwogen, betrekt de rechtbank daartoe mede in

haar oordeel dat de echtgenoot van eiseres in Kandahar - zijnde het historische machtscentrum van de Taliban - is gebleven ook nadat de Taliban hun macht in Afghanistan hadden gevestigd, en dat hij, voordat hij werd meegenomen,

aldaar jarenlang heeft gewoond zonder enig probleem van betekenis te ondervinden. Dit duidt er niet op dat de echtgenoot van eiseres vanwege zijn werk als openbaar aanklager tijdens het bewind van Najibullah, had te vrezen voor de

Taliban en in hun negatieve aandacht is komen te staan. Nu eiseres voorts, ook nadat haar man was meegenomen, geen problemen van betekenis van de zijde van de Taliban heeft ondervonden, is niet aannemelijk geworden dat zij, als

gevolg van de functie van haar echtgenoot, in de negatieve aandacht van de Taliban is komen te staan.

7. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het

beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende

uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

8. Gesteld noch gebleken is dat in dit geval sprake is van een met de toelating van eiseres gediend wezenlijk Nederlands belang.

9. Ingevolge vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens dient de rechter, indien een beroep wordt gedaan op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele

vrijheden (EVRM), te beoordelen of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat zich bij terugkeer naar Afghanistan ten aanzien van eiseres een reëel risico voordoet van schending van artikel 3 EVRM.

10. Niet is gebleken dat eiseres anderszins aan het door verweerder

gevoerde toelatingsbeleid aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf kon ontlenen.

11. Ook overigens is er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

12. Vervolgens is de vraag aan de orde of eiseres ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aanspraak had op verlening van een vvtv.

13. Ingevolge artikel 12b Vw, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit, kan verweerder een vvtv verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar het

oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

14. De rechtbank overweegt dat de wetgever blijkens de tekst van artikel 12b Vw aan verweerder beoordelingsvrijheid heeft gelaten ten aanzien van de beantwoording van de vraag of gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van

bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Uit de tekst van dit artikel blijkt voorts dat de wetgever verweerder -bij een positieve beantwoording van voornoemde vraag- de

beleidsvrijheid heeft toegekend al dan niet een vvtv te verlenen.

15. Ten aanzien van de beoordelings- en beleidsvrijheid heeft de toenmalige staatssecretaris in een brief van 18 december 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK 1997-1998, 19 637, nr. 308) aangegeven welke indicatoren hij

betrekt bij zijn besluitvorming omtrent het voeren van een vvtv-beleid. In genoemde brief is onder meer aangegeven dat artikel 12b Vw de staatssecretaris ruimte geeft om bepaalde personen tijdelijk te beschermen tegen uit humanitair

oogpunt onverantwoorde risico's. Voorts is in deze brief aangegeven dat een vvtv op basis van individuele omstandigheden kan worden geweigerd. De staatssecretaris wijst in dit verband onder meer op de parlementaire geschiedenis,

waarin wordt aangegeven dat de beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst cruciaal, maar niet doorslaggevend is. In de persoon of de achtergrond van de vreemdeling kunnen duidelijke kenmerken zijn gelegen waardoor

vrijwel is uit te sluiten dat uitzetting humanitaire risico's met zich brengt. Een factor die bij deze beslissing een rol kan spelen, is de duur van het verblijf buiten het land van herkomst.

16. Verweerder heeft aanleiding gezien om de hiervoor genoemde `in de persoon van de vreemdeling gelegen redenen' in een beleidsregel neer te leggen. Bij brief van 20 november 1998 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK

1998-1999, 19 637, nr. 395) heeft verweerder beleidsvoornemens bekendgemaakt. Deze zijn op 16 december 1998 met de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer besproken. Vervolgens heeft verweerder in TBV 1998/30 van 21

december 1998, op dezelfde dag gepubliceerd in de Staatscourant en in juli 1999 ongewijzigd opgenomen in de Vc 1994 B7/15.4.1., het volgende vastgesteld:

"In de Memorie van Antwoord (22 735, blz. 9-11) is aangegeven dat de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten het land van herkomst een factor is die wordt meegewogen bij de beoordeling van de vraag of een vvtv wordt

verleend. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 november 1998 is aangegeven dat vreemdelingen, die voor hun komst naar Nederland in een ander land dan het land van herkomst hebben verbleven, bij terugkeer naar het land van eerder

verblijf niet de risico's lopen, die wel zouden bestaan bij terugkeer naar het land van herkomst. Dit leidt tot de volgende contra-indicatie.

