Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5376

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2000
Datum publicatie
30-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/1405 VRWET
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:84, geldigheid: 2000-02-21
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3, geldigheid: 2000-02-21
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3, geldigheid: 2000-02-21
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 12, geldigheid: 2000-02-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/S113 met annotatie van Red

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

fungerend president

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 Algemene wet

bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 00/1405 VRWET

Inzake: A, zonder vaste woon- en verblijfplaats,

verzoeker,

gemachtigde mr. J.J. Eizenga, advocaat te Den Bosch,

tegen: 1. de Staatssecretaris van Justitie, verweerder 1, gemachtigde mr. H.M. Schaak, ambtenaar ten departemente;2. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),

verweerder 2, gemachtigde mr. M. van der Gaag, juridisch medewerker bij het COA.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1976, bezit de Iraakse

nationaliteit. Hij verblijft volgens eigen verklaring sedert 4 augustus 1999 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland.

2. Op 11 augustus 1999 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling, welke aanvraag bij beschikking van 13 augustus 1999 niet is ingewilligd. Verzoeker heeft tegen deze beschikking een bezwaarschrift

ingediend. Bij beschikking van 10 december 1999 is het bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 1 februari 2000 heeft hij wederom verzocht om toelating als vluchteling.

3. Op 5 februari 2000 heeft verzoeker aan verweerder (de Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna IND) verzocht om hem bij het COA aan te melden voor opvang. Verzoeker is niet bij het COA aangemeld en er is hem geen opvang

geboden. Het COA is niet zelfstandig overgegaan tot het bieden van opvang aan verzoeker. Tegen de (fictieve) weigering om hem opvang te bieden heeft verzoeker bij schrijven van 5 februari 2000 bij

de IND alsmede bij het COA een bezwaarschrift ingediend.

4. Bij schrijven van 5 februari 2000 heeft verzoeker aan de president van de rechtbank verzocht om een voorziening te treffen die ertoe strekt te bepalen dat de IND verzoeker aanmeldt bij het bureau van het COA en het COA verzoeker

alsnog opvang verleent.

Verweerder 1 heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Verweerder 2 heeft bij brief van 15 februari 2000 eveneens stukken ingezonden en een verweerschrift.

5. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 februari 2000. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Zowel verweerder 1 als verweerder 2 is ter zitting verschenen bij

gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief

beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de

beslissing op het verzoek meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over de bodemprocedure, draagt dat oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Namens verzoeker is onder meer gesteld dat in casu weliswaar sprake is van een tweede asielaanvraag doch dat dit, gelet op de omstandigheden van het geval, geen consequenties zou moeten hebben voor de opvang van verzoeker.

Bovendien, zo stelt de gemachtigde van verzoeker, is verzoekers eerste aanvraag in het Aanmeldcentrum Rijsbergen (AC) afgedaan en is hem dus niet eerder opvang geboden, terwijl het toch redelijk is dat iemand in ieder geval éénmaal

recht heeft op dergelijke opvang.

De gronden van verzoekers aanvraag om toelating als vluchteling zijn gelegen in omstandigheden die hij ten tijde van de eerste aanvraag niet naar buiten heeft durven brengen. Aangezien de IND heeft aangegeven dat, gelet op de inhoud

van verzoekers relaas, zijn aanvraag niet in de 48 uurs-procedure zal worden afgedaan maar dat dienaangaande nader onderzoek zal worden verricht en de procedure daardoor meer tijd in beslag zal nemen, zal verzoeker maanden zo niet

jaren opvang moeten ontberen. Gelet hierop dient de IND verzoeker bij het COA aan te melden en het op te dragen verzoeker opvang te verlenen.

3. De president oordeelt als volgt.

3.1 Allereerst is de president van oordeel dat het achterwege laten van een melding bij het COA gelijk moet worden gesteld met een handeling van verweerder 1 die ingevolge artikel 1a Wv wordt gelijk gesteld met een beschikking en

waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

3.2 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet COA is het COA belast met de uitvoering van de centrale opvang van asielzoekers. Als regel neemt het COA asielzoekers op in de opvang, nadat deze daartoe door de IND zijn aangemeld.

Daar gaat geen eigen onderzoek of besluitvorming door het COA aan vooraf.

3.3 Artikel 12 Wet COA bepaalt dat de Minister van Justitie regels kan stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, in een opvangcentrum.

Verweerder 1 heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door de vaststelling van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva). Bij besluit van 9 oktober 1998 is de Rva met ingang van 12

oktober 1998 gewijzigd. Het nieuwe artikel 4, tweede lid, Rva bepaalt dat de indiening van een tweede of volgende asielaanvraag geen recht geeft op opvang. In een brief aan het COA van 22 oktober 1998, kenmerk 709725/98/DVB, heeft

niettemin verweerder sub 1 aangegeven, dat hij in "zeer schrijnende humanitaire omstandigheden" van

deze regel kan afwijken. Daaraan is toegevoegd dat op voorhand geen uitputtende opsomming kan worden gegeven van voorbeelden van dergelijke omstandigheden, doch dat daarbij met name gedacht moet worden aan "medische omstandigheden

waarin ten behoeve van de direct medisch noodzakelijke noodhulp, opvang van de betreffende vreemdeling en of zijn gezinsleden in een COA-voorziening noodzakelijk is."

Tevens wordt in deze brief gesteld dat het de IND is die dient vast te stellen of sprake is van de hiervoor bedoelde zeer schrijnende humanitaire omstandigheden.

3.4 De president stelt voorop dat, nu verzoeker voorafgaand aan de onderhavige aanvraag van 1 februari 2000 op 11 augustus 1999 hier te lande asiel heeft gevraagd, naar de bewoordingen van artikel 4, tweede lid, Rva sprake is van

een tweede asielaanvraag van verzoeker.

De president ziet geen grond om verzoekers gemachtigde in het voetspoor van de president van de nevenzittingsplaats Haarlem van 15 oktober 1999 AWB 99/6937 te volgen in diens stelling dat het bepaalde in artikel 4, tweede lid, Rva

niet is bedoeld voor situaties als die van verzoeker, waarbij weliswaar een tweede asielaanvraag is ingediend doch waar sprake is van eerste opvang.

Naar het oordeel van de president vindt die stelling over de uitleg van genoemd artikellid geen steun in de parlementaire geschiedenis en de strekking van dat artikellid. De gemachtigde en de president van de nevenzittingsplaats

Haarlem gaan er aan voorbij dat bij de toepassing van de Rva het indienen van een tweede of volgende asielverzoek uitgangspunt is en niet de eerste of tweede opvang. Bovendien geldt dat aan de regelgever van het Rva de bevoegdheid

toekomt zelf de reikwijdte te bepalen van het voorzien in opvang gedurende een asielprocedure, uiteraard behoudens dwingendrechtelijke bepalingen.

3.5 Ook overigens ziet de president geen aanleiding om te oordelen dat verweerder 1 onjuist heeft gehandeld met betrekking tot artikel 4, tweede lid, Rva, waaronder de in voornoemde brief van 22 oktober 1998 geschetste afwijking

daarop. Dienaangaande overweegt de president dat de IND zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door verzoeker niet aannemelijk is gemaakt dat in zijn situatie sprake is van zeer schrijnende omstandigheden die

de IND ertoe hadden moeten brengen om verzoeker in afwijking van het gestelde in de Rva toch voor opvang bij het COA te melden. Verzoeker verblijft thans bij het Leger des Heils. Dat verzoeker, zoals hij stelt, tussen junks en

daklozen moet verkeren zal hem begrijpelijkerwijs in een moeilijke positie plaatsen maar van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden is niet gebleken.

4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de gevraagde voorzieningen moeten worden afgewezen.

5. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de president niet gebleken.

III. BESLISSING

De president:

wijst het verzoek tegen zowel verweerder 1 als 2 af.

Aldus gedaan door mr. M.J. van den Bergh en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 20000 in tegenwoordigheid van C.A.Y. Morison-Libourel als griffier.

afschrift verzonden op: 20 maart 2000