Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA4723

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
96/1581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJK 2000, 54
VR 2000, 155

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht - Kamer C

Vonnis in de zaak met rolnummer 96/1581 van:

1. [eiser 1],

en

2. [eiser 2],

optredend voor zichzelf, alsmede in hun kwaliteit van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige dochter,

allen wonende te Leiden,

eisers,

procureur mr F.B. Kloppenburg,

t e g e n :

1. het rechtspersoonlijkheid bezittende

ACADEMISCH ZIEKENHUIS LEIDEN,

statutair gevestigd te Leiden,

en

2. [gedaagde sub 2],

wonende te 's-Gravenhage,

gedaagden,

procureur mr R. Overeem.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 10 december 1997;

- het op 6 januari 1999 door dr. A.J. van Essen, mede namens mw. A.M. van Huis, ter griffie van deze rechtbank gedeponeerde deskundigenrapport;

- het op 17 maart 1999 door prof. dr. G.H.A. Visser ter griffie van deze rechtbank neergelegde deskundigenrapport;

- de akte uitlaten deskundigenrapporten van eisers;

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht, met produkties, van gedaagden.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De rechtbank houdt zich aan het hiervoor genoemde tussenvonnis.

2. In de onderhavige zaak vorderen eisers gedaagden te veroordelen tot vergoeding van de door hen en door hun dochter geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met rente en proceskosten.

Zij voeren daartoe aan dat de verloskundige (gedaagde sub 2), door niet over te gaan tot een vruchtwaterpunctie of een ander onderzoek naar genetische afwijkingen, dan wel tot het inwinnen van nader advies of doorverwijzing van de moeder, verwijtbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de behandelingsovereenkomst, althans onrechtmatig heeft gehandeld.

3. In verband met de vraag of de verloskundige een beroepsfout heeft gemaakt, heeft de rechtbank bij voormeld tussenvonnis benoemd tot deskundigen dr. A.J. van Essen (verbonden aan de Stichting Medische Genetica te Groningen), prof. dr. G.H.A. Visser (verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Utrecht, divisie Obstetrie en Gynaecologie) en mw. M. van Huis (verloskundige, verbonden aan het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam). De door de deskundigen te beantwoorden vragen zijn in dat vonnis geformuleerd.

4. Beroepsfout?

4.1 Vooropgesteld wordt dat de rechtbank het standpunt van gedaagden deelt dat het handelen van de verloskundige dient te worden getoetst aan de opvattingen omtrent de normen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam verloskundige ten tijde van dat handelen (in 1993 derhalve). Gesteld noch gebleken is echter dat de deskundigen die maatstaf niet hebben gehanteerd.

4.2 Tussen partijen staat vast dat de verloskundige ten tijde van het eerste gesprek met de moeder op 19 juli 1993 ervan op de hoogte was dat de moeder zowel in 1986 als in 1987 een spontane abortus had gehad, alsmede dat een neef van eisers [...] als gevolg van een chromosomale afwijking gehandicapt is.

Volgens de deskundigen Van Essen en Van Huis (die gezamenlijk hebben gerapporteerd) had met name dit laatste de verloskundige moeten nopen tot alertheid, aangezien dat gegeven zou kunnen wijzen op een verhoogd risico op spontane miskramen, doodgeboren kinderen en levendgeboren kinderen met aangeboren afwijkingen en een verstandelijke handicap. Volgens hen is alsdan een juiste afname van de familieanamnese belangrijk en dient - afhankelijk van de uitkomst van die anamnese - door de verloskundige contact te worden opgenomen met een klinisch geneticus teneinde te overleggen over het te voeren beleid. Als eerste stap daartoe is het - volgens hen - gebruikelijk dat de verloskundige op korte termijn nadere medische informatie opvraagt met betrekking tot het gehandicapte familielid en eventuele andere familieleden. De (separaat rapporterende) deskundige Visser komt - in feite - tot eenzelfde conclusie. Deze stelt immers dat gegeven voormelde informatie, een zorgvuldige familieanamnese op zijn plaats is en indien deze tot onvoldoende duidelijkheid leidt, nadere informatie dient te worden opgevraagd of patiënt verwezen dient te worden naar een centrum voor erfelijkheidsadvisering.

4.3 Niet gebleken is dat de verloskundige aan het vorenstaande heeft voldaan. Gedaagden hebben weliswaar aangevoerd dat de verloskundige nog aan de moeder heeft gevraagd of in de familie meer mensen met een afwijking voorkwamen en dat de moeder deze vraag ontkennend beantwoordde, doch zulks kan - bezien in het licht van wat de deskundigen hierover hebben gezegd (zie r.o. 4.2) - niet worden aangemerkt als een passende en zorgvuldige familieanamnese.

Daarenboven mag van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verloskundige verwacht worden dat deze voldoende (relevante) informatie verwerft van de patiënt - en dóórvraagt - om tot een juiste beoordeling voor - verdere - behandeling te komen. Voorzover de verloskundige heeft willen betogen dat er aan haar zijde toentertijd geen twijfel bestond over haar handelen, zodat er voor haar geen aanleiding was om door te vragen of een gynaecoloog of klinisch geneticus te raadplegen, verwerpt de rechtbank dit betoog. Immers, van een bekwaam verloskundige mag - in het algemeen - verwacht worden dat zijn/haar kennis en kunde hem/haar in staat stellen om adequate medische zorg te bieden. In casu klemt dit des te meer nu de verloskundige zelf werkzaam is in een academisch ziekenhuis, zodat haar kennis en kunde, althans haar mogelijkheden om die te verwerven en te toetsen, ruim mag - en zal - worden ingeschat.

De conclusie luidt derhalve dat de verloskundige, door na te laten wat zij had behoren te doen zoals hiervoor is weergegeven, een beroepsfout heeft gemaakt.

4.4 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en geconcludeerd behoeven de antwoorden van de deskundigen op de vragen 2 tot en met 5 geen (verdere) bespreking. Een bewijsopdracht aan eisers met betrekking tot de door hen gestelde inhoud van het gesprek op 19 juli 1993 (zie tussenvonnis van 2 juli 1997, r.o. 3.1) komt ook niet meer aan de orde.

5. Aansprakelijkheid.

Aansprakelijkheid jegens de moeder?

5.1 Door gedaagden is ter gelegenheid van het pleidooi erkend dat er van uit kan worden gegaan dat de moeder van [het kind] tot een abortus zou zijn overgegaan indien bij onderzoek tijdens de zwangerschap aan het licht zou zijn gekomen dat haar vrucht een chromosomale afwijking had (zie tussenvonnis 2 juli 1997, r.o. 1.8). [Het kind] is nadien geboren met een chromosomale afwijking. Doordat de verloskundige geen nader onderzoek heeft verricht (zoals uiteengezet in r.o. 4.2) waartoe zij wel gehouden was (r.o. 4.3) - en er dus sprake is van een beroepsfout - is de verloskundige niet alleen toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis uit de behandelingsovereenkomst met de moeder van [het kind], doch heeft zij ook jegens de moeder onrechtmatig gehandeld. Immers, zij heeft een inbreuk gemaakt op het (keuze)recht van de moeder (om voor een abortus te kiezen). Uit dien hoofde is de verloskundige jegens de moeder - in beginsel - schadeplichtig.

5.2 Vast staat dat gedaagde sub 2, de verloskundige, (in ieder geval) ten tijde van de zwangerschapsbegeleiding van de moeder, in dienst was als verloskundige bij gedaagde sub 1, het Academisch Ziekenhuis Leiden. Derhalve is het Academisch Ziekenhuis Leiden krachtens art. 6:170 jo 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de (beroeps)fout van de verloskundige en de daaruit voortvloeiende schade.

Aansprakelijkheid jegens de vader en [het kind]?

5.3 De vader van [het kind] vordert schadevergoeding. Uit de stellingen van eisers begrijpt de rechtbank dat de grondslag hiervoor gezocht moet worden in een onrechtmatige daad van de verloskundige jegens de vader.

