Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5158

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2000
Datum publicatie
21-11-2002
Zaaknummer
AWB 99/3238
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen, geldigheid: 2000-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2000/69 met annotatie van BKO
Ars Aequi RV20000071 met annotatie van Th.L. Badoux

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/3238 VRWET H

inzake: A, verblijvende te B, eiseres,

gemachtigde: mr A. van Driel, advocaat te Alkmaar;

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr J.P. Nijenhuis, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Eiseres, geboren op [...] 1962, heeft de Indonesische nationaliteit.

Zij verblijft sedert 16 oktober 1995 in Nederland. Op 9 april 1996 heeft zij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf, met als doel: het verrichten van arbeid als zelfstandige. Bij besluit van 18 februari

1997 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Eiseres heeft op 14 maart 1997 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 17 april 1997 ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 23 april 1997 tegen dit besluit beroep bij deze rechtbank

ingesteld alsmede bij verzoekschrift van gelijke datum de president verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het

beroep is beslist.

1.2 Bij uitspraak van 19 december 1997 (AWB 97/3553 & 97/3552) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en de voorlopige voorziening afgewezen.

1.3 Op 30 september 1998 is eiseres samen met (vertegenwoordigers van) collegae gehoord door een ambtelijke commissie. Bij beslissing van 22 maart 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4 Bij beroepschrift van 16 april 1999 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank. Ter voorkoming van dubbele procedures is aan eiseres in

het kader van de versnelde behandeling van het beroep uitstel van vertrek verleend. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 8 december 1999. Ter zitting hebben eiseres en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

Voorts zijn ter zitting gehoord mr. dr. R.H. Haveman, Universitair docent strafrecht, mr. S. van de Poel, criminologe, en G. Kuypers, administrateur.

Voor zover partijen in de gelijktijdig behandelde zaken eenmaal stukken hebben ingediend, heeft de rechtbank deze gearchiveerd in het dossier van eiseres.

1.6 Na de zitting hebben partijen zich nog schriftelijk uitgelaten omtrent de ter zitting aan de orde gestelde vraag of voorlegging van de zaak aan de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken was vereist. Daarna is het onderzoek met

instemming van partijen zonder nadere zitting gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Centraal in het geschil staat de vraag of eiseres moet worden toegelaten voor verblijf als zelfstandig werkzame prostituee. Het toepasselijk beleidskader is neergelegd in hoofdstuk B12 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (hierna

ook Vc. genoemd). Bij de beoordeling zijn voorts van belang de gelijkluidende uitspraken van 19 december 1997, waarvan een is gepubliceerd in RV 1997, nr. 75.

In B12 Vc. is tot uitgangspunt genomen dat verblijf kan worden toegestaan aan vreemdelingen die zelfstandig, dat wil zeggen niet in loondienst, in Nederland een beroep of bedrijf willen uitoefenen, indien daarmee een wezenlijk

Nederlands belang is gediend. Naast algemene

toelatingsvereisten waaronder het door de bedrijfsuitoefening beschikken over voldoende middelen van bestaan, wordt in B12/3 voor de vestiging als zelfstandige in economische zin een viertal criteria voor toelating uitgewerkt.

Daarbij wordt de eis gesteld, dat het moet gaan om zelfstandige ondernemersactiviteiten (B12/3 onder a.). Voorts moet met de bedrijfsactiviteit een wezenlijk Nederlands economische belang worden gediend (B12/3 onder c.). Dit is het

geval als de bedrijfsactiviteit duidelijk innovatieve waarde heeft. Verder wordt de eis gesteld dat de zelfstandige voor het uitoefenen van de bedrijfsactiviteit uit het buitenland moet worden aangetrokken (B12/3 onder d.).

2.3 Verweerder heeft zich in de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat hij geen aanleiding heeft gevonden om eiseres aan te merken als zelfstandig werkzame prostituee en haar als zodanig verblijf in Nederland toe te

staan.

Daartoe heeft verweerder er allereerst op gewezen dat ten tijde van het bestreden besluit een bordeelverbod gold en dat er derhalve geen sprake is van reguliere arbeid, welke in loondienst kan worden verricht. Zolang dit

bordeelverbod nog van kracht is en aan het prostitutiebedrijf geen controleerbare voorwaarden zijn gesteld, bestaat het gevaar dat buitenlandse prostituees het slachtoffer worden van mensenhandel. De toelating van prostituees van

buiten de Europese Unie (EU) voor het verrichten van arbeid als zelfstandige wordt daarom politiek en maatschappelijk onwenselijk geacht.

Verweerder heeft vervolgens geoordeeld dat prostituees niet zijn te beschouwen als zelfstandige ondernemers, nu bij de uitoefening van prostitutie in (bijna) alle denkbare gevallen een werkgever is aan te merken in de zin van de Wet

arbeid vreemdelingen (WAV), ook al kan krachtens die wet geen tewerkstellingsvergunning voor arbeid als prostituee worden verkregen. Dit betekent dat hoofdstuk B12 van de Vreemdelingencirculaire naar de mening van verweerder op deze

werkzaamheden niet van toepassing is.

Ook overigens is naar het oordeel van verweerder niet gebleken dat de op de Alkmaarse Achterdam werkzame prostituees, zoals eiseres, als zelfstandig ondernemer in de zin van hoofdstuk B12 Vc. werkzaam zijn.

Daarbij acht verweerder bepalend dat in de uitoefening van een prostitutiebedrijf, zoals een (raam)bordeel, de exploitant de prostituees arbeid laat verrichten, waarbij de prostituees in een van de exploitanten afhankelijke positie

staan. De exploitanten bezitten ter plaatse een monopoliepositie en ontvangen een niet gering deel van de inkomsten van de prostituees. Dit betekent dat de werkzaamheden worden verricht in een constructie die sterke gelijkenis

vertoont met werkzaamheden in loondienst.

Voorts voldoet eiseres, gelijk de andere prostituees, ook niet aan de criteria met betrekking tot de uitoefening van zelfstandig ondernemerschap in materiële zin, zoals weergegeven in de bijlage bij het voor onderhavige zaak

uitgebrachte advies van de Minister van Economische Zaken van 30 september 1998. Zo wordt niet een deugdelijke administratie gevoerd. Daarnaast brengt de prostituee uitsluitend haar arbeid in, zonder dat gebleken is van specifieke

vakkennis, bijzondere expertise, inbreng van kapitaal of een ondernemingsplan.

Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat, zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de werkzaamheden van eiseres aan te merken zijn als arbeid als zelfstandige, geen wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend

met het verblijf van prostituees als eiseres in Nederland. Daartoe heeft verweerder verwezen naar de adviezen van de Minister van Economische Zaken van 30 maart 1998 en 30 september 1998.

Voorts is verwezen naar het advies van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 april 1998, waaruit is gebleken dat met de Alkmaarse situatie geen Nederlands volksgezondheidsbelang dan wel maatschappelijk

welzijnsbelang is gediend.

De vraag of er al dan niet prioriteitgenietend aanbod aanwezig is, kan naar het oordeel van verweerder thans niet beantwoord worden, aangezien pas na het legaliseren van de prostitutiebranche kan worden vastgesteld of er behoefte

bestaat aan buitenlandse prostituees, waarna pas nadere criteria kunnen worden vastgesteld.

Verweerder ziet voorts geen aanleiding om in afwijking van deze adviezen een wezenlijk Nederlands belang aanwezig te achten.

2.4 Eiseres heeft in beroep als formele grief aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gemeend in dit geval te mogen afzien van het horen van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (hierna ook ACV genoemd).

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres zich in dit verband mede beroepen op het gelijkheidsbeginsel, waarbij verwezen is naar de zaak van een Oekraïense, in Groningen werkzame prostituee (onder andere bekend uit de uitspraak

van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle van 4 juni 1999, zaaknummer 98/5251). Na vernietiging van een eerdere beschikking bij deze uitspraak heeft verweerder gekozen voor advisering door de ACV.

Voorts is aangevoerd dat eiseres wel als zelfstandige dient te worden aangemerkt. Daartoe is gesteld dat zij net als iedere andere ondernemer kosten maakt en daartegenover inkomsten ontvangt. Er is geen sprake van een

afhankelijkheidsrelatie met de raamexploitanten. Het inhuren van diensten, zoals die betreffende haar veiligheid, onderscheidt haar niet van andere zelfstandigen die gebruik maken van beveiligingsbeambten.

Zij heeft getracht om belasting af te dragen, maar vooralsnog neemt de belastingdienst Alkmaar in tegenstelling tot andere belastingdiensten in den lande een weigerachtige houding aan.

Verder is naar de mening van eiseres een wezenlijk Nederlands belang gediend met haar aanwezigheid hier te lande, gelet op de aantoonbare behoefte aan de buitenlandse prostituees. Er is daarbij momenteel geen prioriteitgenietend

aanbod aanwezig op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Prostitutie betreft bovendien werk waar wel degelijk een bepaalde kwalificatie voor vereist is. De setting op de Alkmaarse Achterdam, waarin het werk plaats vindt, is uniek, omdat sprake is van een samenwerkingsproject tussen

diverse partijen waaronder de GGD en de vreemdelingendienst, waarbij er naar gestreefd wordt een zo veilig mogelijke omgeving te creëren voor zowel de klant als de prostituee.

Dit dient tevens een Nederlands belang in die zin dat vrouwenhandel wordt tegengegaan.

2.5 De rechtbank overweegt het volgende.

2.6 De grief van eiseres dat zij door de ACV gehoord had dienen te worden treft geen doel. Tussen partijen is in confesso dat verweerder niet op grond van de wet gehouden was tot voorlegging van onderhavige zaak aan de ACV. Naar het

oordeel van de rechtbank was verweerder ook niet uit andere hoofde tot die voorlegging gehouden. Evenmin valt uit voornoemde "Groningse" zaak af te leiden dat verweerder ten aanzien van de problematiek van de toelating van

buitenlandse prostituees in zijn algemeenheid ACV-advisering geïndiceerd heeft geacht. Gebleken is immers, dat in die zaak capaciteitsoverwegingen aan de ACV-voorlegging ten grondslag hebben gelegen. Van rechtens - voor beoordeling

van deze grief relevante - gelijke gevallen is ook overigens niet gebleken.

2.7 De rechtbank komt vervolgens toe aan beantwoording van de vraag of verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld heeft dat de werkzaamheden van eiseres niet zijn aan te merken als arbeid als zelfstandige als bedoeld

in B12 Vc.

2.8 Verweerders verwijzing in dit verband naar de WAV begrijpt de rechtbank aldus dat toetsing aan de bepalingen van die wet reeds duidelijk maakt dat er een werkgever in de zin van die wet is aan te wijzen, zodat de werkzaamheden

van eiseres niet zijn aan te merken als arbeid als zelfstandige en aan toetsing van het in hoofdstuk B12 Vc.

neergelegde beleid niet wordt toegekomen.

2.9 De rechtbank merkt dienaangaande op dat de onderhavige procedure is ingeleid met een aanvraag om een vergunning tot verblijf als zelfstandige en niet met een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning op grond van de WAV. De hier

als eerste te beantwoorden vraag is dan ook niet of een (tewerkstellingsvergunningplichtige) werkgever in de zin van de WAV is aan te wijzen, maar of verweerder op grond van het door hem krachtens de Vw gevoerde beleid op goede

gronden heeft aangenomen dat eiseres niet als zelfstandige in de zin van het beleid is aan te merken. Dit betekent derhalve dat hoofdstuk B12 Vc. het toetsingskader bepaalt.

2.10 Gegeven dat toetsingskader dient beoordeeld te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar werkzaamheden verricht binnen een constructie die sterke gelijkenis vertoont met een

loondienstverhouding en zij voorts niet voldoet aan de door de Minister van Economische Zaken gehanteerde, en door verweerder gevolgde, criteria ter vaststelling van materieel ondernemerschap.

2.11 Bij die beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten, zoals deze uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren zijn gekomen.

Eiseres is een van de vrouwen, afkomstig uit verschillende landen van buiten de EU, die naar Nederland zijn gekomen of hier thans verblijven om als prostituee te werken teneinde te voorzien in de kosten van levensonderhoud van

henzelf alsmede van hun familieleden in het land van herkomst. Zij zijn als prostituee werkzaam op de Achterdam te Alkmaar.

