Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AE4907

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-04-1999
Datum publicatie
04-07-2002
Zaaknummer
AWB 98/3478
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Tweede kamer, enkelvoudig

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr. AWB 98 / 3478 MAWKLA

Inzake: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser;

tegen: de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerder d.d. 25 maart 1998, kenmerk JURA/98/8627.

2. Zitting

Datum: 17 maart 1999.

Eiser is verschenen bij gemachtigde mr P. Reitsma.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr C.L. Kuipers.

3. Feiten

Eiser is in maart 1989 in werkelijke dienst gekomen als beroepsmilitair. Op 25 juli 1990 is hem een auto-ongeval overkomen waarbij hij ernstig gewond is geraakt. Eiser was toen, met toestemming van zijn commandant, vervroegd op weg van de kazerne naar huis om zijn huisarts te kunnen consulteren, aangezien hij die dag tijdens een oefening onwel was geworden en bij zijn terugkeer op de kazerne omstreeks 16 uur bij de Militair Geneeskundige Dienst (MGD) ter plaatse geen arts aanwezig bleek te zijn. Op de terugweg naar huis, een afstand van ongeveer 40 km, is hij op korte afstand van zijn woonplaats tegen een boom gereden. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 13 oktober 1994 bepaald dat, nu was komen vast te staan dat eiser buiten zijn toedoen tijdens de normale diensturen geen gebruik heeft kunnen maken van noodzakelijk geachte, hem zijdens verweerder te verstrekken medische hulp, eisers reis naar huis moet worden beschouwd als een dienstverrichting.

Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 13 september 1994 het ongeval aangemerkt als een dienstongeval.

Bij brief van 20 februari 1995 heeft eiser verweerder verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor het hem op 25 juli 1990 overkomen auto-ongeval en de daaruit voortkomende gevolgen, waaronder de toekomstige. Bij brief van 2 juni 1995 heeft verweerder, zonder aansprakelijkheid te erkennen, een schikkingsvoorstel gedaan, inhoudend dat 25% van de schade zou worden vergoed. Eiser heeft bij brief van 27 januari 1996 zijn materiële schade opgegeven. Op grond hiervan is bij brief van 1 april 1996 toegezegd een bedrag van f 923,75 te vergoeden wegens schade aan eisers auto en aan zijn horloge.

Bij brief van 21 augustus 1996 heeft eiser de aansprakelijkstelling nader gespecificeerd. Gevorderd wordt 50% vergoeding van de schade door toekomstig verlies van arbeidscapaciteit als gevolg van de mogelijkheid dat eiser wordt ontslagen of niet meer bevorderbaar is, materiële en immateriële schade, verlies van zelfredzaamheid (beperkingen bij het tuinieren) en schade als gevolg van de noodzaak aangepast schoeisel te dragen.

Bij besluit van 9 oktober 1997 heeft verweerder het verzoek om erkenning van de aansprakelijkheid afgewezen. Tevens is besloten eiser een bedrag van ¦ 923,75 toe te kennen op basis van de gedane toezegging.

Tegen dit besluit is bij schrijven van 24 oktober 1997, aangevuld bij schrijven van 31 december 1997, bezwaar gemaakt.

Eiser is op 17 februari 1998 omtrent dit bezwaar gehoord.

Bij het thans bestreden besluit is eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 28 april 1998, aangevuld bij schrijven van 29 juni 1998, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

4. Gronden

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder aansprakelijk is voor het eiser op 25 juli 1990 overkomen ongeval en alle daaruit voortvloeiende schade, materiëel en immateriëel, behoort te vergoeden.

Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder op grond van zijn eerder gedane toezegging 25% van de totale schade dient te vergoeden, waarbij hij uitgaat van risico-aansprakelijkheid. Hij meent voorts dat op verweerder ook een schuldaansprakelijkheid rust, omdat sprake is van een aan verweerder toe te rekenen optreden - nalaten zorg te dragen voor adequate medische verzorging -, waardoor eiser schade heeft geleden. De schade was, naar hij stelt, voorzienbaar.

Verweerder erkent dat sprake is van toerekenbaar optreden, maar meent dat dit optreden en die schade niet van zodanige aard zijn dat de schade redelijkerwijs voor vergoeding in aanmerking komt. In dit verband wordt gesteld dat het letsel dat eiser heeft opgelopen niet is aan te merken als een direct en voorzienbaar gevolg van de afwezigheid van een arts bij de MGD.

Risico-aansprakelijkheid wordt door verweerder afgewezen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vast staat dat het eiser in juli 1990 overkomen ongeval door verweerder als een dienstongeval is aangemerkt. Hiermee is evenwel nog niet gezegd dat vaststaat dat verweerder aansprakelijkheid is voor de schadelijke gevolgen van het ongeval.

Het gevolg van het kwalificeren van de eventuele beperkingen die eiser als gevolg van het ongeval ondervindt als invaliditeit met dienstverband is, dat hij aanspraak kan maken op rechtspositionele voorzieningen, onder meer op basis van de Algemene militaire pensioenwet (Ampw), waarvan de toepasselijkheid niet afhankelijk is van de vraag of verweerder jegens eiser een rechtsplicht heeft geschonden .

De rechtbank stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 1997 (TAR 1997/59) vast dat in het onderhavige geval geen risico-aansprakelijkheid dient te worden aangenomen. Immers in die uitspraak heeft de Raad overwogen:

"In algemene zin geldt dat, gegeven de zowel in het civiele recht als in het bestuursrecht geldende hoofdregel dat van aansprakelijkheid ter zake van feitelijk handelen alleen sprake kan zijn in geval van schuld bij degene die de schade heeft veroorzaakt (schuldaansprakelijkheid), de rechter terughoudendheid dient te betrachten bij het aanvaarden van risico-aansprakelijkheid in andere gevallen dan die waarin deze in een bijzonder wettelijk voorschrift uitdrukkelijk is vastgelegd of waarin (het stelsel van) de wettelijke regeling daarvoor anderszins voldoende aanknopingspunten biedt.

