Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5495

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/6762
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 98/6762 VRWET

Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, geboren op [...] 1988, verblijvende te B, eiser,

gemachtigde mr. E.C. Huijsmans, advocaat te Tilburg,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser bezit de Somalische nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 16 januari 1998 zijn namens eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij besluit van 29 januari 1998 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens

heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf.

Bij schrijven van 23 februari 1998 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 17 augustus 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 1 september 1998 beroep ingesteld. Het beroep is op 2 september 1998 ter griffie van de rechtbank ontvangen. Voor de gronden van het beroep heeft eiser verwezen naar het op 19 maart

1998 ingediende beroep van zijn moeder C (Awb 98/1665) en naar de in die procedure op 24 april 1997 ingediende aanvullende gronden van het beroep.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 november 1999, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J. Kleijne,

ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 17 augustus 1998 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

In verband met zijn leeftijd is eiser niet gehoord omtrent zijn asielmotieven. Bij zijn binnenkomst op 29 juni 1997 heeft eiser met betrekking tot zijn afkomst en familie het volgende verklaard. Eiser heeft de Somalische

nationaliteit. Hij behoort, evenals zijn vader en zijn broers, tot de Darod-clanfamilie, clan Marehan. Zijn moeder behoort tot de Hawiye-clanfamilie, clan Hawadle.

Eiser heeft verklaard dat hij na het uitbreken van de oorlog bij zijn oma D heeft gewoond. Zijn oma heeft zijn reis naar Nederland geregeld. Op 29 juni 1997 arriveerde eiser in Nederland, alwaar hij zich heeft gevoegd bij zijn

eveneens in Nederland verblijvende moeder, C.

Voorts verblijven nog drie -oudere- broers in Nederland. Ook zij hebben hier te lande asiel aangevraagd.

Uit het asielrelaas van eisers moeder kan worden opgemaakt dat zij haar kinderen, waaronder eiser, omstreeks 15 november 1995 bij haar moeder in Mogadishu heeft achtergelaten om twee andere zoekgeraakte kinderen te gaan zoeken.

Nadat de moeder van eiser had vernomen dat deze twee kinderen in Nederland zouden verblijven is zij eveneens naar Nederland gegaan. De vader van eiser maakte deel uit van de militie van Siad Barre. Hij is in 1996 overleden.

Ten aanzien van het beroep op vluchtelingschap overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1968 (hierna te noemen: het Verdrag) geldt, voor zover hier van

belang, voor de toepassing van het Verdrag als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens

ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van

bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Vw kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de toelating niet kan worden geweigerd dan om gewichtige redenen aan het algemeen belang ontleend, indien de vreemdeling door de weigering genoopt zou worden zich onmiddellijk te

begeven naar een land als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw wordt de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien deze is gegrond op omstandigheden die hetzij op zichzelf of

in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.

Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in Somalië ten tijde van het bestreden besluit niet zodanig was dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land in het algemeen dan wel degenen die behoren tot de Darod-clanfamilie,

clan Marehan in het bijzonder, zonder meer als vluchteling aan te merken zijn. Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in

vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

Tijdens het gehoor van eiser noch in het bezwaar- of beroepschrift heeft eiser omstandigheden aangevoerd waaruit zou volgen dat er gronden bestaan om hem als vluchteling toe te laten. Voorts heeft de gemachtigde van eiser in het

beroepschrift aangevoerd dat eiser geen eigen vluchtrelaas heeft.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen vermoeden heeft kunnen wekken dat er rechtsgrond bestaat

voor toelating van eiser als vluchteling.

Ten aanzien van het beroep van de moeder van eiser heeft de rechtbank bij haar uitspraak van heden (Awb 97/3496) overwogen dat haar relaas onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap.

Dit betekent dat eiser op grond van zijn relatie met zijn moeder evenmin in aanmerking kan worden gebracht voor een vluchtelingenstatus.

Ten aanzien van het verzoek van eiser om een vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie

hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien zij een reëel risico

lopen bij terugkeer een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te ondergaan, of indien sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire

aard.

Gesteld noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Verder is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen ten aanzien van eisers beroep op vluchtelingschap is overwogen voortvloeit dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt onderworpen te worden aan

folteringen of aan onmenselijke behandeling,

zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verblijf van eiser in Nederland zou moeten worden toegestaan, zijn niet aannemelijk gemaakt.