Aldaar huren zij per dag(deel) een kamer van de exploitant van een kamerverhuurbedrijf. De huurprijs bedraagt f 100,- tot f 150,-, afhankelijk van het type kamer. Een deel van dat bedrag is bestemd voor het inhuren van "bodyguards",

die zorg dragen voor rust op de Achterdam en voor de veiligheid van de prostituees. Het aantal werkdagen per prostituee wisselt: sommigen werken 18 dagen per maand, sommigen 20, anderen 22 of 26 dagen per maand. Ook het aantal

werkuren per dag kan

verschillen. Zo heeft een van de vrouwen verklaard minder te werken als zij zich niet lekker voelt. Bij anderen is dit afhankelijk van het aantal ontvangen klanten. De prostituees hebben onderling prijsafspraken gemaakt voor de door

hen te verrichten handelingen. De omzetten variëren van f 3550,- tot f 6850,- per maand. Met het oog op gaande zijnde onderhandelingen met de fiscus worden kasboekjes bijgehouden van de inkomsten en uitgaven. De huur bedraagt ca.

40% van de omzet. Andere uitgaven zien op de aankoop van voorbehoedmiddelen, gels, cosmetica, lingerie, massage-olie en hulpmiddelen.

Ter behartiging van hun maatschappelijke-, gezondheids-, juridische- en economische belangen hebben de prostituees zich georganiseerd in de "Vereniging Achterdam". Zij betalen een maandelijkse contributie, welke onder meer wordt

aangewend ter betaling van loon aan een uit hun midden benoemde coördinatrice en van honoraria van de administrateur, accountant en advocaat. De mobiliteit onder de vrouwen van de Achterdam is groot. Er is een vaste kern van 20 à

30% blijvende vrouwen. Een groot deel "hopt" van Alkmaar naar andere steden in Nederland en andere Westeuropese landen. Een deel daarvan keert terug naar Alkmaar, een ander deel blijkt definitief vertrokken.

2.12 Voor het aannemen van een met een loondienstverhouding gelijk te stellen constructie zal tenminste sprake moeten zijn van een als werkgever te beschouwen derde, natuurlijke of rechtspersoon, voor wie de werkzaamheden verricht

worden. Daarvan is de rechtbank in de onderhavige zaak onvoldoende gebleken.

Uit de hierboven genoemde feiten blijkt dat eiseres haar werkzaamheden als prostituee uitoefent zonder enig toezicht, controle of aanwijzingen van de exploitant op de inhoud of omvang daarvan. Door zelf te beslissen hoeveel uren zij

per dag en hoeveel dagen zij per week werkt, bepaalt zij zelf de hoogte van haar inkomsten en omzet. Bovendien is zij vrij om op elk gewenst moment naar elders te vertrekken en kan zij naar believen terugkeren. Weliswaar heeft zij

een af- en aanmeldingsverplichting bij de vereniging, maar niet in geschil is dat de vereniging niet als werkgever is aan te merken. De omstandigheid dat eiseres de kamer(s) van de exploitant huurt en deze bodyguards in dienst

heeft, die voor de veiligheid van eiseres zorgen, brengt weliswaar een zekere afhankelijkheid van die exploitant met zich mee, doch deze is naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk anders dan andere vormen van

afhankelijkheid, inherent aan het optreden als zelfstandige in het economische verkeer. Hieraan doet evenmin af, dat de exploitant voor wat betreft de ter beschikkingstelling van bedrijfsruimte door kamerverhuur een

monopolie-positie op de Achterdam inneemt.

2.13 Verweerders verwijzing naar de bijlage bij het ambtsbericht van 30 september 1998 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

In die bijlage wordt een zelfstandig ondernemer in materiële zin aangeduid als een ondernemer

- die verantwoordelijk is voor het oprichten en instandhouden van de onderneming en er voor zorg draagt aan alle formele vereisten voor de bedrijfsuitoefening te voldoen;

- die handelt met winstoogmerk en op eigen initiatief en onder eigen (handels)naam; die niet ondergeschikt is en zijn werkzaamheden vervult zonder toezicht of controle op de voortgang van en op zijn wijze van werken;

- die kansen loopt om verlies te lijden.

Volgens de bijlage is van zelfstandig ondernemerschap ook geen sprake indien de vreemdeling feitelijk als werknemer fungeert en niet meer dan zijn arbeid inbrengt. Daarnaast is in de bijlage een drietal criteria gegeven die vaak

wel, maar niet altijd relevant zijn, t.w.

- een zelfstandig ondernemer brengt bedrijfskapitaal in teneinde daarmee investeringen te doen gericht op de uitoefening van de

bedrijfsactiviteiten;

- het inkomen van de zelfstandige is opgebouwd uit betalingen van velen voor geleverde producten of diensten en wordt, met name bij beoefenaren

van vrije beroepen, veelal in belangrijke mate bepaald door specifieke deskundigheid en/of eigenschappen;

- de zelfstandige streeft naar continuïteit van het bedrijfsgebeuren door te trachten zijn orderportefeuille gevuld te houden; hij is niet afhankelijk van één of slechts enkele afnemers.

Uit de door eiseres verrichte werkzaamheden valt genoegzaam af te leiden dat zij zelf verantwoordelijk is voor het starten en in stand houden van haar beroepsuitoefening, met die beroepsuitoefening winst beoogt, haar beroep

uitoefent zonder toezicht of controle en de kans loopt verlies te lijden. Naast haar arbeid brengt zij, zij het in beperkte mate, middelen in. Haar inkomsten ontleent zij aan betalingen van velen voor de door haar geleverde

diensten. Aan de omstandigheid dat zij hoofdzakelijk haar arbeid inbrengt kan niet ontleend worden dat zij niet als zelfstandige is aan te merken, nu dit eigen is aan de dienstverlening als prostituee. Ook het gegeven dat zij door

de fiscus voor de omzetbelasting (nog) niet als ondernemer wordt beschouwd, doet aan het vorenstaande niet af. Naar ter zitting door de heer Kuypers, administrateur van de vereniging, is verklaard, hebben namens eiseres en haar

collegae contacten met de Belastingdienst te Alkmaar plaatsgevonden teneinde afspraken te maken over de afdracht van omzetbelasting, zoals dat, onder andere, ook in Amsterdam gebeurt. Aan het gegeven dat de belastingdienst te

Alkmaar het eiseres en haar collegae tot op heden niet mogelijk heeft gemaakt aangifte te doen, komt, in het licht van het vorenstaande, dan ook geen doorslaggevende betekenis toe.

2.14 De onder 2.7 geformuleerde vraag moet derhalve ontkennend worden beantwoord. Verweerder heeft eiseres ten onrechte niet als zelfstandige aangemerkt.

2.15 Voorts dient de vraag te worden beantwoord of verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat eiseres met haar beroepsuitoefening geen wezenlijk Nederlands economisch belang dient. Dit laatste is ingevolge B12/3

onder c. Vc. het geval indien de bedrijfsactiviteit duidelijk innovatieve waarde heeft, dat wil zeggen iets positiefs toevoegt aan de Nederlandse economie.

Voor deze beoordeling dient advies gevraagd te worden aan de Minister van Economische Zaken. Bij de beoordeling of overigens sprake is van een wezenlijk Nederlands belang bij toelating als zelfstandige is in voorkomende gevallen

tevens advies van andere Ministeries van belang.

2.16 In de uitspraak van 19 december 1997 heeft de rechtbank geoordeeld, dat verweerder zich tot dan niet naar behoren van zijn onderzoeksplicht heeft gekweten. Daarbij is aangegeven dat het eerder - voor de beoordeling van

onderhavige, c.q. vergelijkbare aanvragen - uitgebrachte advies van de Minister van Economische Zaken van 11 april 1996 en 4 juli 1996 geen grondslag voor beoordeling door verweerder kon vormen.

Voorts overwoog de rechtbank dat het onontkoombaar leek dat verweerder zich de vraag zou stellen en beantwoorden of de kennelijk bestaande wens tot regulering van het maatschappelijk verschijnsel prostitutie, zijnde een economische

activiteit, ertoe noopt te erkennen dat er een zekere vraag naar deze vorm van dienstverlening bestaat, waarin op legale wijze moet worden voorzien. Na deze uitspraak heeft verweerder andermaal advies gevraagd aan de Minister van

Economische Zaken en thans ook het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Op basis van deze adviezen heeft hij geoordeeld dat met toelating van eisers als zelfstandig prostituee geen Nederlands (economisch) belang gediend is. Eiseres heeft de juistheid van die adviezen onder verwijzing naar door haar

aangehaalde (deskundige) bronnen bestreden.

2.17 De rechtbank stelt bij haar beoordeling van dit onderdeel van de bestreden beschikking voorop, dat verweerder zich er van moet vergewissen of het onderzoek door de adviesorganen op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Daarbij zal verweerder moeten nagaan of de argumentatie

die aan de advisering ten grondslag ligt, het advies kan dragen.

2.18 Ten aanzien van het namens de Minister van Economische Zaken door de Douane centrale dienst voor in- en uitvoer uitgebrachte advies van 30 maart 1998 overweegt de rechtbank allereerst dat de betrekkelijke waarde daarvan reeds

uit het advies zelf blijkt, nu door die Dienst is aangegeven dat de beoordeling van de adviesaanvrage primair behoort tot de competentie van het ministerie van VWS. Slechts in zeer algemene bewoordingen wordt gesteld, dat van een

wezenlijk Nederlands economisch belang eerst sprake zou kunnen zijn indien bepaalde beroepsactiviteiten in een duidelijke behoefte voorzien, waarin niet op andere wijze kan worden voorzien. In onderhavig geval zou niet zijn

aangetoond dat andere prostituees niet in de behoefte kunnen voorzien. Waarop deze beoordeling is gebaseerd, valt uit het advies niet af te leiden, terwijl die beoordeling voorts niet goed te rijmen valt met het elders in de

bestreden beschikking ingenomen standpunt, dat de prostitutiemarkt op dit moment onvoldoende in kaart zou zijn gebracht. Een en ander brengt mee dat verweerder dit advies als onvoldoende deugdelijk niet aan het bestreden besluit ten

grondslag heeft kunnen leggen.

2.19 De verwijzing naar het advies van 30 september 1998 van de Minister van Economische Zaken kan de bestreden beschikking naar het oordeel van de rechtbank evenmin dragen. Centraal staat in het beleid als weergegeven onder

hoofdstuk B12/3 onder c Vc. het antwoord op de vraag of de wijze waarop eiseres haar bedrijfsactiviteit vorm geeft innovatieve waarde heeft. De beantwoording van deze vraag in het advies is niet toegespitst op de specifieke situatie

aan de Alkmaarse Achterdam.

Volstaan wordt met verwijzen naar de uitspraak van de Minister van Justitie tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot opheffing van het bordeelverbod, dat met prostitutie in het algemeen zelden een wezenlijk

economisch belang is gediend. Deze algemene uitspraak sluit niet uit, dat ten aanzien van de Alkmaarse situatie een andersluidend oordeel mogelijk is. In het advies wordt deze mogelijkheid ook nadrukkelijk opengelaten, waar wordt

gerept van uitzonderlijke situaties, waarin ook de vraag zou moeten worden beantwoord of voor prostitutie in Nederland personen uit het buitenland moeten worden aangetrokken.

Dit geldt temeer nu in de eerdere uitspraken van 19 december 1997 van de rechtbank juist expliciet was overwogen dat niet was uitgelegd waarom prostitutie tegen betaling geen economische activiteit zou zijn en evenmin waarom met

uitoefening van die activiteit in de setting waarin deze door eiseres en haar collegae wordt bedreven geen Nederlands belang zou kunnen zijn gediend, dit bezien in de context dat er sprake is van een maatschappelijk verschijnsel dat

in een zekere behoefte voorziet.

Daarbij overweegt de rechtbank dat, naar het haar voorkomt en anders dan in het advies lijkt te worden gesuggereerd, geenszins is uitgesloten dat ongeschoolde prostitutie-arbeid iets positiefs kan bijdragen aan de Nederlandse

economie. De stelling in het advies dat geen positieve gevolgen van prostitutie voor de Nederlandse economie bekend zijn, acht de rechtbank in het licht van de door eiseres aangedragen gegevens omtrent haar specifieke

bedrijfsuitoefening ook onvoldoende onderbouwd.

2.20 Dat de regering de lijn heeft gekozen voor het gefaseerd terugdringen van het aantal prostituees van buiten de EU/EER en - zoals ter zitting betoogd - er thans voor kiest de eerst komende twee jaar geen prostituees van buiten

de EU toelating te verschaffen, brengt niet mee dat het bestreden besluit ondanks de gebrekkige, niet op de aanvrage van eiseres en haar Alkmaarse collegae toegespitste advisering in stand moet blijven. Niet is immers gebleken dat

deze lijn reeds heeft geresulteerd in beleidsaanpassingen door verweerder. Ook B12 is ter zake (nog) niet gewijzigd. Voor de beoordeling van de bestreden beschikking geldt daarom

dat toelating voor innovatieve, zelfstandige bedrijfsuitoefening ook in deze branche nog steeds uitgangspunt van het beleid is. Een analyse die is toegespitst op de door eiseres gestelde specifieke vorm van bedrijfsuitoefening mocht

dan ook niet ontbreken.

2.21 De verdere motivering van dit onderdeel van de bestreden beschikking, wat daar overigens ook van zij, kan het hiervoor geconstateerde gebrek in de besluitvorming evenmin helen. Ook al zou geen sprake zijn van bijzondere met de

culturele achtergrond of landsaard van betrokkene samenhangende dienstverlening - de toelichting door de deskundige Van de Poel ter zitting lijkt die beoordeling door verweerder te ondersteunen - daarmee is nog niet elk gesteld

innovatief element aan eiseresses beroepsuitoefening toereikend weerlegd.

Dit oordeel wordt niet anders doordat in het advies van VWS op zich wel een afdoende beantwoording is gegeven van de vraag met betrekking tot het volksgezondheids- en maatschappelijk welzijnsbelang.

Met betrekking tot de stelling dat er een bordeelverbod gold ten tijde van het bestreden besluit en er deswege gevaar bestaat voor vrouwenhandel, overweegt de rechtbank dat eiseres daartegen juist had aangevoerd dat door de setting

aan de Achterdam, waarin enige controle door de politie mogelijk is, vrouwenhandel wordt tegengegaan. Niet is gebleken dat de juistheid van deze stellingname genoegzaam is onderzocht.

2.22 De onder 2.15 geformuleerde vraag moet derhalve eveneens ontkennend worden beantwoord. Het oordeel, dat met de werkzaamheden als zelfstandig werkzame prostituee op de wijze waarop daaraan aan de Alkmaarse Achterdam vorm is

gegeven, geen wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en kan niet worden gedragen door de verwijzing naar de tot heden uitgebrachte adviezen van de Minister van Economische Zaken.

2.23 De rechtbank merkt verder nog op dat verweerder na de uitspraak 19 december 1997 ook heeft onderzocht of eiseres en haar collegae door het uitoefenen van de werkzaamheden over voldoende middelen van bestaan kan beschikken. In

de dossiers die in het kader van de voorbereiding van de besluitvorming in bezwaar als voorbeeldzaken zijn behandeld, zijn (deels fiscale) winstberekeningen en prognoses overgelegd. Er zijn aan verweerder ook toelichtingen gegeven

op de totstandkoming van de prognoses en de opbouw van inkomsten en uitgaven. In de bestreden beschikking is verweerder op de vraag of eiseres met haar werkzaamheden aan het middelen vereiste voldoet, niet meer ingegaan, zodat er

van uit moet worden gegaan dat - tot heden - aan de bestaansmiddeleneis is voldaan. De enkele niet nader gemotiveerde, andersluidende stellingname ter zitting, doet daar niet aan af.

2.24 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en het beroep gegrond is.

Dit betekent tevens dat de overige grieven en geschilpunten onbesproken kunnen blijven.

2.25 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op f 3.195,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactoren 1, 5 (gewicht van de zaak) en 1,5

(samenhangende zaken)).

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van tien weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van 14 maart 1997, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 3.195,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten

aan eiseres moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr H.C. Greeuw en mr F.G. Hijink, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van mr B.F.C. van Rheenen als griffier en uitgesproken in

het openbaar op 18 februari 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.

afschrift verzonden op: 21 februari 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.