(...)

Uit het feit dat in bijzondere wettelijke voorschriften specifieke voorzieningen zijn getroffen (...) waarvan de toepasselijkheid niet afhankelijk is van het feit of het desbetreffende bestuursorgaan al dan niet schuld heeft aan het ontstaan van de schade van de ambtenaar, leidt de Raad af dat de wetgever in gevallen als het onderhavige uitdrukkelijk niet heeft gekozen voor (volledige) risicoaansprakelijkheid."

Naar het oordeel van de rechtbank voorziet de Ampw voor de door eiser geclaimde materiële en immateriële schade in een specifieke voorziening als bedoeld in voorgaande overweging van de Raad. Hieraan doet niet af dat toepassing van de Ampw in eisers geval (nog) niet aan de orde is, nu hij nog in werkelijke dienst verblijft.

In een uitspraak van 17 maart 1994, TAR 1994/106, heeft de Centrale Raad dit uitgangspunt nog nader genuanceerd. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat een zekere vorm van risico-aanvaarding door het bestuursorgaan moet worden aangenomen in gevallen, waarbij (letsel)schade ontstaat als gevolg van een ongeval tijdens werkzaamheden van bedrijfsmatige aard, waarbij gebruik wordt gemaakt van gereedschap en machines. Op het bestuursorgaan komt een vergoedingsplicht te rusten voor schade, die een gevolg is van een bedrijfsongeval dat zich voordoet in een werksituatie, die aanvankelijk geen gevaren voor de veiligheid van de ambtenaar leek op te leveren en waarin mogelijke gevaren bij het gebruik van werktuigen, machines en overige hulpmiddelen in vergaande mate waren beperkt, maar waarbij het -achteraf bezien- toch mogelijk was geweest doelmatiger veiligheidsmaatregelen te treffen.

Het onderhavige ongeval houdt echter geen verband met het gebruik van gereedschap of machines als hier bedoeld.

Resumerend is het oordeel van de rechtbank dat er ter zake van het onderhavige dienstongeval op verweerder geen risico-aansprakelijkheid rust.

Met betrekking tot de vraag naar de schuld-aansprakelijkheid geldt dat de beantwoording van die vraag dient plaats te vinden aan de hand van de door de Centrale Raad van Beroep ter zake van zelfstandige schadebesluiten geformuleerde normen. Omtrent de gehoudenheid van een bestuursorgaan tot vergoeding van vóór 1 januari 1993 geleden schade heeft de Raad de norm geformuleerd dat is vereist dat sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar schade heeft geleden, en dat dit optreden en die schade van zodanige aard zijn dat de schade in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komt. Voor schade geleden op of na 1 januari 1993 hanteert de Raad, in aansluiting bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, de (verruimde) norm dat voor schadevergoeding alleen dan aanleiding kan zijn indien de schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan.

Gelet op de datum waarop de schade is ontstaan dient de rechtbank de aanspraak op schadevergoeding te toetsen aan de hiervoor genoemde norm voor schade, geleden vóór 1 januari 1993.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat toepassing van deze norm in het geval van eiser niet tot toekenning van een schadevergoeding zal kunnen leiden. Weliswaar is sprake geweest van toerekenbaar onjuist handelen, nu de Inspecteur Militaire Gezondheidszorg in zijn op 24 januari 1994 uitgebrachte rapport heeft vastgesteld dat er op het tijdstip dat eiser ziek terugkwam op de kazerne zeker een arts aanwezig of in ieder geval bereikbaar had moeten zijn.

Voor het aannemen van aansprakelijkheid is echter ook vereist dat een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de nalatigheid en de ontstane schade.

De gezondheidsklachten van eiser op 25 juli 1990 hielden, zoals uit het MGD-rapport van 24 januari 1994 is af te leiden, verband met een slepende sinusitis.

Toen de commandant ermee instemde dat eiser met zijn eigen auto naar huis zou rijden om zijn huisarts te raadplegen, was redelijkerwijs niet te voorzien, dat eiser onderweg een ongeval zou overkomen. Eiser maakte de rit tussen de kazerne en zijn huis dagelijks. De toedracht van het ongeval is niet achterhaald. Wel is in het daarover opgemaakte proces-verbaal een verklaring opgenomen van de bestuurder van een Mercedes, die door eiser kort voor het ongeval werd ingehaald. Diens verklaring, dat eiser toen normaal rijgedrag vertoonde, zegt echter niets over de vermoedelijke oorzaak van het ongeval. Het ongeval kan, los van de gezondheidstoestand van eiser, diverse oorzaken hebben. Een voldoende rechtstreeks verband tussen het ontbreken van medische zorg op de kazerne en het ongeval, en daarmee met de door eiser geleden schade - voor zover daarvan al sprake is -, acht de rechtbank niet aangetoond.

Verweerder heeft derhalve op goede grond geen aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval aanvaard.

De toezegging 25% van de schade te vergoeden werd gedaan in een schikkingsvoorstel dat blijkens eisers latere brieven, zoals de brief van 21 augustus 1996 niet is aanvaard. Verweerder behoefde zich aan de toezegging niet verder gebonden te achten.

Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt:

5. Beslissing

De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage,

Rechtdoende:

Verklaart het beroep ongegrond.

6. Hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de datum van verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 van de Awb.

Aldus gegeven door mr C.C. Dedel-van Walbeek en in het openbaar uitgesproken op 19 april 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

griffier rechter

verzonden op:

ab/coll: