Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5374

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/7123
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 99/7123 VRWET

Inzake: A, woonplaats kiezende te B, eiser,

gemachtigde mr. J. Schoneveld, advocaat te Den Haag,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. K. van Zijp-van Hal, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1970, bezit de Turkse nationaliteit.

Eiser is op 28 augustus 1988 Nederland ingereisd. Na in het bezit te zijn geweest van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij echtgenote heeft eiser op 29 mei 1995 een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot

verblijf met als doel: het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst, na verbreking huwelijk. Verweerder heeft de vreemdeling op 26 maart 1996 een vergunning tot verblijf

verleend onder de beperking: "verblijf bij kind". Eiser heeft zich op 31 januari 1997 gewend tot de korpschef van de regiopolitie Haaglanden en heeft aldaar een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende

vergunning tot verblijf ingediend. Op deze aanvraag is door verweerder op 29 juni 1998 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 23 april 1999 is eiser gehoord door de Adviescommissie voor

vreemdelingenzaken (ACV). Verweerder heeft het bezwaar op 9 juli 1999 ongegrond verklaard.

2. Op 3 augustus 1999 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 februari 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd in aanmerking te komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning (zonder beperkingen) dan wel een vestigingsvergunning. Eiser baseert zijn stelling op het gegeven dat hij ten tijde van verbreking

van het huwelijk beschikte over voldoende middelen van bestaan en reeds vijf jaar legaal in Nederland verbleef.

Voorts stelt eiser dat hij in aanmerking komt voor een verlenging van de vergunning tot verblijf onder beperking: "verblijf bij kind". Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij zelf nooit het contact met zijn kind Esra, geboren op 10

juli 1992, heeft willen verbreken en dat er thans door deze rechtbank, sector Familie- en Jeugdrecht, een voorlopige omgangsregeling is vastgesteld.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt. Door verweerder wordt gesteld dat eiser sinds 1994 geen contact meer had met zijn kind en dat derhalve de vergunning tot verblijf met als

beperking "verblijf bij kind" ten onrechte aan eiser is verleend. Ook verder kan de beschikking naar mening van verweerder de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels doorstaan.

4. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vreemdelingenwet (Vw) kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

5. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en

werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van

een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

6. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht eiser een vergunning tot voortgezet verblijf heeft onthouden. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser niet in aanmerking komt voor een zelfstandige verblijfstitel (vergunning tot

vestiging), zoals beschreven in de

Vreemdelingencirculaire hoofdstuk A4/7.6.1. Immers eiser heeft niet gedurende een tijdvak van ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan zijn aanvraag, zijn hoofdverblijf in Nederland gehad, op grond van de artikelen 9-10

Vw. Eiser zou na de feitelijke verbreking van het huwelijk in maart 1993 in aanmerking zijn gekomen voor een zelfstandige verblijfsvergunning na verbreking huwelijk, doch heeft de ontwrichting van dit huwelijk niet tijdig gemeld bij

de bevoegde instantie. De rechtbank overweegt dat eiser eerst op 29 mei 1995 na hiertoe te zijn

opgeroepen, een aanvraag om voortgezet verblijf na verbreking huwelijk heeft ingediend.

Nu eiser van maart 1993 tot maart 1996 geen verblijf heeft gehad op grond van de artikelen 9-10 Vw heeft verweerder eiser terecht een vergunning tot vestiging kunnen onthouden. De omstandigheid dat eiser (achteraf gebleken ten

onrechte, omdat er sedert 1994 geen contact meer was met zijn dochter) op 26 maart 1996 een vergunning tot verblijf is verleend onder de beperking verblijf bij kind welke geldig was tot maart 1997 en voorts het feit dat eiser in

deze periode legaal hier te lande heeft verbleven, kan niet leiden tot een ander oordeel nu deze periode niet onmiddellijk aan zijn aanvraag is vooraf gegaan.

7. Ingevolge artikel 6, eerste lid aanhef en onder eerste gedachtenstreepje van Besluit 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije, heeft een Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort na een jaar arbeid in

die Lid-staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft. Ingevolge het arrest van 16 december 1992 van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen inzake Kus kan een

Turkse werknemer die op grond van genoemd artikel 6 aanspraak maken op verlenging van zijn arbeidsvergunning, eveneens aanspraak maken op verlenging van de geldigheidsduur van zijn vergunning tot verblijf.

Ter uitvoering van genoemd artikel 6 voert verweerder een beleid op basis waarvan een Turkse onderdaan die hier te lande verblijfsrecht heeft, voor voortgezet verblijf in aanmerking komt indien:

- hij onmiddellijk voorafgaand aan het verlies van zijn verblijfsrecht reeds gedurende een jaar onafgebroken arbeid in loondienst heeft verricht op basis van een vergunning tot verblijf en een tewerkstellingsvergunning, danwel

zonder

een tewerkstellingsvergunning is vereist;

- de werkgever nog voortgezette werkgelegenheid heeft;

- de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan;- hij geen gevaar vormt voor de openbare rust, de openbare orde of de nationale veiligheid.