De vader is hierbij niet duidelijk in zijn stellingen. Voorzover in de stellingen van de vader gelezen zou moeten worden dat de onrechtmatigheid jegens hem is gelegen in het feit dat hij door toedoen van de verloskundige is gefrustreerd in zijn recht om zijn gezinsleven naar eigen inzicht en in overleg met de moeder te kunnen inrichten en uitgaande van de niet betwiste stelling dat bij een gebleken chromosomale afwijking van de vrucht zij - gezamenlijk - voor een abortus gekozen zouden hebben, oordeelt de rechtbank als volgt. In die situatie is door de beroepsfout van de verloskundige een inbreuk gemaakt op dit (keuze)recht van de vader en is zij jegens hem - in beginsel -aansprakelijk voor de uit deze onrechtmatige daad voortvloeiende schade.

Op de consequenties hiervan komt de rechtbank onder r.o. 6.10 terug.

5.4 De ouders van [het kind] vorderen, namens [het kind] en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, immateriële schadevergoeding. Zij baseren hun vordering op twee gronden, namelijk wanprestatie en onrechtmatige daad.

Eisers hebben voor de eerste grond aangevoerd dat de moeder de overeenkomst tot medische begeleiding en hulp bij de zwangerschap en geboorte mede ten behoeve van het ongeboren kind heeft gesloten. Op zichzelf moge dat juist zijn, doch zulks brengt nog niet mee dat [het kind] ook partij is geworden bij deze overeenkomst. Op die grondslag kunnen de ouders van [het kind] derhalve hun vordering niet baseren.

Voor de vordering uit onrechtmatige daad voeren de ouders aan dat mede ten gevolge van een fout bij de medische begeleiding, die mede de belangen en het welzijn van [het kind] had moeten dienen, zij thans in erbarmelijke omstandigheden verkeert door ernstig fysiek en geestelijk lijden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de beroepsfout van de verloskundige jegens [het kind] onrechtmatig nu de verloskundige ook jegens [het kind] zorgvuldig had moeten handelen in het kader van haar overeenkomst (zwangerschapsbegeleiding) met de moeder. Vaststaat dat [het kind] niet geboren zou zijn als de verloskundige de (beroeps)fout niet had gemaakt. Verder staat ook vast dat [het kind] (gehandicapt) ter wereld is gekomen en zij daardoor (immateriële) schade lijdt. Inzoverre is er sprake van causaal verband tussen de (beroeps)fout en de (gestelde) schade. Of deze schade voor vergoeding in aanmerking komt, moet beantwoord worden aan de maatstaf neergelegd in r.o. 6.2.

6. Schadevergoeding

6.1 In de onderhavige procedure vorderen eisers de, als gevolg van de beroepsfout van de verloskundige geleden en nog te lijden, schade bestaande uit, kort gezegd:

a. de kosten van de opvoeding en verzorging van [het kind],

b. de extra kosten voor medische en andere behandeling, alsmede de kosten ten behoeve van [het kind] ter verzachting van het leed ten gevolge van haar handicap,

c. de met de handicap van [het kind] samenhangende extra kosten voor de rest van het gezin,

d. de kosten van psychiatrische behandeling van de moeder,

e. de immateriële schade van [het kind],

f. de immateriële schade van de moeder,

g. de immateriële schade van de vader,

h. de kosten van rechtsbijstand,

één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening en nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Tevens vorderen zij veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

Daarbij treden zij ten aanzien van het onder e. gevorderde op in hun kwaliteit van wettelijk vertegenwoordiger van [het kind], terwijl zij voor het overige optreden voor zichzelf, dan wel (voor wat betreft de vorderingen sub f. en g.) ieder voor zich.

Voormelde schadeposten zullen hierna afzonderlijk worden beoordeeld.

6.2 Voor het vaststellen van de schadevergoeding neemt de rechtbank als uitgangspunt, in samenhang met de omstandigheden van het geval, dat de verloskundige - en het AZL als haar (voormalig) werkgeefster ex art. 6:170 BW - aansprakelijk is voor alle (vermogens)schade die in zodanig verband met die beroepsfout staat dat deze haar naar de maatstaf van art. 6:98 BW als gevolg van die beroepsfout kan worden toegerekend. Voor een dergelijke toerekening is in beginsel voldoende dat door de desbetreffende fout een risico is geschapen, dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt.

Kosten van de opvoeding en verzorging van [het kind] (a.)

