Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5494

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 96/7427
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 96/7427 VRWET

Uitspraak van de rechtbank op het beroep als bedoeld in artikel 8:70

Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw), in het geschil tussen:

A, verblijvende te B, eiser,

gemachtigde mr A.M.P. Sivirsky, advocate te Maastricht

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser bezit de Somalische nationaliteit en is vreemdeling in de zin van artikel 1 van de Vw.

Op 14 maart 1994 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf ingediend.

Bij beschikking van 3 augustus 1994 heeft verweerder de aanvragen van eiser om toegelaten te worden als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid daarvan op de in artikel 15 c, eerste lid aanhef en onder a van de

Vw genoemde grond.

Tevens heeft verweerder de aanvraag van eiser om een vergunning tot verblijf niet ingewilligd.

Deze beschikking is op 5 augustus 1994 aan eiser uitgereikt. Daarbij is eiser aangezegd Nederland binnen 4 weken te verlaten en dat eerst aan de hand van de inhoud van een in te dienen bezwaarschrift zal worden beslist of hij de

behandeling daarvan in Nederland mag afwachten.

Op 2 september 1994 heeft eiser tegen het besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij beroepschrift van 20 februari 1995 heeft eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Het beroepschrift is op 21 februari 1995 ter griffie van de rechtbank ontvangen

(registratienummer AWB 95/1948 VRWET).

Het geding is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 maart 1996.

Bij uitspraak van 9 mei 1996 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voorzover daarbij aan eiser geen voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) is verleend.

Bij beslissing op bezwaar van 14 augustus 1996 heeft verweerder eisers bezwaar, thans alleen nog gericht tegen de weigering hem een vvtv te verlenen, ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 30 augustus 1996, ingekomen ter griffie op 2 september 1996, heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Op 30 augustus 1996 heeft eiser tevens om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van eiser over te gaan, totdat op zijn bezwaarschrift zal zijn

beslist.

Op 4 november 1998 is namens eiser het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, nadat aan hem door verweerder bij schrijven van 22 oktober 1999 alsnog uitstel van vertrek was verleend.

Bij schrijven van 20 september 1996 zijn namens eiser de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de rechtbank van 1 september 1999 waar eiser niet doch wel zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr P.M. Beishuizen, ambtenaar ten

departemente.

Vervolgens heeft de rechtbank bij beslissing van 20 september 1999 het onderzoek heropend en de behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Het geding is vervolgens opnieuw behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 23 november 1999 alwaar eiser, niet verschenen, is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Steenbergen, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Eiser stelt in aanmerking te komen voor een vvtv.

Hiertoe heeft eiser, kort weergegeven en voor zover hiervan belang, aangevoerd te behoren tot de Marehanclan, waarvan het clangebied zich bevindt in het centrale deel van Somalië. Hij heeft tot 18 december 1993 in Mogadishu gewoond

en is toen vertrokken naar Djibouti.

Eiser kan, zo stelt hij, niet terugkeren naar het gebied in de provincie

Mudug waarvan verweerder heeft aangegeven dat hij daar naar toe zal kunnen, nu het traditionele clangebied van zijn sub-sub-clan Reerdiini in het conflictgebied ten zuiden van Mudug is gelegen en de vraag of hij al dan niet in

aanmerking komt voor een vvtv dient te worden beoordeeld op het niveau van de sub-sub-clan.

Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat indien eiser op juiste wijze een vvtv was verleend, hij deze gedurende drie jaar zou hebben gehad, zodat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf (vtv).

Tenslotte heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij in aanmerking komt voor een vtv op grond van het driejarenbeleid nu er, sinds zijn aanvragen, sprake is van meer dan drie jaar relevant tijdsverloop.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiser behoort tot de clanfamilie Darod, clan Marehan, subclan Reerdiini.

De onderhavige beslissing op bezwaar van 14 augustus 1996 berust op de overweging dat verweerder bij brief van 23 augustus 1995 de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft bericht dat, behoudens enkele uitgezonderde categorieën

Somaliërs, beletselen voor uitzetting naar Somalië in het algemeen zijn opgeheven.

Nu eiser niet tot één van de betrokken categorieën behoort, komt eiser niet langer in aanmerking voor een vvtv.

Bij verweerschrift heeft verweerder dit standpunt nader onderbouwd.

Daartoe is door verweerder gesteld dat de provincie Gedo, waar het clangebied van de Marehan zich bevindt, als veilig werd beschouwd.

Voorts wordt de provincie Mudug, waar de Marehan ook clangebied hebben, sinds de beleidswijziging van 27 januari 1997 door verweerder veilig geacht. Dit standpunt zou, blijkens de uitspraken van de Rechtseenheidskamer van de

rechtbank (REK) van 3 juni 1999, door de rechtbank zijn bevestigd.

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit van 14 augustus 1996 als beleid van verweerder gold hetgeen is neergelegd in de brief van 23 augustus 1995 (TK 1994-1995, 19637, nr. 134) inzake de verlening van

voorwaardelijke vergunningen tot verblijf (vvtv's) aan Somalische asielzoekers. Dit beleid houdt in dat Somalische asielzoekers alleen worden verwijderd naar gebieden waarvan het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse

Zaken van 17 mei 1995 meldt dat verwijdering niet onverantwoord is. Het standpunt van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zoals neergelegd in voormeld ambtsbericht, luidt dat geen bijzondere veiligheidsproblemen te verwachten

zijn bij de verwijdering van Somalische uitgeprocedeerde asielzoekers indien de uitzetting plaatsvindt naar een gebied waar de (sub)clan van de betrokkene dominant is of tenminste naar een gebied van waaruit de betrokkene zijn

(sub)clangebied veilig kan bereiken.

Verweerder heeft in de brief van 23 augustus 1995 voorts aangegeven dat verwijdering vooralsnog niet verantwoord is naar een gebied waarvoor het ambtsbericht van 17 mei 1995 een uitzondering maakt. Dit zijn:

Mogadishu, de traditionele regio van de Hawiye-clan in het centrale gedeelte van Somalië en naar Burao en omgeving, het gebied waar leden van de Gahardji-sub-clan tot voor kort strijd leverden met eenheden van Egal. Het beleid zoals

neergelegd in de brief van 23 augustus 1995 is reeds vele malen voorwerp geweest van rechterlijke toetsing en wordt in de jurisprudentie in het algemeen redelijk geacht.

Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar een vvtv kon worden onthouden nu hij kon terugkeren naar Gedo, overweegt de rechtbank het volgende.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder gezien de situatie in Gedo zoals blijkt uit het ambtsbericht van 17 mei 1995, zich ten tijde van het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat

eiser geen vvtv hoefde te worden verleend, aangezien verwijdering naar Gedo niet van bijzondere hardheid zou zijn.

Niet is gebleken dat de veiligheidssituatie in de periode gelegen tussen 17 mei 1995 en 14 augustus 1996 zodanig is veranderd, dat verweerder alsnog gehouden was een vvtv te verlenen.

Eerst bij beleidswijziging van 27 januari 1997, gebaseerd op het ambtsbericht van 9 januari 1997, heeft verweerder verwijdering naar Gedo expliciet uitgesloten. Uit dit ambtsbericht blijkt dat in het noorden van de provincie Gedo na

het binnenvallen (ter bestrijding van bases van de fundamentalistische beweging Al Ittihad) van Ethiopië in augustus 1996, de voordien bestaande wankele samenwerking tussen de Marehan en de fundamentalistische autoriteiten is

verbroken.

Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit informatie die verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet kende en ook niet kon kennen, zodat dit niet kan afdoen aan de conclusie dat verweerder op goede

gronden heeft geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een vvtv.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich tevens op het standpunt gesteld dat verwijdering van eiser naar Mudug mogelijk zou zijn.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verwijdering naar Mudug niet mogelijk is en hem, gezien de veranderingen in de

veiligheidssituatie in Gedo in augustus 1996, thans alsnog een vvtv toekomt, overweegt de rechtbank het volgende.

Bij uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank van 3 juni 1999 (REK, registratienummer AWB 99/73) is ten aanzien van de vraag of verweerder zijn standpunt, dat de hele provincie Mudug als (relatief) veilig gebied kan

worden aangemerkt voldoende heeft onderbouwd, geoordeeld, dat verweerder, bij zijn wijziging van het vvtv-beleid met betrekking tot Somalië per 27 januari 1997, in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de provincie

Mudug (relatief) veilig kan worden geacht, aan welk oordeel een voldoende motivering ten grondslag ligt.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de rechtsoverwegingen 17 en 18 van de uitspraak van de REK en maakt deze overwegingen tot de hare.

Blijkens de uitspraak van de rechtbank, zittinghoudende te 's-Gravenhage van 6 oktober 1999, met registratienummer AWB 99/2325, heeft de rechtbank vervolgens verweerders standpunt dat de Marehan, behorend tot de clanfamilie Darod

zijn vaste clangebied onder meer in het zuidwestelijk deel van de provincie Mudug heeft, welk gebied als veilig kan worden aangemerkt, voldoende onderbouwd geacht. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel, zodat eiser om die

reden niet meer in aanmerking komt voor een vvtv.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat namens eiser ter zitting is betoogd dat op subclan niveau nog onderlinge strijd wordt geleverd zodat Mudug als onveilig moet worden beschouwd. Deze eerst in beroep opgeworpen stelling is

volstrekt niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.

Voorzover eiser zich in rechte nog heeft beroepen op de omstandigheid dat hem in geval van hernieuwde verlenging van zijn vvtv in 1996 op grond van een tijdsverloop van drie jaren thans een aanspraak op een vtv zou zijn toegekomen,

behoeft zulks, gegeven de conclusie dat verweerder op goede gronden de aanvraag tot verlenging van de vvtv in 1996 heeft kunnen weigeren, geen bespreking meer.

Ten aanzien van eisers beroep op het door verweerder gevoerde zogenaamde driejarenbeleid is de rechtbank van oordeel dat het onderwerp in deze procedure slechts de weigering een vvtv te verlenen is geweest en het bestreden besluit

slechts betrekking heeft op deze weigering. Een uitspraak omtrent aanspraken op een vtv op grond van vorengenoemd beleid valt naar het oordeel van de rechtbank als strijdig met de ex-tunc toetsing buiten de grenzen van dit geding.

Uit het voorgaande volgt dat het onderhavige beroep voor ongegrond moet

worden gehouden.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeel in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

de rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.C.A.M. Claassens als voorzitter en mr. Th.C.M. Hendriks-Jansen en mr. E.H.M. Druijf als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.F.J. van Beek als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2000.

Afschriften verzonden: 1 maart 2000

TH