8. De rechtbank oordeelt dat eiser, nu hij op 28 mei 1996 in dienst is getreden bij zijn huidige werkgever, op 26 maart 1997, op welke dag de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf onder beperking:

"verblijf bij kind" is beƫindigd, geen heel jaar doch slechts 10 maanden onafgebroken arbeid in loondienst heeft verricht. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor voortgezet verblijf op basis van het beleid inzake Turkse

werknemers.

9. Met betrekking tot hetgeen eiser heeft aangevoerd inzake de verlenging van de vergunning tot verblijf onder de beperking verblijf bij kind, overweegt de rechtbank het volgende.

Het beleid inzake familie- of gezinsleven na echtscheiding of verbreking van een relatie is neergelegd in hoofdstuk B1/11.2 Vc.

Hierin staat beschreven dat na echtscheiding of verbreking van een relatie het familie- of gezinsleven tussen ouders, ook al is er geen samenwoning meer, blijft bestaan, indien er sprake is van:

- regelmatig en frequent contact tussen de niet verzorgende ouder en het kind;

- een omgangsregeling;

- een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.

10. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat ingevolge de ex tunc- toetsing de rechtbank het feit dat inmiddels door deze rechtbank (sector Familie- en jeugdrecht) een omgangsregeling voor eiser en zijn dochter heeft vastgesteld,

niet kan "meenemen" in de onderhavige procedure.

11. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat er ingevolge de beschikking van de rechtbank d.d. 7 januari 2000 twee keer contact is geweest en voorts dat voordien reeds een aantal bezoeken van eiser aan zijn kind zijn

gerealiseerd. Het contact is echter van dien aard dat naar het oordeel van de rechtbank -nog- niet gesproken kan worden van een regelmatig en frequent contact tussen eiser en zijn dochter zodat eiser niet voldoet aan het terzake

geldende beleid.

12. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de weigering eiser

een vergunning tot verblijf te verlenen, een schending oplevert van artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierin is - voor zover hier van belang - bepaald

dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ("family life"). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover

bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen

van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De rechtbank is van oordeel dat tussen eiser en zijn dochter familie- en gezinsleven als

bedoeld in artikel 8 EVRM bestaat.

Aangezien de bestreden beschikking er toe strekt eiser een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het familie- en gezinsleven met kind hier te lande in staat stelde, is sprake van een inmenging in het recht op

respect voor dit familie- of gezinsleven.

Vervolgens rijst de vraag of die inmenging, gelet op artikel 8, tweede lid, EVRM gerechtvaardigd is. Teneinde die vraag te beantwoorden, dient een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging te worden gemaakt, waarbij de

Nederlandse Staat een "certain margin of appreciation" toekomt. Daarbij moet in elk geval worden vastgesteld of sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

Op grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof geldt daarbij als uitgangspunt dat artikel 8 EVRM voor de Staat geen algemene verplichting meebrengt gezinshereniging op haar grondgebied mogelijk te maken door immigratie toe

te staan. Teneinde de omvang van de verplichtingen van de Staat te bepalen en de door de Staat gemaakte belangenafweging te beoordelen, worden daarom de feiten en omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw genomen.

Eiser heeft bij deze rechtbank (sector Familie- en jeugdrecht) op 27 oktober 1998 een verzoekschrift ingediend voor het verkrijgen van een omgangsregeling met zijn minderjarig kind. Bedoeld verzoek is op 11 juni 1999 en 17 december

1999 ter terechtzitting van de rechtbank behandeld en bij vonnis van 7 januari 2000 is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld voor de duur van zes maanden.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval door verweerder aan het individuele belang van eiser meer waarde dient te worden gehecht dan aan het algemene belang van verweerder. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking

dat het enkele feit dat de omgangsregeling voorlopig is, nog door de rechter zal worden geƫvalueerd en een geringe omvang heeft, nog niet betekent dat het belang van de staat nu reeds zou dienen te prevaleren boven dat van eiser.

Dit zou anders kunnen worden na het onverhoopt mislukken van de proef-omgangsregeling. Vooralsnog heeft eiser in de ogen van de rechtbank een groot belang om de gelegenheid te krijgen het contact met zijn dochter meer "body" te

geven.

13. Het beroep is, gelet op het respect voor "family life", gegrond.

14. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,-

en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid,

Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt met inachtneming van het bovenstaande;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,- vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. M.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2000, in tegenwoordigheid van mr. M. van Loon, griffier.

afschrift verzonden op: