Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5645

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2000
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
AWB 00/711
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Nieuwersluis

gemeente Loenen

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/711 VRWET H

Inzake: A, geboren [...] 1963, van Syrische

nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te

Amsterdam, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage,

verweerder.

Zitting: 4 februari 2000.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Langenberg, advocaat te Utrecht.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, S. Mujagic.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 21 januari 2000 is de vreemdeling ex artikel 6 Vw op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van de vreemdeling is op diezelfde datum de

vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw toegepast.

1.2 Op 22 januari 2000 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Nadat op diezelfde datum een eerste gehoor van de vreemdeling had plaatsgevonden heeft verweerder

besloten een Dublin-claim te leggen bij de Italiaanse autoriteiten.

Op 23 januari 2000 heeft het gehoor van de vreemdeling in verband met het voornemen tot het leggen van een Dublinclaim

plaatsgevonden.

1.3 Bij beroepschrift van 23 januari 2000, diezelfde datum ter griffie van deze rechtbank ontvangen, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de maatregel. Het beroep strekt tevens tot het toekennen van schadevergoeding.

1.4 Op 2 februari 2000 heeft verweerder de claim bij de Italiaanse autoriteiten gelegd.

2. Overwegingen

2.1 De vreemdeling stelt zich op het standpunt dat de voortzetting van de maatregel na aanmelding in het AC op een ondeugdelijke grondslag berust, aangezien ingevolge TBV 99/8 voortzetting van die maatregel slechts mogelijk is

indien een Dublin-claim ìs gelegd en niet, zoals in het onderhavige geval, er slechts een voornemen is om die claim te leggen. In dit verband is door de vreemdeling verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank nevenzittingsplaats

Nieuwersluis van 5 oktober 1999, AWB 99/7756 VRWET N. Bovendien heeft verweerder onvoldoende voortvarendheid betracht bij het indienen van de claim. Voorts heeft verweerder naar de mening van de vreemdeling de beslissingen tot

voortzetting van de maatregel ex 7a Vw na aanmelding van de vreemdeling in het aanmeldcentrum (AC) en na het besluit tot het leggen van een Dublin-claim bij Italië onvoldoende gemotiveerd.

2.2 Verweerder is van mening, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 10 november 1998 (AWB 98/8471, JV 99/36) dat het e-criterium uit TBV 99/8 extensief dient te worden uitgelegd, in

die zin dat het voornemen tot het leggen van een claim onder het e-criterium begrepen kan worden, mits verweerder bij het leggen van de claim voortvarend te werk gaat. Hoewel in het onderhavige geval niet bijzonder voortvarend is

gehandeld, acht verweerder de termijn tussen het indienen van de claim en het daaraan voorafgaande voornemen daartoe niet onredelijk lang. Verweerder acht de beslissingen tot voortzetting van de maatregel voldoende gemotiveerd.

2.3 Ingevolge artikel 7a Vw is verweerder bevoegd een vreemdeling die Nederland is binnengekomen aan boord van een schip of een luchtvaartuig en aan wie de (verdere) toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als

bedoeld in het tweede en derde lid van artikel 7a Vw aan te wijzen waar hij zich dient op te houden, tenzij zijn vertrek van daaruit nodig is om zich buiten Nederland te begeven.

Verweerder heeft ter uitvoering van artikel 7a, tweede en derde lid, Vw, beleidsregels vastgesteld, neergelegd in TBV 1999/8 van 12 april 1999 en in hoofdstuk B7/14 Vc.

2.4 Niet in geschil is dat de vreemdeling op 21 januari 2000 op goede gronden de toegang tot Nederland is geweigerd.

Ingevolge TBV 1999/8 cq B7/14 Vc is de enkele omstandigheid dat de toegang geweigerd is voor verweerder toereikend om na de toegangsweigering op grond van artikel 7a, tweede en derde lid, Vw een plaats aan te wijzen waar de

vreemdeling zich dient op te houden. De beschikkingen van 21 januari 2000, waarbij de Lounge respectievelijk het Aanmeldcentrum zijn aangewezen als plaats waar hij zich dient op te houden, zijn derhalve voorzien van een toereikende

motivering.

2.5 De rechtbank ziet aanleiding om eerst de grief van de vreemdeling dat de beslissingen tot voortzetting van de maatregel onvoldoende zijn gemotiveerd te bespreken. Het volgende wordt daartoe overwogen.

2.6 Vast staat dat verweerder de vreemdeling op 22 januari 1999 naar aanleiding van zijn asielaanvraag heeft gehoord. Na dit gehoor heeft verweerder besloten eiser te claimen bij de Italiaanse autoriteiten op grond van de

Overeenkomst van Dublin. Bij brief van diezelfde datum heeft verweerder dit voornemen kenbaar gemaakt aan de Stichting Rechtsbijstand Asiel op het AC-Schiphol. Daarbij is

aangegeven dat de reeds opgelegde maatregel zal worden voortgezet op grond van het e-criterium, zoals vermeld in TBV 1999/8. Voorts is in genoemde brief overwogen dat op dat moment niet gebleken is van bijzondere omstandigheden, op

grond waarvan de voortzetting van de maatregel bij afweging van alle belangen in redelijkheid niet voortgezet mag worden en de vreemdeling in het af te nemen Dublin-gehoor de gelegenheid zal krijgen eventuele bijzondere feiten en

omstandigheden naar voren te brengen.