Indien een asielzoeker, afkomstig uit een land waarheen om beleidsmatige redenen niet wordt verwijderd, voorafgaand aan de komst naar Nederland in een ander (derde) land heeft verbleven, wordt aan hem geen voorwaardelijke vergunning

tot verblijf verleend.

Deze contra-indicatie wordt toegepast indien de vreemdeling langer dan twee weken in het derde land heeft verbleven, ongeacht zijn intentie om (uiteindelijk) naar Nederland te reizen. Bij het stellen van deze termijn is aansluiting

gezocht bij het zogenoemde doorreiscriterium.

Bij de toepassing van deze contra-indicatie is het niet van belang of de Nederlandse overheid de verzekering heeft dat de vreemdeling opnieuw zal worden toegelaten tot het derde land. Op de vreemdeling rust de rechtsplicht om

Nederland te verlaten. (...)"

17. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beleid zoals verwoord in TBV 1998/30 volstrekt in overeenstemming is met de gedachte dat de vvtv slechts een aanvullende functie heeft. Slechts indien

de asielzoeker geen andere mogelijkheden had de facto bescherming te verkrijgen tegen de in zijn land van herkomst heersende onveiligheid -die heeft geleid tot het in het leven roepen van een vvtv-beleid-, komt een asielzoeker in

beginsel voor een vvtv in aanmerking.

18. Voorts heeft verweerder, daarnaar gevraagd, in de brief van 8 februari 2000, aan de rechtbank - zakelijk weergegeven - het volgende meegedeeld. Naar het oordeel van verweerder heeft de wetgever met de in artikel 12b Vw vervatte

beleidsvrijheid beoogd dat verweerder kan reageren op actuele en/of onvoorziene ontwikkelingen. Een van die ontwikkelingen is dat vvtv-gerechtigde asielzoekers die in een aantal derde landen bescherming tegen de in hun land

heersende onveiligheid (hadden) kunnen verkrijgen (en die dat gezien hun verblijf van minimaal twee weken ook daadwerkelijk hebben verkregen) toch in grote getale - om doorgaans economische redenen - besluiten naar Nederland te

reizen. Voor die situatie is het vvtv-instrument niet in het leven geroepen. Het is, volgens verweerder, in overeenstemming met de geest en strekking van artikel 12b Vw om vreemdelingen in dergelijke gevallen een vvtv te weigeren.

Bij het tegenwerpen van de contra-indicatie gaat het om de vraag of de vreemdeling in het derde land een verblijfsalternatief heeft gehad.

Daarbij gaat het dus om het verleden en niet om de toekomst. De contra- indicatie wordt tegengeworpen als de vreemdeling (de facto) bescherming tegen een uitzetting naar zijn land van herkomst had kunnen genieten.

Slechts als een vreemdeling aannemelijk kan maken dat voor hem in het derde land een humanitaire noodsituatie bestond, zal verblijf in het derde land niet worden tegengeworpen. Terzake van de termijn van het verblijf in het derde

land wordt in beginsel geen rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Bij de toepassing van de contra-indicatie speelt de wedertoelating tot het derde land geen rol.

Ter zitting is dit laatste zo uitgelegd dat ook indien in een individueel geval zou blijken dat terugkeer naar het derde land feitelijk niet (meer) mogelijk is, geen nieuwe situatie ontstaat in die zin dat dan alsnog een vvtv wordt

verleend. De vreemdeling had de facto bescherming (kunnen genieten). De vreemdeling had geen asielrechtelijke reden om naar Nederland te komen. De gevolgen van zijn keuze om vanuit het derde land naar Nederland te reizen, dienen

voor zijn rekening en risico te komen.

19. De rechtbank overweegt het navolgende.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan en dan met name of verweerder bij de invulling van het beleid zoals hierboven omschreven binnen de grenzen van een redelijke beleidstoepassing is

gebleven. In dit kader moet worden bezien of de voor de belanghebbende nadelige gevolgen die uit deze beleidsregel voortvloeien niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (art. 3:4, tweede lid,

Awb jo. art. 1:3, vierde lid, Awb).

20. De rechtbank is van oordeel dat het door verweerder met TBV 1998/30 nagestreefde doel niet kennelijk onredelijk is te achten in zoverre verweerder zich (meer) ruimte wil verschaffen om die vreemdelingen, die

afkomstig zijn uit een land ten aanzien waarvan verweerder een vvtv-beleid voert - en die niet als vluchteling kunnen worden erkend en toegelaten dan wel in het bezit kunnen worden gesteld van een vergunning tot verblijf wegens een

dreigende schending van artikel 3 EVRM - geen toelating te verlenen indien zij niet rechtstreeks naar Nederland zijn gekomen.

21. Met dit oordeel staat, mede gelet op het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, Awb, evenwel niet zonder meer vast dat de in TBV 1998/30 neergelegde beleidsregel aan dat doel evenredig is. De rechtbank komt - marginaal toetsend -

tot het oordeel dat, gezien de (concrete) invulling van de beleidsregel, van onevenredigheid sprake is. Daartoe is het volgende redengevend.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever met de invoering van de Wet van 23 december 1993 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en van het Wetboek van Strafrecht beoogd om de rechtspositie van bepaalde niet

verwijderbare vreemdelingen, die geen zelfstandige gronden voor onvoorwaardelijke toelating konden aanvoeren, waar mogelijk te versterken, en aan hen in beginsel een verblijfsrecht te verlenen. Met het creëren van de vvtv heeft de

wetgever willen voorzien in situaties waarin (al dan niet asielzoekende) vreemdelingen die niet tot Nederland kunnen worden toegelaten, maar die evenmin op beleidsmatige gronden verwijderd worden naar hun land van herkomst, niet

(meer) `titelloos' worden gedoogd en in beginsel in het bezit worden gesteld van een vvtv.

23. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is - in dit kader - voorts meerdere malen aandacht besteed aan de positie van de asielzoeker, die onderdaan is van een `gedoogdenland', en niet rechtstreeks vanuit dat

land naar Nederland is gevlucht, maar eerst in een (ander) land van eerste opvang heeft verbleven. De regering heeft meerdere malen aangegeven dat wanneer een asielzoeker direct voor zijn komst naar Nederland langdurig in een derde

land heeft verbleven, altijd wordt nagegaan of wedertoelating tot dat land technisch en/of beleidsmatig mogelijk is en dat toelating hier te lande wordt geweigerd indien wedertoelating in het derde land gewaarborgd is (verwezen

wordt naar: TK 1992-1993, 22 735, nr. 5 blz. 9 en Algemene beraadslagingen Tweede Kamer op 2 september 1993, TK 89-6661). De rechtbank leidt hieruit af dat de wetgever inzake het al dan niet verlenen van een vvtv rekening heeft

willen houden met een mogelijk verblijfsalternatief in een ander land en begrijpt deze uitlatingen voorts als een onderstreping van het belang dat wordt nagegaan of een verondersteld aanwezig verblijfsalternatief in concreto (nog

steeds) beschikbaar is voordat op basis daarvan aan de vreemdeling een vvtv kan worden onthouden.

24. Weliswaar heeft de wetgever - zoals ook namens verweerder in de brief van 8 februari 2000 en tevens ter zitting is benadrukt - verweerder een ruime beoordelings- en beleidsvrijheid gegeven, doch dit laat naar het oordeel van de

rechtbank onverlet dat aan de hiervoor genoemde aard en strekking van het vvtv-beleid alsmede aan de in r.o. 23 aangehaalde uitlatingen in het parlementaire debat een richtinggevende betekenis niet kan worden ontzegd. De rechtbank

is van oordeel dat, ondanks het feit dat in TBV 1998/30 wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde passage in de Memorie van Antwoord, in de kenbare afweging die tot de in TBV 1998/30 neergelegde beleidsregel heeft geleid en de

invulling daarvan ten aanzien van de duur van het verblijf in het derde land en de wedertoelating tot dat land, deze richtinggevende betekenis onvoldoende is terug te vinden.