Met betrekking tot de stelling dat aan eiser ten onrechte geen voorwaardelijke vergunning tot verblijf is verstrekt overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser behoort tot de clanfamilie der Darod, clan Marehan. Zijn moeder behoort tot de clanfamilie der Hawiye, clan Hawadle.

Verweerder is er blijkens het verweerschrift en het behandelde ter zitting van uitgegaan dat eiser samen met zijn moeder kan terugkeren naar Somalië. Tijdens de behandeling ter zitting van het onderhavige beroep is namens eiser

aangevoerd dat hij de verzorging van zijn moeder nodig heeft. De rechtbank zal er dan ook bij de beoordeling van dit beroep van uit gaan dat eiser, die thans elf jaar oud is, bij zijn moeder zal verblijven.

Bij besluit van 22 oktober 1997 is de aan de moeder van eiser verstrekte vvtv ingetrokken. Het door de moeder van eiser tegen dit besluit gerichte bezwaar is door verweerder bij besluit van 29 januari 1998 ongegrond verklaard. De

moeder van eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Het beroep van de moeder van eiser tegen de intrekking van haar vvtv is thans nog niet behandeld. Het staat thans dan ook nog niet vast of dit beroep al dan niet gegrond zal

worden verklaard.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat sedert de beleidswijziging van 20 november 1998 geen aanleiding meer bestaat om nog langer aan leden van de clanfamilie der Hawiye, clan Hawadle, waartoe de moeder van eiser

behoort, een vvtv te verlenen. Deze clan heeft haar traditionele woongebied in de provincie Hiiraan, welke provincie sedert 20 november 1998 als veilig gebied wordt beschouwd.

Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder hiermee een onjuist standpunt heeft ingenomen. Vooralsnog moet het er dan ook voor gehouden worden dat verweerder op de juiste gronden tot de conclusie is gekomen dat eiser met ingang

van 20 november 1998 samen met zijn moeder kan terugkeren naar Somalië en aldaar in de provincie Hiiraan bescherming kan vinden.

Namens verweerder is ter zitting van de behandeling van het onderhavige beroep echter toegezegd dat eiser totdat op het beroep van zijn moeder met betrekking tot de intrekking van de vvtv zal zijn beslist niet zal worden uitgezet.

Ter zitting is voorts de mogelijkheid besproken dat het beroep van de moeder van eiser met betrekking tot de intrekking van de vvtv gegrond zal worden verklaard. Namens verweerder is aangevoerd dat er alsdan voor eiser een reguliere

aanvraag tot gezinshereniging kan worden ingediend, waarbij is toegezegd dat eiser de behandeling van deze aanvraag in Nederland zal mogen afwachten.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sedert 20 november 1998 eiser samen met zijn moeder had kunnen terugkeren naar de provincie Hiiraan in Somalië. Het bestreden

besluit is echter genomen op 17 augustus 1998 zodat, gezien de beleidswijziging met ingang van 20 november 1998, verweerder eiser op dat moment nog geen vvtv had mogen onthouden. Het onderhavige beroep is mitsdien gegrond.

Ingevolge artikel 8:72, derde lid, van de Awb heeft de rechtbank evenwel de bevoegdheid te bepalen dat de gevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Nu eiser met een vernietiging niet wezenlijk is

gebaat zal de rechtbank gebruik maken van deze bevoegdheid op grond van proceseconomische overwegingen. De bovengenoemde beleidswijziging is drie maanden en drie dagen na het bestreden besluit ingegaan, terwijl niet is gebleken dat

eiser indien de rechtsgevolgen niet in stand zouden zijn gehouden in aanmerking zou komen voor een vergunning tot verblijf vanwege het langer dan drie jaar in het bezit zijn van een vvtv.

Gezien het vorenoverwogene ziet de rechtbank aanleiding verweerder met

toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in

totaal f 1.420,-- voor kosten van door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiser het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,-- te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

gelast dat het gestorte griffierecht ten bedrage van f 210,-- door de Staat der Nederlanden aan eiser wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting als rechter in tegenwoordigheid van G.C.A. Dingemans Wierts als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2000.

Afschriften verzonden: 29 februari 2000

TH