Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5710

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/5062
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:14, geldigheid: 2000-02-17
Wet arbeid vreemdelingen, geldigheid: 2000-02-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet,

alsmede SCHORSING VAN HET ONDERZOEK TER ZITTING INGEVOLGE artikel 8:64, eerste lid, Algemene

wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 99/5062 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. drs. R. Dhalganjansing, advocaat te

's-Gravenhage

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. S.D.M. Michaël, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1956, bezit de Egyptische nationaliteit. Hij verblijft, naar eigen zeggen, sinds 1987 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 20 augustus 1998 heeft hij ten

tweede male een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met dit maal als doel het verrichten van gespecialiseerde arbeid in loondienst, dan wel op basis van klemmende redenen van humanitaire aard gelegen in

een relevant arbeidsverleden. Op deze aanvraag is door verweerder op 29 augustus 1998 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Voorts heeft eiser op 29 oktober 1997 de president van de rechtbank

verzocht een voorziening te treffen, die ertoe strekt uitzetting achterwege te laten totdat op zijn beroep en bezwaar is beslist. Bij uitspraak van 25 september 1998 heeft de president van deze rechtbank het verzoek toegewezen. Bij

besluit van 26 mei 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 9 juni 1999 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 februari 2000. Eiser is aldaar bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf (vtv) met als doel het verrichten van gespecialiseerde arbeid in loondienst dan wel verblijf op basis van klemmende redenen van humanitaire aard wegens

langdurig arbeidsverleden.

Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte -mede- heeft gebaseerd op het besluit van de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening (ADA) waarbij de door eiser gevraagde

tewerkstellingsvergunning (twv) is geweigerd. Eiser stelt dat er sprake is van een allesbehalve evenwichtig systeem, nu de weigering tot het verstrekken van een twv -mede- is gebaseerd op de weigering tot het verstrekken van een

vtv.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit het motiverings-, het gelijkheids- als ook het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden daar hij -hoewel de politieke ontwikkelingen in het

kader van het "witte illegalenbeleid" daartoe aanleiding gaven - heeft nagelaten deugdelijk te motiveren waarom aan sommigen wel een vtv is verleend terwijl die personen niet aan het beleid terzake voldeden, en aan eiser niet.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt, en heeft daartoe onder andere aangevoerd dat de bestreden beschikking op goede gronden tot stand is gekomen. Uit het bepaalde in hoofdstuk

B11/3.1, onder a, van de Vreemdelingencirculaire (Vc) volgt impliciet dat verweerder niet verplicht is om in een Vw-procedure de uitspraak in een WAV-bezwaar- c.q. beroepsprocedure af te wachten.

Met betrekking tot eisers beroep op het "witte-illegalen-beleid" verwijst verweerder naar eisers eerdere aanvraag terzake waarin inmiddels onherroepelijk is beslist. Met betrekking tot de aanvraag op grond van klemmende redenen van

humanitaire aard is in casu niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, op grond waarvan verweerder thans gehouden zou zijn het "witte-illegalen-beleid" ook op eiser toe te passen.

4. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

5. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en

werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van

een vergunning tot verblijf in aanmerking

komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

6. Het beleid met betrekking tot buitenlandse werknemers is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) in hoofdstuk B11.

7. Voorzover het beroep zich richt op de handhaving van de weigering van de vtv voor het verrichten van gespecialiseerde arbeid overweegt de rechtbank dat eiser in het kader van de weigering tot het verstrekken van een twv inmiddels

een beroepsprocedure bij deze rechtbank en zittingsplaats aanhangig heeft gemaakt (bekend onder registratie-nummer AWB 99/9085 WAV). Eiser heeft -gelet op de connexiteit tussen onderhavige zaak en de WAV-zaak - de rechtbank bij de

mondelinge behandeling verzocht het onderzoek te schorsen teneinde de beide zaken gevoegd te behandelen. Verweerder heeft zich - met name gelet op de ex-tunctoetsing - tegen een aanhouding verzet en verzocht de zaak af te doen. De

rechtbank acht het echter geraden beide zaken gevoegd te behandelen en schorst de behandeling in zoverre. De rechtbank wil namelijk voorkomen dat de ADA en verweerder over en weer "op andermans gronden" op de aanvraag van eiser

afwijzend beslissen.

8. Eiser heeft zijn beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel ter zitting meer expliciet gemaakt door een beroep te doen op een behandeling gelijk aan de 13 zogeheten Agneskerkzaken, die uiteindelijk wel hebben geleid tot het

verstrekken van een vtv. De rechtbank volgt hier verweerder in zijn betoog waar deze stelt dat door eiser geen (nieuwe) feiten en omstandigheden zijn aangevoerd welke zodanig schrijnend zijn dat hij voldoet aan de criteria zoals

door de staatssecretaris in deze 13 zaken zijn ontwikkeld. Voorts heeft de rechtbank laten meewegen dat het gezin van eiser nog immer in Egypte woonachtig is hetgeen zijn terugkeer vergemakkelijkt en dat eiser - behalve zijn lange

verblijfsduur hier te lande - overigens geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die in het kader van de restcategorie klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating zouden moeten nopen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij ermee bekend is dat eiser in november 1999 een nieuwe aanvraag tot verlening van een vtv heeft ingediend, welke aanvraag getoetst dient te worden aan de criteria van de witte-

illegalenregeling zoals weergegeven in TBV 99/23.

9. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning op grond van relevant arbeidsverleden.

Evenmin is gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.

10. Het beroep gericht tegen de handhaving van de weigering tot het verlenen van een vtv op grond van langdurig arbeidsverleden is derhalve ongegrond.

11. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de kosten van de andere partij, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

I. Schorst het onderzoek ter zitting ten aanzien van het beroep inzoverre het is gericht tegen de handhaving van de weigering tot verlening van de vtv voor het verrichten van gespecialiseerde arbeid en bepaalt dat deze kwestie

opnieuw en tweede male wordt behandeld tezamen met AWB 99/9085 WAV.

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2000, in tegenwoordigheid van mr. E. Jans, griffier.

afschrift verzonden op: 25 feburari 2000