25. Ook overigens is niet gebleken van een zorgvuldige, van evenredigheid getuigende belangenafweging.

In de eerste plaats overweegt de rechtbank daartoe dat, blijkens de beleidsregel en de daarop gegeven toelichting, een verblijf van langer dan twee weken in een derde land volgens verweerder voldoende is om het

de facto verblijf als een `verblijfsalternatief' aan te merken en tegen te werpen, terwijl ten aanzien van dit verblijfsalternatief in de visie van verweerder geen rekening wordt gehouden of behoeft te worden gehouden met de aard en

aanleiding van het verblijf, de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling en/of de omstandigheden waaronder hij in het land van eerder verblijf heeft verbleven. Door deze invulling van het begrip `verblijfsalternatief' -

waarbij verweerder enkel oog heeft voor het verleden - roept verweerder een abstractie in het leven ten gevolge waarvan onderzoek naar de vraag of de facto sprake is van een verblijfsalternatief achterwege blijft. Mede in het licht

van de ratio van het vvtv-beleid heeft verweerder, door feitelijk (slechts) de duur van het verblijf in het derde land van doorslaggevend belang te achten, met de beleidskeuze onvoldoende blijk gegeven van een zorgvuldige weging van

de betrokken belangen van de vreemdelingen in verhouding tot het door verweerder nagestreefde doel. De rechtbank wijst er op dat het zeer wel denkbaar is dat enerzijds ook bij een voorafgaand verblijf in een derde land van (korter

dan) twee weken van een aan de vreemdeling tegen te werpen verblijfsalternatief kan worden gesproken, terwijl het anderzijds niet steeds op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat bij een verblijf van langer dan twee weken -nog

ongeacht de vraag of zijn wedertoelating is gewaarborgd- toch niet van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij naar dat land terugkeert. Voorts heeft verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij in TBV 1998/30 alleen ten

aanzien van de periode van verblijf in het derde land aansluiting bij het doorreiscriterium heeft gezocht. De rechtbank merkt in dit verband overigens nog op dat `het hebben van een verblijfsalternatief' -zoals de contra-indicatie

uitdrukkelijk is genoemd in het beleidsvoornemen, te weten de brief van 20 november 1998- kennelijk is veranderd in een `gehad hebben van een verblijfsalternatief'. Eveneens terzijde zij opgemerkt dat de strekking van TBV 1998/30 in

inhoudelijk opzicht in vergaande mate afwijkt van - en veel restrictiever is dan - het beleidsvoornemen zoals dat in de brief van

20 november 1998 is neergelegd en op 16 december 1998 in de Tweede Kamer is gepresenteerd. Dit laatste staat naar het oordeel van de rechtbank op gespannen voet met de in de brief van 8 februari 2000 namens verweerder betrokken

stelling dat de in de brief van 20 november 1998 uiteengezette gedachtegang in TBV 1998/30 `als het ware wordt geëxpliciteerd'.

26. In de tweede plaats overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens het standpunt van verweerder speelt wedertoelating tot het derde land (in het geheel) geen rol. Aan verweerder kan worden toegegeven dat wanneer een aanvraag om

toelating niet is ingewilligd, op een vreemdeling ingevolge artikel 15d, tweede lid, Vw de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Door echter de vraag naar de wedertoelating noch de eventuele gevolgen van een

niet-mogelijk-gebleken terugkeer naar het derde land binnen het beoordelingskader een rol te laten spelen, gaat verweerder onder meer volstrekt voorbij aan de omstandigheid dat op het land van eerder verblijf in beginsel geen

(volkenrechtelijke) rechtsplicht rust om een niet-onderdaan terug te nemen. Door hiermee op geen enkele wijze rekening te houden en de gevolgen zonder voorbehoud in de risicosfeer van de vreemdeling te laten, kan het beleid evenmin

op dit punt de toets der redelijkheid doorstaan.

27. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het beleid, als verwoord in TBV 1998/30, heeft kunnen vaststellen. Als gevolg daarvan mist de bestreden beschikking haar grondslag.

Het beroep van eiseres is mitsdien gegrond.

De stelling van eiseres dat van haar als alleenstaande vrouw niet verlangd kan worden dat zij terugkeert naar Pakistan, behoeft derhalve geen bespreking meer.

28. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten

bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 10 februari 2000; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is

verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

29. De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiseres het betaalde griffierecht ad f 50,- dient te vergoeden.

III. BESLISSING:

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 14 september 1999, voorzover verweerder daarbij heeft geweigerd aan eiseres een voorwaardelijke vergunning tot verblijf te verlenen;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f 50,-.

Aldus gedaan door mrs. A.C.J. van Dooijeweert, A.H. Schotman en W.J. van Bennekom en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2000 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M. Dorgelo.

griffier voorzitter

afschrift verzonden op: 4 mei 2000