Vervolgens heeft op 23 januari 2000 een zogenaamd Dublin-gehoor plaatsgevonden. Op 24 januari 2000 heeft verweerder aan de Stichting Rechtsbijstand Asiel op het AC-Schiphol kenbaar gemaakt dat er geen aanleiding bestaat om alsnog af

te zien van de claimprocedure en dat de maatregel zal worden voortgezet, onder vermelding van een op de individuele omstandigheden van de vreemdeling toegespitste motivering.

2.7 Aangezien op 22 januari 2000 nog geen sprake was van kenbare, de vreemdeling betreffende bijzondere omstandigheden, heeft verweerder op dat moment kunnen volstaan met een standaardmotivering ter onderbouwing van de voortduring

van voornoemde maatregel. Bij het besluit tot het leggen van de claim bij Italië heeft verweerder, gezien de brief aan de Stichting Rechtsbijstand Asiel van 23 januari 2000 er blijk van gegeven kennis te hebben genomen van de door

de vreemdeling aangevoerde bijzondere omstandigheden en deze bij de belangenafweging betrokken te hebben. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de voortzetting van de maatregel op de onderscheiden

beslismomenten voldoende heeft gemotiveerd.

2.8 Met betrekking tot het standpunt van de vreemdeling dat de voortzetting van de maatregel vanaf zijn aanmelding in het AC op ondeugdelijke grondslag berust wordt het volgende overwogen. In TBV 99/8 cq B7.14 Vc is onder sub a tot

en met f een zestal criteria vermeld, op grond van welke een maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw kan worden voortgezet. Deze mogelijkheid wordt in sub e gegeven voor de asielzoeker ten aanzien van wie bij een andere

staat een verzoek tot overname op basis van de Overeenkomst van Dublin is ingediend.

De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 5 oktober 1999 een andere rechtsvraag ter beantwoording voor lag, waarbij de reikwijdte van het hier aan de orde zijnde in TBV 99/8 onder sub e vermelde criterium in het midden is

gelaten. In de uitspraak van 10 november 1998 van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam is daarentegen het volgende overwogen:

"Op 14 november 1998 (lees: 14 oktober 1998), toen verweerder de maatregel motiveerde onder verwijzing naar zijn voornemen een Dublin-claim bij Frankrijk in te dienen, was deze claim nog niet daadwerkelijk gelegd en dus - letterlijk

genomen - niet voldaan aan de voornoemde toepassingsgrond dat een verzoek tot overname is ingediend. Dit brengt evenwel geen onrechtmatige toepassing van de maatregel mee, nu verweerder zijn voornemen met toereikende voortvarendheid

ten uitvoer heeft gelegd door het verzoek op 16 november 1998 (lees: 16 oktober 1998) te verzenden."

Blijkens deze overwegingen achtte de rechtbank het voornemen tot het leggen van een Dublin-claim begrepen onder het daadwerkelijk indienen daarvan, zoals in het criterium e uit TBV 99/8 bepaald, indien het voornemen met toereikende

voortvarendheid ten uitvoer wordt gelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding thans anders te oordelen. Daarmee komt het aan op de vraag of verweerder in het onderhavige geval, door na het voornemen tot het leggen van een Dublin-claim

op 22 januari 2000 met het daadwerkelijk indienen van die claim op 2 februari 2000 voldoende voortvarendheid betracht heeft. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.

Naar uit de toelichting van verweerders gemachtigde ter zitting is gebleken, diende, na het Dublin-gehoor op 23 januari 2000, het dossier nog slechts administratief verwerkt te worden. Bij dat gegeven en in aanmerking genomen dat

verweerder enige vertraging in

de administratieve verwerking gegund mag worden, had in het onderhavige geval een termijn van acht dagen voor verweerder toereikend dienen te zijn om zijn voornemen tot het leggen van een claim bij Italië ten uitvoer te brengen.

Door daarmee langer te wachten heeft verweerder niet de hier te verlangen voortvarendheid betracht.

2.9 Uit het vorenstaande volgt dat de opgelegde maatregel met ingang van de negende dag na 22 januari 2000, derhalve op 31 januari 2000, onrechtmatig is geworden. De bewaring zal worden opgeheven met ingang van heden.

2.10 Omtrent het verzoek om schadevergoeding zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

2.11 Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring ex artikel 7a Vw met ingang van 8 februari 2000;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in tegenwoordigheid van mr A.M. Meesters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2000, in tegenwoordigheid van

de griffier.

afschrift verzonden op: 11 februari 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.