Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5504

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2000
Datum publicatie
10-12-2002
Zaaknummer
AWBG 99/8680
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/123
RV20000024 met annotatie van Red. Rechtspraak Vreemdelingenrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 99/8680 VRWET

Inzake: A, eiser, domicilie kiezend ten kantore van

zijn gemachtigde, mr. J.J.P.M. Benders, advocaat te Zoetermeer,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr D. van den Berg, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1966, bezit de Marokkaanse nationaliteit.

Hij verblijft naar hij stelt sedert december 1988 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 2 december 1997 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf (vtv) met als

doel verblijf bij partner B (hierna: referente).

Op deze aanvraag is door verweerder op 23 januari 1998 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 2 september 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 8 september 1999 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het

beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 februari 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens

was referente ter zitting aanwezig.

4. Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde verweerder aanvullende informatie te doen verschaffen. Verweerder heeft daarop gereageerd bij schrijven van 23 februari 2000 aan de rechtbank. Eiser heeft hierop gereageerd bij

schrijven van 10 maart 2000. Partijen hebben toestemming verleend om een nadere zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij partner.

Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst die referente heeft gesloten op 18 augustus 1999 met Van Den Heuvel Rozen B.V. niet als een los dienstverband in de zin van de

Vreemdelingencirculaire mag worden beschouwd, nu zij blijkens de tekst van deze overeenkomst een werkweek van 38 uur heeft en de arbeidsovereenkomst voor een jaar is aangegaan. Eiser wijst er op dat referente ook werkzaamheden

verricht voor Hotel Restaurant C. Eiser legt een afschrift van de desbetreffende arbeidsovereenkomst over alsmede rekeningafschriften over vanaf september 1999 tot januari 2000, uit welke afschriften het door referente ontvangen

salaris blijkt.

Eiser is reeds eerder in het bezit geweest van een vergunning tot verblijf bij zijn toenmalige echtgenote D. De toenmalige echtgenote van eiser is overleden juist enkele weken voordat de drie jaren zouden zijn verstreken op grond

waarvan eiser in het bezit zou zijn gesteld van een

vtv zonder beperkingen.

Referente heeft een dochter genaamd E die is opgenomen in Nieuw Buitenzorg vanwege een meervoudige handicap. Gezien de ernst van de handicap is het niet mogelijk om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt.

4. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

5. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en

werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van

een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

6. Het beleid met betrekking tot de verlening van een vergunning tot verblijf bij partner is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) in hoofdstuk B1/3.

In hoofdstuk B1/3.2.3 Vc is bepaald dat, voor zover hier van belang, degene bij wie toelating als partner wordt beoogd, duurzaam en zelfstandig moet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende middelen wordt

verstaan een netto-inkomen, dat ten minste gelijk is aan het bestaansminimum voor een gezin in de zin van de Algemene Bijstandswet. Voor de vaststelling van het geldende bestaansminimum bestaan normbedragen, die halfjaarlijks worden

bijgesteld en die kunnen worden opgevraagd bij de Gemeentelijke Sociale Dienst. Middelen van bestaan worden als duurzaam beschouwd indien deze voor een periode van nog ten minste één jaar beschikbaar zijn. Als inkomen geldt onder

andere een inkomen uit arbeid in loondienst en een inkomensvervangende uitkering waarvoor premie wordt afgedragen; een inkomen krachtens de Ziektewet is duurzaam indien betrokkene beschikt over een arbeidsovereenkomst voor

onbepaalde duur.

Blijkens hoofdstuk B1/3.2.3.3 Vc kunnen inkomsten uit arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst (inclusief uitzendwerk) met een duur van korter dan één jaar worden aangemerkt als duurzaam, indien ten tijde van de aanvraag:

- door degene bij wie verblijf wordt beoogd reeds gedurende drie jaar onafgebroken (al dan niet op basis van overeenkomsten met een bepaalde duur) gewerkt is en in die gehele periode een inkomen uit arbeid is verworven dat ten

minste gelijk is aan het toepasselijke bestaansminimum in de zin van de Algemene Bijstandswet;

- deze inkomsten uit arbeid nog voor minimaal zes maanden beschikbaar zijn.

7.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor een vergunning tot verblijf in aanmerking komt, omdat niet aan het duurzaamheidsvereiste is voldaan. Verweerder heeft daartoe overwogen dat referente blijkens de door

haar met Van den Heuvel aangegane arbeidsovereenkomst werkzaam is in een zogenoemd los dienstverband.

Kenmerk van een dergelijk dienstverband is volgens hoofdstuk B1/1.2.3.2.

