Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5356

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/3244, 99/3863
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/S97

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 99/3244 en 99/3863 Vrwet Z VB

uitspraak: 16 februari 2000

UITSPRAAK

inzake: 1. A,

geboren op [...] januari 1981,

IND dossiernummer 9503.10.2235,

en zijn broer,

2. B,

geboren op [...] januari 1985,

verblijvende te C,

van Somalische nationaliteit,

IND dossiernummer 9503.10.2141,

eisers,

gemachtigde mr. R. van Riet, advocaat te Hoorn,

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. J. Visser.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Eisers hebben 10 maart 1995 aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Deze aanvragen zijn niet ingewilligd bij beschikking van respectievelijk 30 november 1995 en 12 maart 1996,

uitgereikt op 2 april 1996. Wel zijn zij in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf voor alleenstaande minderjarige asielzoeker (AMA) met ingang van 10 maart 1995.

1.2 Op 20 januari 1998 hebben eisers verzocht om verlenging van de geldigheidsduur van hun vergunning tot verblijf. Bij afzonderlijke beschikkingen van 6 maart 1998, uitgereikt op 24 maart 1998, heeft verweerder deze verlenging

geweigerd c.q. de vergunning tot verblijf ingetrokken. Eisers hebben daartegen bij brief van 15 april 1998 bezwaar gemaakt.

1.3 Bij brief van 17 november 1998 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op hun bezwaarschrift. Bij uitspraken van 8 maart 1999 zijn hun beroepschriften (Awb 98/6361 en 98/6331 Vrwet Z VR) door de rechtbank

te 's-Gravenhage, zittinghoudende te Zwolle, gegrond verklaard en is verweerder opgedragen binnen zes weken te beslissen op het bezwaarschrift van eisers.

1.4 Eisers zijn op 9 maart 1999 gehoord door een ambtelijke commissie.

1.5 Bij afzonderlijke beschikkingen van 29 maart 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.6 Bij afzonderlijke beroepschriften van 20 april 1999 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers

gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 19 januari 2000. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder

voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening

van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.3 Verweerder heeft de vergunning tot verblijf voor AMA ingetrokken omdat de moeder van eisers, C, sinds 10 juni 1995 in

Nederland verblijft. De voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) van hun moeder is bij beschikking van 6 maart 1998 ingetrokken in verband met de beleidswijziging ten aanzien van Somalische asielzoekers die door verweerder aan

de Tweede Kamer is medegedeeld in de brief van 27 januari 1997. Zij kan terug naar een gebied waar haar (sub)clan dominant is. Nu de moeder van eisers dient terug te keren naar het land van herkomst, is de adequate opvang voor

eisers aldaar gewaarborgd en is het bijzondere beleid ten aanzien van AMA's niet langer op hen van toepassing. Niet is gebleken van enige beleidsregel op grond waarvan eisers in aanmerking zouden komen voor voortgezet verblijf.

Verweerder volgt eisers niet in hun stelling dat zij een vergunning tot verblijf dienen te krijgen omdat zij drie jaar als AMA hier te lande hebben verbleven. Op grond van hoofdstuk B7/13.7 van de

Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) kan een vergunning tot verblijf voor AMA worden ingetrokken of niet worden verlengd indien gedurende een periode van drie jaar nieuwe informatie beschikbaar komt waaruit blijkt dat er mogelijkheden

voor opvang zijn in het land van herkomst. Slechts indien na afloop van die drie jaar dergelijke informatie niet voorhanden is, wordt een vergunning tot verblijf verleend. In casu is gebleken dat bij beschikking van 6 maart 1998 de

vvtv van de moeder van eisers is ingetrokken. Derhalve is binnen drie jaar gebleken dat er opvang voor hen zal zijn in het land van herkomst. Dat de beschikking eerst op 24 maart 1998 is uitgereikt maakt dit niet anders.

Verweerder acht het niet aannemelijk dat eisers zodanig zijn geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en de Somalische samenleving zijn ontwend dat terugkeer naar hun land van herkomst niet kan worden verlangd. Eisers hebben het

grootste gedeelte van hun leven in Somalië verbleven en ook hun familieleden zullen naar Somalië terugkeren.

Eisers komen niet in aanmerking voor een vvtv. Op basis van de ambtsberichten van 9 januari 1997 en van 23 oktober 1998 van de Minister van Buitenlandse Zaken is geoordeeld dat de situatie in de gehele provincie Mudug zodanig is dat

van uitgeprocedeerde asielzoekers in redelijkheid mag worden verwacht dat zij daarheen terugkeren en dat een relatie op clanniveau voldoende is om een terugkeermogelijkheid naar het Noorden van Somalië aanwezig te achten. Verweerder

is niet bekend met omstandigheden die aanleiding zouden behoren te geven voor een ander standpunt. Zulke omstandigheden worden ook niet genoemd in de uitspraak van 8 januari 1998 van de rechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te

Haarlem, (Awb 95/7914 en 95/7915) waar eisers naar hebben verwezen.

In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd.

Sedert de komst van de moeder van eisers naar Nederland voldeden eisers in feite niet meer aan het AMA-beleid omdat zij toen niet meer aan te merken waren als een alleenstaande in de zin van dit beleid. Eisers zijn niettemin in het

bezit gesteld van een vergunning tot verblijf voor AMA omdat hun moeder in het bezit was van een vvtv en omdat, gelet op de tijdelijke aard van deze status, gezinshereniging op grond van het gezinsherenigingsbeleid van B7/15.3.5

uitgesloten was. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het beleid blijkt dat eerst indien de driejarentermijn is verstreken en verweerder niet over nieuwe informatie beschikt voor wat betreft de mogelijkheden van opvang,

aan de vreemdeling een vergunning tot verblijf om humanitaire redenen zal worden verleend. Dit houdt in dat op verweerder direct na ommekomst van de driejarentermijn een onderzoeksplicht rustte om te bezien of en in hoeverre er

aanleiding bestond om de aan eisers verleende vergunning tot verblijf in te trekken of te verlengen. Verweerder kon zich daarbij niet baseren op informatie die eerst na ommekomst van deze drie jaren beschikbaar komt. In deze zaak

heeft verweerder terecht op basis van informatie die binnen drie jaar na verlening van de verblijfstitel beschikbaar is gekomen, besloten dat er geen grond was voor verlenging van deze verblijfstitel.

Verweerder stelt dat eisers, met hun familie, terug kunnen keren naar de provincie Galgaduud.

2.4 Eisers hebben in hun beroepschrift aangevoerd dat in hoofdstuk B7/13.7 Vc is te lezen dat "na onderzoek kan worden overwogen om tot intrekking of niet verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf over te

gaan", waaruit blijkt dat er sprake is van beleidsvrijheid voor verweerder, zelfs indien er sprake is van nieuwe informatie. In het geval van eisers is er geen sprake van nieuwe informatie met betrekking tot familieleden in het land

van herkomst.

De nieuwe informatie bestaat uit de omstandigheid dat bij beslissing van 6 maart 1998 de vvtv van hun moeder is ingetrokken en dat haar is aangezegd het land te verlaten. Verweerder koppelt zijn beslissing uitsluitend hieraan. Dit

is onjuist. Hoewel de beslissing van 6 maart 1998 is, is deze pas op 24 maart 1998 uitgereikt aan de moeder van eisers zodat, gezien de tekst van het aanbiedingsblad, haar eerst op 24 maart 1998 is aangezegd Nederland te verlaten.

Pas met ingang van die datum had sprake kunnen zijn van opvang in het land van herkomst. Derhalve is eerst na afloop van de periode van drie jaar komen vast te staan dat er eventueel mogelijkheden zijn voor opvang in het land van

herkomst.

Verweerder heeft de conclusie, dat niet aannemelijk is dat eisers zodanig zijn gentegreerd in de Nederlandse samenleving en de Somalische samenleving zijn ontwend dat terugkeer naar hun land van herkomst niet kan worden verlangd,

niet nader gemotiveerd. Eisers hebben voor hun ontwikkeling essentiële jaren in Nederland doorgebracht.

Eisers zijn tot slot van mening dat zij in ieder geval voor toelating in aanmerking komen op grond van het driejarenbeleid of in het bezit gesteld dienen te worden van een vvtv.

2.5 Het door verweerder gevoerde beleid inzake AMA's is neergelegd in hoofdstuk B7/13 Vc. In paragraaf B7/13.7 staat, voor zover hier van belang, vermeld:

"De vergunning tot verblijf wordt voor de duur van één jaar verleend, waarna de geldigheidsduur met tweemaal een jaar kan worden verlengd (...) Indien gedurende deze periode van in totaal drie jaar nieuwe informatie over ouders

en/of verwanten beschikbaar komt, waaruit zou blijken dat er eventuele mogelijkheden tot opvang in het land van herkomst bestaan, kan na onderzoek worden overwogen om tot intrekking of niet-verlenging van de geldigheidsduur van de

vergunning tot verblijf over te gaan. Indien na afloop van de periode van drie jaar de hierbedoelde informatie nog niet beschikbaar is, zal aan betrokkene om

humanitaire redenen een vergunning tot verblijf zonder beperking worden verleend."

Verweerder heeft de vergunning tot verblijf voor AMA ingetrokken ervan uitgaande dat eisers, nu de vvtv van hun moeder is ingetrokken, opvang hebben in het land van herkomst.

Naar het oordeel van de rechtbank moet aangenomen worden dat verweerder binnen voornoemde periode van drie jaar informatie heeft gekregen waaruit afgeleid kon worden dat eisers (binnenkort) adequate opvang zouden hebben in het land

van herkomst. Hierbij is van belang dat eisers op 10 maart 1995 in het bezit zijn gesteld van een vergunning tot verblijf voor AMA, hun moeder sinds 10 juni 1995 in Nederland verblijft en vóór 10 maart 1998 bleek dat er opvang was

in het land van herkomst in verband met de (voorgenomen) intrekking van de vvtv van de moeder van eisers bij beschikking van 6 maart 1998.

De vraag is aan de orde of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eisers, gelet op deze informatie, niet in aanmerking kwamen voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

Paragraaf B7/13.7 Vc is niet duidelijk waar het gaat om de vraag tot welk moment of wanneer nog een vergunning tot verblijf zonder beperkingen geweigerd kan worden aan een alleenstaande minderjarige asielzoeker. In deze paragraaf

wordt eerst melding gemaakt van informatie die beschikbaar komt "gedurende deze periode van in totaal drie jaar". Vervolgens staat vermeld "Indien na afloop van de periode van drie jaar de hierbedoelde informatie nog niet

beschikbaar is, zal aan betrokkene om humanitaire redenen een vergunning tot verblijf zonder beperking worden verleend." Uit laatstgenoemde zin zou afgeleid kunnen worden dat een vergunning tot verblijf zonder beperkingen geweigerd

zou kunnen worden indien binnen de periode van drie jaar informatie beschikbaar komt over beschikbare adequate opvang, ook indien deze informatie niet binnen die periode heeft geleid tot intrekking of niet-verlenging.

De rechtbank is echter van oordeel dat, zolang de

Vreemdelingencirculaire hier niet meer duidelijkheid over verschaft, een redelijke uitleg van het AMA-beleid meebrengt dat verweerder gedurende voornoemde drie jaar onderzoek doet naar de vraag of sprake is van adequate opvang en

niet -zoals betoogd door verweerder- eerst nadat deze periode is verstreken. De redelijke uitleg van het beleid brengt tevens mee dat als binnen drie jaar informatie beschikbaar komt waaruit blijkt dat er adequate opvang is in het

land van herkomst, de vergunning tot verblijf voor AMA binnen deze periode niet wordt verlengd of wordt ingetrokken en dat niet eerst na het verstrijken van de geldigheidsduur van het derde jaar van de vergunning tot verblijf voor

AMA wordt medegedeeld dat geen vergunning tot verblijf zonder beperkingen zal worden verleend. Dit geldt te meer in die gevallen, zoals de onderhavige, waarin al (zeer) spoedig duidelijk wordt dat er adequate opvang is in het land

van herkomst of de vreemdeling niet langer voldoet aan de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend.

De vergunning tot verblijf voor AMA van eisers is niet binnen de periode van drie jaar ingetrokken. Op grond van artikel 3:40 Awb treedt een besluit pas in werking bij de bekendmaking van het besluit. De primaire beschikking waarmee

verweerder de vergunning tot verblijf heeft willen intrekken, en die in de bestreden beschikking is gehandhaafd, dateert van 6 maart 1998 maar is eerst in werking getreden met de uitreiking daarvan, derhalve op 24 maart 1998. Op die

datum waren eisers reeds meer dan drie jaar in het bezit van een vergunning tot verblijf voor AMA en had hen, gelet op voornoemde (redelijke) uitleg van paragraaf B7/13.7 het voorgaande, geen vergunning tot verblijf zonder

beperkingen mogen worden onthouden.

Dat verweerder de vergunning tot verblijf voor AMA niet eerder heeft ingetrokken, hoewel dat wel mogelijk was, komt voor rekening en risico van verweerder. Immers, reeds vanaf het moment dat de moeder van eisers in Nederland

verbleef, had de vergunning tot verblijf van eisers

ingetrokken kunnen worden. Vanaf dat moment waren zij geen alleenstaande minderjarige asielzoekers meer en voldeden zij daarmee niet langer aan de beperking waaronder de door hen verleende vergunning tot verblijf was verleend. Niet

valt in te zien waarom zij niet, net als hun moeder, in het bezit gesteld hadden kunnen worden van een vvtv. Toetsing aan het gezinsherenigingsbeleid was derhalve niet nodig, zoals wel is betoogd in het verweerschrift.

2.6 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking vernietigd dient te worden wegens strijd met het door verweerder gevoerde beleid.

Het beroep is derhalve gegrond.

2.7 Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers.

3 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de beschikkingen van 29 maart 1999;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eisers zal nemen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het griffierecht ad ƒ 450,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden om de proceskosten ad ƒ 1420,00 aan eisers te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. W.H. van Benthem, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. A.S.W. Kroon, griffier, op 16 februari 2000.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).

Afschrift verzonden: 16 februari 2000