6.3 Vaststaat dat [het kind] is geboren doordat de verloskundige heeft nagelaten een zorgvuldige/deugdelijke familieanamnese af te nemen teneinde te kunnen bepalen of er een kans zou zijn op een kind met een (bepaalde) chromosomale afwijking. [Het kind] is geboren met (die bepaalde) chromosomale afwijking. [Het kind] zou niet geboren zijn indien deze chromosomale afwijking bij onderzoek tijdens de zwangerschap aan het licht gekomen zou zijn. Nu [het kind] geboren is komen de ouders voor kosten van verzorging en opvoeding te staan, welke kosten zij als schadevergoeding vorderen. Deze kosten vormen onmiskenbaar vermogensschade nu zij alleen al wegens hun omvang - en de handicap van [het kind] - tot het 21e jaar van [het kind] mede de financiële armslag van het gezin zullen gaan bepalen. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 21 februari 1997 (NJ 1999, 145) heeft bepaald, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking.

De vraag of de kosten van verzorging en opvoeding zich ook dienen uit te strekken tot ná het 21e levensjaar van [het kind] - voorzover zij behoeftig is - kan en behoeft in deze procedure niet beantwoord te worden, doch zal in een (eventuele) schadestaatprocedure (op de voet van art. 6:105 BW) aan de orde komen.

Extra kosten voor medische en andere behandeling, alsmede de kosten ten behoeve van [het kind] ter verzachting van het leed ten gevolge van haar handicap (b.) en de met de handicap van [het kind] samenhangende extra kosten voor de rest van het gezin (c.)

6.4 Eisers lichten hun vordering ten aanzien van de gevorderde (extra) kosten ter verzachting van het leed (door haar handicap) van [het kind] als volgt toe: "kosten van hulpmiddelen en diensten rechtstreeks verband houdend met de handicap".

Gelet op de aard en de mate van de handicap van [het kind] - zoals met name blijkt uit de brief van kinderarts P.D. Maaswinkel-Mooy d.d. 2 augustus 1996 (produktie 2 bij de conclusie van repliek) is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat eisers met bedoelde (extra) kosten zullen worden geconfronteerd, mede nu onder de in r.o. 6.3 bedoelde kosten van opvoeding en verzorging slechts worden verstaan de "gemiddelde" kosten, zoals bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 21 februari 1997.

Gedaagden hebben ook niet (gemotiveerd) weersproken dat de kosten van de verzorging en opvoeding van een gehandicapt kind - in vergelijking met die betreffende een gezond kind - hoger zullen uitvallen.

Met inachtneming van hetgeen in r.o. 6.3 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de extra kosten voor medische en andere behandeling als gevolg van de handicap van [het kind] en de overige materiële kosten - die mede op het gezinsbudget drukken - als vermogensschade kunnen worden aangemerkt en derhalve voor vergoeding in aanmerking komen.

Kosten van psychiatrische behandeling van de moeder (d.)

6.5 Eisers hebben aangevoerd dat de moeder zich ten gevolge van de bij haar ontstane psychische spanningen onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen na de geboorte van [het kind], welke behandeling ten tijde van de pleidooizitting op 15 mei 1997 nog niet was geëindigd. Gedaagden hebben zulks niet betwist. Reeds op grond hier van en ervan uitgaande dat bedoelde behandeling de nodige kosten met zich meebrengt, hebben eisers in het kader van de onderhavige procedure in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat terzake mogelijkerwijs (materiële) schade is geleden.

Immateriële schade van [het kind] (e.)

6.6 De ouders van [het kind] stellen namens haar het volgende: "Mede ten gevolge van een medische fout heb ik het leven gekregen, maar moet ik ook veel lijden. Omdat ook dit lijden mede het gevolg is van de medische fout, vind ik dat de veroorzaker van die fout mee moet helpen om dit lijden te verzachten en mijn bestaan zo dragelijk mogelijk moet maken. Ik verwijt de veroorzaker van de fout niet het feit dat ik geboren ben ...".

Vaststaat dat [het kind] met een chromosomale afwijking (en daardoor meervoudig gehandicapt is) is geboren en dat zij niet geboren zou zijn indien de chromosomale afwijking bij de zwangerschap van de moeder aan het licht gekomen was. [Het kind] verwijt uitdrukkelijk de verloskundige niet dát zij geboren is, maar dat zij geboren is met een handicap waardoor zij moet lijden.

Nu [het kind] haar vordering baseert op geestelijk letsel als gevolg van aantasting in haar persoon (art. 6:106 lid 1 sub b BW) - althans zo begrijpt de rechtbank haar stelling - strandt haar vordering omdat deze aantasting in persoon niet als gevolg van de fout van de verloskundige redelijkerwijze aan haar toegerekend kan worden. [Het kind] is immers niet gehandicapt als gevolg van de fout van de verloskundige, want haar chromosomale afwijking bestond al, maar zij is als gevolg van die fout - enkel - geboren. Derhalve ontbreekt er (verder) causaal verband tussen het gestelde geestelijk letsel en de fout van de verloskundige.

De conclusie is dat de vordering van [het kind] dient te worden afgewezen.

Immateriële schade van de moeder (f.)

6.7 In dit verband voeren eisers aan dat de moeder ernstig in haar persoon is aangetast vanwege de aantasting van haar zelfbeschikkingsrecht ten aanzien van het nemen van beslissingen met betrekking tot de voortplanting. Voorts stellen zij dat haar gezinsleven volkomen is ontwricht en dat zij ernstig belemmerd wordt bij de inrichting van haar leven en levensvreugde derft door de dagelijkse confrontatie met het lijden en de handicaps van [het kind]. Als gevolg van een en ander zijn bij de moeder psychische spanningen ontstaan, waardoor zij zich onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen.

De rechtbank begrijpt uit deze vordering dat de moeder vergoeding van immateriële schade vordert op de voet van art. 6:106 lid 1 sub b (fine) BW.

6.8 Aangenomen moet worden dat de moeder - als gevolg van de door de verloskundige gemaakte fout - in ernstige mate is gehinderd bij het maken van een keuze betreffende het al of niet afbreken van haar zwangerschap. Essentiële gegevens bij het nemen van die beslissing zijn haar door de handelwijze van de verloskundige zelfs onthouden. Onder die omstandigheden is er dan ook sprake van een ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder.

Voorts is van belang, dat (als onweersproken) vaststaat dat de moeder zich - na de bevalling en nadat gebleken was dat [het kind] gehandicapt was - onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen (zie ook r.o. 6.5). De conclusie hiervan is dat er sprake is van een aantasting in haar persoon op bovenbedoelde grond.

De vraag is vervolgens of er ook sprake is van aantasting in haar persoon wegens - kort gezegd - de door de moeder gestelde ontwrichting van het gezinsleven en de gederfde levensvreugde wegens de dagelijkse confrontatie met het lijden van [het kind]. Op zich valt aan te nemen dat de geboorte en de verzorging en opvoeding van een zwaar gehandicapt kind aanzienlijke consequenties hebben voor het gezinsleven en dat die gevolgen ingrijpender zijn dan bij een gezond kind. Ook is begrijpelijk dat een dergelijke situatie extra zorgen met zich mee brengt. Evenwel slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen de gevolgen zodanig ernstig worden geoordeeld dat deze een aantasting in persoon van de moeder opleveren.

Naar het oordeel van de rechtbank doet deze uitzonderlijke situatie zich thans voor ten aanzien van de moeder. De rechtbank laat hierbij meewegen dat onbetwist is komen vast te staan dat de moeder zich na de geboorte van [het kind] langdurig onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen en niet alleen dagelijks geconfronteerd wordt met het (zeer belastende) lijden van [het kind], maar daarnaast te leven heeft met het feit dat (zoals hiervoor reeds is overwogen) haar door de beroepsfout van de verloskundige een keuzemogelijkheid is onthouden.

Het voorgaande brengt mee dat eisers in voldoende mate aannemelijk hebben gemaakt dat de moeder op zodanige wijze in haar persoon is aangetast, dat zij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Deze vordering is derhalve toewijsbaar.

Immateriële schade van de vader (g.)

6.9 Ten aanzien van de vader voeren eisers (slechts) aan dat hij in zijn persoon is aangetast, nu hij tengevolge van de fout van de verloskundige geconfronteerd is met de geboorte van een ernstig gehandicapt kind, waardoor zijn gezinsleven volkomen is ontwricht en hij ernstig wordt belemmerd bij de inrichting van zijn leven en levensvreugde derft door de dagelijkse confrontatie met het lijden en de handicaps van [het kind].

De rechtbank leidt hieruit af dat ook de vader vergoeding van immateriële schade in de zin van art. 6:106 lid 1 sub b (fine) BW vordert.

6.10 Zoals hiervoor onder r.o. 6.8 reeds is aangegeven kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen geconcludeerd worden tot aantasting in de persoon. Hetgeen door eisers is aangevoerd is onvoldoende om aannemelijk te maken dat de vader zodanig heeft geleden en nog lijdt dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als een aantasting in zijn persoon die recht geeft op vergoeding van immateriële schade, mede nu niet gesteld of gebleken is dat de vader (langdurige) professionele hulp hiervoor heeft (gehad).

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat deze vordering zal worden afgewezen.

Kosten van rechtsbijstand (h.)

6.11 Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ervan uitgaat dat met de onderhavige kosten wordt gedoeld op de buitengerechtelijke kosten, aangezien de proceskosten separaat zijn gevorderd.

Deze kosten zijn echter op geen enkele wijze door eisers onderbouwd. Er is zelfs niet gesteld dat zij zijn gemaakt. Dit betekent dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij deze schade mogelijkerwijs hebben geleden. Op grond hiervan zal de vordering worden afgewezen.

Wettelijke rente

6.12 Eisers vorderen de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (zijnde 19 april 1996). Gedaagden hebben hiertegen aangevoerd dat de wettelijke rente over de gevorderde toekomstige schade eerst verschuldigd is nadat de daarop betrekking hebbende kosten zijn gemaakt.

6.13 De wijze waarop wettelijke rente over schadevergoeding moet worden berekend hangt in belangrijke mate af van de wijze waarop de schade door de rechter wordt begroot. Die begroting vindt echter niet plaats in het kader van de onderhavige procedure, doch zal geschieden in de schadestaatprocedure. Ten aanzien van een deel van de toe te wijzen schadeposten staat thans reeds vast dat de wettelijke rente daarover (in ieder geval) verschuldigd is vanaf 19 april 1996. Met betrekking tot het andere deel - dat met name betrekking heeft op toekomstige schade - is zulks niet het geval. Ten aanzien daarvan is van belang of te zijner tijd al dan niet een gekapitaliseerd bedrag ineens zal worden toegewezen.

De beslissing dienaangaande dient te zijner tijd (door de rechtbank) te worden genomen in de schadestaatprocedure.

Slotsom en proceskosten

7. Gelet op al het voorgaande zal worden beslist zoals in het dictum is opgenomen.

De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden afgewezen, gelet op het principiële karakter van deze zaak.

De gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure dienen te dragen. Zij zullen derhalve worden veroordeeld in de proceskosten, met uitzondering van de kosten van de deskundigen nu deze kosten al geheel voldaan zijn door gedaagden.

BESLISSING:

De rechtbank:

- Veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de ander is bevrijd, om aan eisers te vergoeden de door hen geleden en te lijden schade, bestaande uit:

- de kosten van de opvoeding en verzorging van [het kind];

- de extra kosten voor medische en andere behandeling, alsmede de met de handicap samenhangende materiële kosten ten behoeve van [het kind];

- de met de handicap van [het kind] samenhangende materiële kosten voor de rest van het gezin;

- de kosten van de psychiatrische behandeling van de moeder;

- de immateriële schade van de moeder,

één en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 19 april 1996, althans vanaf de datum van opeisbaarheid van de toe te wijzen bedragen, voorzover na die datum gelegen en met inachtneming van hetgeen dienaangaande in het onderhavige vonnis is overwogen.

- veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding, die aan de zijde van eisers tot dusver in totaal worden begroot op ¦ 5.642,60, en veroordeelt gedaagden mitsdien om te voldoen:

a. aan de griffier van deze rechtbank:

¦ 262,50 voor in debet gesteld griffierecht,

¦ 132,60 voor kosten inleidende dagvaarding, inclusief b.t.w.,

¦ 5.160,-- voor salaris van de procureur van eisers,

in totaal derhalve ¦ 5.555,10, met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,

b. aan gedaagden:

¦ 87,50.

- Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs Tan-de Sonnaville, Van Rens en Dozy en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.