Vc dat de werkgever het dienstverband tussentijds kan onderbreken.

Daarom worden de inkomsten uit een los dienstverband voor langer dan een jaar of voor onbepaalde tijd eerst als duurzaam in de zin van de Vreemdelingenwet aangemerkt, indien men ten tijde van de aanvraag reeds minimaal een jaar

inkomsten uit dit dienstverband verworven heeft.

Eiser stelt zich daarentegen op het standpunt dat referente volgens de arbeidsovereenkomst weliswaar werkzaam is in een los dienstverband, doch dat de term los dienstverband geen juridische betekenis heeft. Naar het oordeel van

eiser is in wezen gewoon sprake van een dienstverband voor bepaalde tijd (te weten: één jaar), zodat aan het duurzaamheidsvereiste is voldaan.

7.2 Vaststaat dat referente in de arbeidsovereenkomst een los dienstverband voor de duur van een jaar is aangegaan. De rechtbank stelt

voorop dat de term "los dienstverband" geen juridisch omkaderd begrip is, zodat voor de betekenis van deze term te rade moet worden gegaan bij de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Tuinbouw (Tuinbouw-CAO), die blijkens artikel

3 van de arbeidsovereenkomst op deze overeenkomst van toepassing is. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt artikel 2 van de Tuinbouw-CAO overgelegd. Uit artikel 2 van deze CAO blijkt dat in de tuinbouw een onderscheid

wordt gemaakt tussen losse en vaste dienstverbanden. Blijkens deze bepaling kan een vast dienstverband alleen voor onbepaalde tijd worden aangegaan, met dien verstande dat gedurende de eerste 12 maanden van het dienstverband geen

opzegging mag plaatsvinden. Een los dienstverband kan ongeacht het aantal arbeidsuren voor onbepaalde duur, voor een bepaalde tijd of voor een bepaald werk worden aangegaan. Naar het oordeel van de rechtbank volgt - anders dan

verweerder kennelijk meent - uit deze bepaling geenszins dat bij een los dienstverband de werkgever de mogelijkheid heeft het dienstverband tussentijds te onderbreken. Ook ambtshalve zijn de rechtbank geen bepalingen in genoemde CAO

bekend waaruit dit volgt.

Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de mogelijkheid van tussentijdse onderbreking bij losse dienstverbanden bestaat er voorts op gewezen dat voor losse dienstverbanden een hogere WW-premie dient te worden

betaald dan voor vaste dienstverbanden. Kennelijk heeft verweerder hiermee bedoeld te stellen dat hieruit blijkt dat voor losse dienstverbanden een verhoogd werkloosheidsrisico geldt. De rechtbank overweegt dat uit het door

verweerder overgelegde schema van "soorten arbeidsovereenkomsten in de CAO Tuinbouw" blijkt dat voor vaste dienstverbanden een gereduceerde WW-premie geldt. Deze gereduceerde premie is naar het oordeel van de rechtbank zeer goed

verklaarbaar, gelet op het feit dat bij vaste dienstverbanden gedurende de eerste 12 maanden een opzegverbod geldt. Hieruit blijkt derhalve niet dat voor losse dienstverbanden een verhoogd risico geldt. Ook deze omstandigheid

rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet de conclusie dat losse dienstverbanden tussentijds kunnen worden beëindigd door de werkgever. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet

heeft aangetoond dat hij bij het formuleren van zijn beleid ten aanzien van "losse dienstverbanden in de agrarische sector" is uitgegaan van een juist begrip van een los dienstverband in de tuinbouw. Als gevolg hiervan leidt het

beleid van verweerder tot een niet gerechtvaardigd onderscheid tussen werknemers op wie de Tuinbouw-CAO van toepassing is en anderen, op wie geen CAO van toepassing is, dan wel een CAO die niet eenzelfde onderscheid kent tussen

losse en vaste dienstverbanden.

7.3. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in casu zijn stelling dat niet aan het duurzaamheidsvereiste is voldaan, omdat de werkgever het dienstverband tussentijds kan beëindigen, niet kan doen

steunen op de enkele omstandigheid dat referente werkzaam is op basis van een los dienstverband als bedoeld in de Tuinbouw-CAO. Het bestreden besluit ontbeert derhalve een draagkrachtige motivering, zodat het voor vernietiging in

aanmerking komt.

8. Het beroep is dan ook gegrond.

9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,-

en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid,

Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.J. van der Ven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2000, in tegenwoordigheid van mr. W. van Moergastel, griffier.

afschrift verzonden op: 31 maart 2000