Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5501

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/620
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81, geldigheid: 2000-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

Awb 00/620 VV

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw), in het geschil tussen

A, verblijvende te B, verzoeker,

gemachtigde mr. R.P. van Empel-Bouman, advocaat te 's-Hertogenbosch,

en

de Staatssecretaris van Justitie, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde mr. C.A. Buschman, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP.

Verzoeker bezit naar zijn zeggen de Liberiaanse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet.

Op 20 december 1996 heeft verzoeker verzocht om toelating als vluchteling dan wel om verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij besluit van 17 april 1997 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om toegelaten te worden als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens heeft verweerder verzoekers aanvraag om verlening van

een vergunning tot verblijf niet ingewilligd.

Op 13 mei 1997 is namens verzoeker tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 30 juli 1998 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Op 24 september 1999 heeft verweerder het besluit van 30 juli 1998 ingetrokken.

Daarbij is verzoeker medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaarschrift in Nederland mag afwachten.

Op 19 januari 2000 heeft de korpschef van politie Haaglanden verzoeker verzocht op 25 januari 2000 in persoon te verschijnen in het Onderzoeks- en Opvangcentrum te Den Haag teneinde hem te presenteren bij de Liberiaanse autoriteiten

ter vaststelling van zijn nationaliteit.

Bij brief van 24 januari 2000 is namens verzoeker bezwaar gemaakt tegen

het voornemen van de korpschef verzoeker te presenteren bij de Liberiaanse ambassade.

Bij verzoekschrift van 24 januari 2000 is namens verzoeker de president verzocht een onverwijlde voorziening te treffen, primair inhoudende dat wordt bepaald dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel door

eerst na afloop van de driejarentermijn kenbaar te maken dat wederom wordt getwijfeld aan de nationaliteit van verzoeker en te bepalen dat verweerder gehouden is verzoeker in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf op

grond van het driejarenbeleid.

Subsidiair wordt verzocht verweerder te verbieden verzoeker te houden mee te werken aan de voorgenomen presentatie bij de Liberiaanse ambassade.

Nadat op 24 januari 2000 namens verweerder telefonisch is bericht dat verweerder bereid is de vordering om te verschijnen voor de Liberiaanse ambassade in ieder geval op te schorten bij brief van 8 februari 2000 tot na de uitspraak

in deze voorlopige voorziening is het subsidiaire verzoek gewijzigd in die zin dat wordt verzocht te bepalen dat verweerder eerst gemotiveerd dient aan te geven waaruit de twijfels omtrent de nationaliteit van verzoeker na indiening

van het bezwaarschrift nog blijken en hem daarover te horen. Voorts wordt verzocht in dit verband te bepalen dat verweerder nader onderzoek dient te verrichten in Liberia. Pas nadat is gebleken dat eventuele twijfels na horen en na

onderzoek nog bestaan, dient verweerder de mogelijkheid te krijgen om van het middel van presentatie bij de Liberiaanse ambassade gebruik te mogen maken.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde verzoek een verweerschrift toegezonden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 11 februari 2000, waar verzoeker niet is verschenen, maar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN.

Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, onder meer indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de

president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In de onderhavige procedure is het volgende naar voren gekomen.

Namens verzoeker is aangevoerd dat hij op 20 december 1996 in Nederland asiel heeft aangevraagd. Bij beschikking van 17 april 1997 is zijn asielverzoek afgewezen omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij de Liberiaanse

nationaliteit bezit. In de beschikking op bezwaar van 30 juli 1998 is uitdrukkelijk overwogen dat niet langer wordt getwijfeld aan de door verzoeker gestelde Liberiaanse nationaliteit. Het bezwaar is echter ongegrond verklaard,

omdat er sprake zou zijn van adequate opvang in Liberia. Tegen deze beschikking is beroep ingesteld op 3 augustus 1998. Tevens is op die datum een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij fax-bericht van

24 september 1999 is de beschikking op bezwaar ingetrokken en is verzoeker medegedeeld dat hij een nieuwe beslissing op bezwaar in Nederland mocht afwachten. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn om die reden

ingetrokken.

Op 1 december 1999 heeft de gemachtigde van verzoeker tijdens een telefoongesprek met een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst Zuid-Oost verzocht of de zaak kon worden afgedaan met de verlening van een vergunning tot

verblijf op grond van het driejarenbeleid. Door deze medewerker is toegezegd dat dit zou worden onderzocht.

Vervolgens is verzoeker bij fax-bericht van 21 januari 2000 gevorderd op 25 januari 2000 in persoon te verschijnen teneinde gepresenteerd te worden bij de Liberiaanse ambassade. Verzoeker begrijpt niet waarom hij

zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn nationaliteit nu in de ingetrokken beschikking op bezwaar niet langer aan zijn Liberiaanse nationaliteit werd getwijfeld. Verzoeker is van mening dat hiermee het

vertrouwensbeginsel is geschonden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voorgenomen presentatie noodzakelijk is in het geval er bij een vvtv-gerechtigde word getwijfeld - zoals bij verzoeker - aan zijn gestelde nationaliteit en identiteit.

Bij een voor verzoeker gunstig resultaat, komt hij, tenzij er sprake is van contra-indicaties, in aanmerking voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid.

Desgevraagd deelt de gemachtigde van verweerder ter zitting mede dat verweerder geen andere mogelijkheid aanwendt om de nationaliteit van verzoeker te achterhalen. Weliswaar mocht verzoeker er na de beslissing op bezwaar van 30 juli

1998 van uit gaan dat zijn nationaliteit niet meer aan twijfel onderhevig was, maar verzoeker heeft in de periode vóór deze beslissing, toen wel aan zijn nationaliteit werd getwijfeld, in het geheel niets overgelegd waaruit de

Liberiaanse nationaliteit zou blijken. Gelet hierop kan van verweerder niet worden verwacht dat hij andere mogelijkheden aanwendt om de nationaliteit van verzoeker vast te stellen.

De president overweegt als volgt.

Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag overweegt de president dat de voorgenomen presentatie ter voorbereiding dient van een beoordeling of verzoeker in het bezit dient te worden gesteld van een vergunning in het kader van de Vw.

De president is van oordeel dat de presentatie bij de Liberiaanse ambassade een rechtens relevante handeling is die verband staat met de uitvoering van de Vw. De presentatie valt dan ook onder het beschikkingsbegrip van artikel 1a

Vw. Verzoeker kon tegen deze beschikking een bezwaarschrift en een verzoek om voorlopige voorziening indienen. De president acht zich dan ook bevoegd onderhavig verzoekschrift te behandelen.

De president is van oordeel dat voor wat betreft het primair verzochte niet is gebleken dat onverwijlde spoed vereist dat de gevraagde voorziening wordt getroffen, evenmin strookt het niet met het voorlopige karakter van een

voorziening. Voor wat betreft het merendeel van het subsidiair verzochte geldt het hiervoor overwogenen eveneens. De president is dan ook van oordeel dat het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient

te worden beperkt tot de vraag of presentatie van verzoeker bij de Liberiaanse ambassade moet worden verboden.

Tot het treffen van een vergaande maatregel, ertoe leidende dat verzoeker niet zal worden gepresenteerd bij de Liberiaanse ambassade, zal in beginsel slechts aanleiding bestaan indien op grond van beschikbare gegevens moet worden

geoordeeld dat zonder die voorziening het uit het bestreden besluit voorkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang.

Hoewel de president het belang van verweerder erkent om vast te stellen of sprake is van een contra-indicatie alvorens een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid te verlenen, moet in het onderhavige geval worden

geoordeeld dat het belang van verzoeker om de presentatie achterwege te laten tot dat in de asielprocedure definitief is beslist dient te prevaleren. Immers, voorshands staat niet vast dat er ernstige twijfels bestaan omtrent de

identiteit en nationaliteit van verzoeker. Daarbij neemt de president in aanmerking dat in de asielprocedure in het primaire besluit van 17 april 1997 wordt overwogen dat betrokkene op geen enkele wijze heeft aangetoond danwel

aannemelijk gemaakt dat hij de Liberiaanse nationaliteit bezit, terwijl in het besluit op bezwaar van 30 juli 1998 wordt overwogen dat de overwegingen van het primaire besluit als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd,

"met uitzondering van die overwegingen die betrekking hebben op twijfels over de door betrokkene opgegeven nationaliteit". Naar het

oordeel van de president mocht verzoeker, gelet op de ongeclauseerde bewoordingen, er op vertrouwen dat verweerder niet langer aan zijn nationaliteit twijfelde. Dit besluit op bezwaar is weliswaar ingetrokken, maar de reden daartoe

hield geen verband met twijfels omtrent de nationaliteit van verzoeker, zodat naar het oordeel van de president ook in het nieuw te nemen besluit niet zonder meer kan worden teruggekomen op het eerder ingenomen standpunt ten aanzien

van de nationaliteit van verzoeker tenzij sprake is van daarop betrekking hebbende nieuwe feiten of omstandigheden, waarvan evenwel niet is gebleken. De omstandigheid dat nu het besluit op bezwaar is ingetrokken een volledige

heroverweging zal plaatsvinden maakt dit gelet op het vooroverwogene niet anders. Een en ander betekent dat verzoeker er vooralsnog op mag vertrouwen dat aan zijn nationaliteit niet wordt getwijfeld zodat er geen reden is hem te

presenteren en een presentatie bij Liberiaanse autoriteiten derhalve achterwege dient te blijven.

Voor toepassing van artikel 33b van de Vw acht de president geen termen aanwezig.

De president acht termen aanwezig om verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten

bestuursrecht vastgesteld op fl. 1.420,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt fl. 710,--, wegingsfactor 1).

Tevens acht de president termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder de betaalde griffierechten zal vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De president:

verbiedt de Staat der Nederlanden verzoeker aan de Liberiaanse ambassade te presenteren zolang nog niet is beslist op bezwaar;

veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op fl. 1.420,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

gelast dat het betaalde griffierecht, ten bedrage van fl. 50,--, door de Staat der Nederlanden, namens verweerder, aan verzoeker wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. E.C.M. de Klerk als fungerend president in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2000.

mr. E.C.M. de Klerk is buiten staat de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden op: 2 maart 2000

TN