Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA9776

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
97/1434
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AVvdB/B

rolnummer: 97/1434

datum vonnis: 8 december 1999

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - meervoudige kamer

Vonnis in de zaak met rolnummer 97/1434 van:

[eiser],

wonende te Rijsbergen,

eiser,

procureur mr P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr R.J.M. van der Tweel.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en de Staat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding dd. 17 april 1997 en de daarmee zakelijk overeenstemmende conclusie van eis met produkties,

- de conclusie van antwoord, met produkties,

- de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis, met produkties,

- de conclusie van dupliek, met produktie,

- een akte zijdens [eiser], met produktie,

- een akte zijdens de Staat.

RECHTSOVERWEGINGEN

de feiten

1.1 [eiser] exploiteert een melkvee- en kalfkoeienhouderij in Rijsbergen.

1.2 Tot 1984 exploiteerde [eiser] dit bedrijf in een maatschap samen met zijn vader en zijn moeder. Vervolgens is de maatschap ontbonden en heeft [eiser] het bedrijf gekocht. Voor de levering van de boerderij waarop het bedrijf werd uitgeoefend is op 12 juni 1984 een notariële akte opgemaakt.

1.3 Op 17 juni 1984 heeft [eiser] een aanvraag ingediend om met toepassing van artikel 19 van de Beschikking superheffing 1984 (verder te noemen Bsh) in aanmerking te komen voor een bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk, gebaseerd op de noodzaak om voor een renderend bedrijf te kunnen beschikken over 59 standplaatsen.

1.4 Op 9 juli 1984 heeft [eiser] tevens een aanvraag ingediend om met toepassing van artikel 11 van het Bsh in aanmerking te komen voor een bijzondere hoeveelheid heffingvrij te leveren melk in verband met investeringen tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984. Dit verzoek is namens de minister van Landbouw en Visserij (verder te noemen de minister) door de directeur voor de Landbouw en Voedselvoorziening in de provincie Noord-Brabant afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft [eiser] geen rechtsmiddel ingesteld.

1.5 Bij besluit van 24 september 1984 heeft de minister de in rechtsoverweging 1.3 bedoelde aanvraag afgewezen.

1.6 Tegen dit besluit heeft [eiser] beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna te noemen het CBB). Op 4 maart 1988 heeft [eiser] aan de voorzitter van het CBB een voorlopige voorziening verzocht. Op dat verzoek heeft de voorzitter op 31 maart 1988 afwijzend beschikt. Het CBB heeft bij uitspraak van 31 oktober 1990 het beroep verworpen.

1.7 In zijn arrest van 19 april 1994 heeft het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM), rechtsprekende in de zaak Van den Hurk/Staat der Nederlanden, in r.o. 64 het volgende overwogen:

"This claim is based on the assumption that the judgment of the Tribunal would have been favourable to the applicant had the alleged violations of Article 6 § 1 not taken place. However, it is by no means clear that the outcome of the case would have been different in the absence of the violation found (see paragraph 55 above). The Court therefore agrees with the Delegate of the Commission and the Government that the applicant's claim under this head must be dismissed."

Voor zover hier van belang, heeft het EHRM in dit arrest het volgende beslist:

"1. Holds by six votes to three that there has been a violation of Article 6 § 1 in that the applicant's civil rights and obligations were not "determined" by a "tribunal" within the meaning of that provision;

2. Holds unanimously that there has been no violation of Article 6 § 1 as regards the requirements of fairness of proceedings;

(...)"

De weergegeven uitspraak van het EHRM had betrekking op een door Van den Hurk bij dit hof aangevochten uitspraak van het CBB.

de vordering, de grondslag en het verweer

2.1 [eiser] vordert thans (na wijziging van eis bij conclusie van repliek) dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en uit dien hoofde jegens hem schadeplichtig is, ter zake van de volgende gronden, afzonderlijk en/of in onderlinge samenhang beschouwd:

a. het inrichten, voorbereiden, vaststellen en handhaven van de met het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige rechtsgang naar het CBB en het daaraan verwante relevante bestuursprocesrecht;

b. het voorbereiden, vaststellen en handhaven van het met artikel 19 Bsh strijdige besluit van de minister dd. 24 september 1984 (zie 1.5);

c. het voorbereiden, vaststellen en handhaven van de afwijzende beslissingen van de voorzitter van het CBB dd. 31 maart 1988 en van het CBB dd. 31 oktober 1990 (zie 1.6);

d. het overschrijden door de Staat van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 EVRM;

e. het niet aanbieden van enigerlei vorm van schadevergoeding.

Voorts vordert [eiser] dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die [eiser] ten gevolge van het onrechtmatig handelen door de Staat heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 1997, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.

Tenslotte vordert [eiser] veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

Al het vorenstaande, voor zover de wet het toestaat, uitvoerbaar bij voorraad.

2.2 De onderbouwing van [eiser] van zijn vorderingen kan als volgt worden samengevat.

[eiser] acht zijn aanvraag ten onrechte afgewezen (1.5), zijn verzoek door de voorzitter van het CBB ten onrechte geweigerd en zijn beroep door het CBB ten onrechte verworpen (1.6), aangezien hij op 1 januari 1984 het bedrijf van de maatschap heeft overgenomen en dientengevolge als startende ondernemer valt onder een van de categorieën waarvoor de minister heeft kenbaar gemaakt toepassing te zullen geven aan artikel 19 van het Bsh. [eiser] stelt dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door het voorbereiden, vaststellen en handhaven van het bestreden besluit van de minister en het voorbereiden, vaststellen en handhaven van de bestreden uitspraken van de voorzitter van het CBB en dat college zelf en dat de Staat aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.

In zijn onder 1.7 weergegeven arrest heeft het EHRM voor recht verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het voorbereiden, vaststellen en handhaven van de artikelen 74 en 75 van de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie (Wet Arbo). In dat arrest ligt voorts besloten dat de Staat ten onrechte de rechtsgang naar het CBB heeft voorgeschreven ter zake van het vaststellen van aanspraken ingevolge de Bsh, zodat de onrechtmatigheid van dat handelen zowel als de aansprakelijkheid daarvoor van de Staat volgens [eiser] in beginsel zijn gegeven.

Volgens de jurisprudentie van het EHRM moet de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, worden gerekend vanaf het doen van de aanvraag om een extra melkquotum, dan wel vanaf de indiening van het bezwaarschrift tegen de afwijzende beschikking. Deze termijn is reeds lang verstreken, hetgeen aan de Staat moet worden toegerekend, nu de lange behandelingsduur rechtstreeks verband houdt met de door het EHRM onrechtmatig verklaarde wijze van inrichting van het procesrecht.

Tenslotte is [eiser] van mening dat de Staat hem naar aanleiding van het arrest van 19 april 1994 van het EHRM enigerlei vorm van schadeloosstelling had moeten aanbieden.

Voor wat betreft de door hem geleden schade ten gevolge van het handelen van de Staat heeft [eiser] erop gewezen dat hij, doordat hem geen extra melkquotum is toegewezen, over de voorbije jaren een forse omzet- en winstderving heeft geleden. Voorts heeft hij kosten gemaakt doordat hij ten gevolge van de onrechtmatige inrichting van de door de Staat voorgeschreven procesgangen, nodeloos rechtsgangen heeft moeten doorlopen. Tenslotte claimt [eiser] immateriële schade, onder meer omdat hij jaren in onzekerheid heeft moeten verkeren alvorens een beslissing te kunnen krijgen van een rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 EVRM.

2.3 Het verweer van de Staat kan (voor zover gehandhaafd in de conclusie van dupliek) als volgt worden samengevat.

De Staat stelt dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hij niet binnen een redelijke termijn na het in rechtsoverweging 1.7 bedoelde arrest van het EHRM het geschil omtrent de (on-)rechtmatigheid van het besluit van 23 september 1984 aan de rechtbank heeft voorgelegd. Voorts heeft de Staat het standpunt ingenomen dat zijn handelen in generlei opzicht onrechtmatig is jegens [eiser].

beoordeling

3.1 De in rechtsoverweging 2.1 onder e genoemde grondslag waarop [eiser] zijn vordering baseert, kan naar het oordeel van de rechtbank geen onrechtmatige daad opleveren, nu niet valt in te zien dat de Staat daartoe gehouden zou zijn alvorens vast staat dat de bestreden beslissingen onrechtmatig zijn. Het beroep dat eiser in dit verband heeft gedaan op de jurisprudentie van de Hoge Raad zoals die - met name - naar voren komt in het arrest van 18 januari 1991 (NJ 1992, 638; Varkensmester) kan alleen al daarom niet slagen, nu moet worden geoordeeld dat de Bsh zich richt tot alle melkveehouders en in beginsel ook voor die gehele beroepsgroep gevolgen met zich brengt.

3.2 Voor zover het betreft de in rechtsoverweging 2.1 onder a, b, c en d genoemde grondslag van de vordering van [eiser] overweegt de rechtbank het volgende.

3.3 [eiser] heeft de Staat gedagvaard uit onrechtmatige daad wegens besluiten die meer dan vijf jaar daarvoor door de voorzitter van het CBB en door het CBB zelf waren genomen, wegens het daarvóór moeten doorlopen van een rechtsgang en wegens een besluit uit 1984. De Staat heeft gesteld dat hij in zijn mogelijkheden van verweer wordt beperkt doordat vele jaren na een uitspraak van het CBB de rechtmatigheid van een besluit alsnog wordt aangevochten en voorts gewezen op zijn belang om zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen te kunnen treffen indien zou blijken dat verhoging van de individuele melkquota tot een overschrijding van het nationale melkquotum leidt.

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank mag de dagvaarding in een civiele procedure niet onredelijk laat na het (gestelde) onrechtmatig handelen worden gedaan. Dit betekent dat de dagvaarding in deze civiele procedure niet onredelijk laat na de uitspraken van het CBB en zijn voorzitter mag zijn uitgegaan. Ter zake van de vraag of [eiser] na die uitspraken onredelijk lang heeft gewacht met het instellen van zijn civiele vordering, overweegt de rechtbank als volgt.

3.5 De uitspraken van de voorzitter van het CBB en van het CBB dateren van 31 maart 1988, onderscheidenlijk 31 oktober 1990. Hiertegen stond feitelijk geen rechtsgang bij de civiele rechter open totdat het EHRM uitspraak deed in de Van den Hurk - zaak. Deze uitspraak heeft jaren op zich laten wachten. Zij kwam pas op 19 april 1994. Dat [eiser] voordien niet naar de civiele rechter is gegaan kan hem niet worden tegengeworpen.

Na de uitspraak van het EHRM hebben er, naar de rechtbank ambtshalve uit soortgelijke zaken bekend is geworden, besprekingen plaatsgevonden tussen veehouders die een procedure in Straatsburg aanhangig hadden gemaakt, en de Staat. In dat kader is eind januari 1996 met de Staat afgesproken dat de Staat de inhoud van het Van den Hurk-arrest ook ten opzichte van deze (in Straatsburg procederende) veehouders zou accepteren, waarbij de mogelijkheid van het instellen van een procedure bij de burgerlijke rechter is opengelaten. Hoewel het in beginsel op de weg van iedere veehouder afzonderlijk lag om - desgewenst - na het arrest van het EHRM in 1994 zo snel mogelijk een procedure bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, acht de rechtbank het gelet op voornoemde afspraak niet juist van de in Straatsburg procederende veehouders te eisen dat zij eerder dan in 1996 deze procedure in gang zouden zetten. Het gelijkheidsbeginsel brengt hier mee dat dit dan ook niet van de niet in Straatsburg procederende veehouders kan worden geëist.

Alles beziende oordeelt de rechtbank thans dat in beginsel een termijn tot en met 18 april 1996, zijnde twee jaren na het arrest van het EHRM, nog aanvaardbaar is als termijn waarbinnen de betreffende veehouder zijn vordering voor de civiele rechter aanhangig moet hebben gemaakt. Gelet op het feit dat de uitspraken van de zijde van het CBB dateren van 31 maart 1988 en 31 oktober 1990 en het arrest van het EHRM van 19 april 1994, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de Staat zodanig is benadeeld door de termijn die aldus zou kunnen zijn verlopen, dat hij in redelijkheid niet meer in rechte aansprakelijk kan worden gesteld.

3.6 [eiser] heeft de Staat gedagvaard op 17 april 1997, derhalve bijna drie jaren na de uitspraak van het EHRM. Ook de eerste brief waaruit de Staat had kunnen afleiden dat hij door [eiser] zou worden aangesproken, dateert (naar door [eiser] onweersproken is gesteld) van 20 februari 1997 en derhalve van meer dan twee jaar na de uitspraak van het EHRM. Een rechtvaardiging voor het zolang wachten heeft [eiser] niet gegeven.

3.7 Dit betekent dat het verweer van de Staat slaagt en dat [eiser] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.

3.8 [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, bedoeld in rechtsoverweging 2.1, onder a, b, c en d;

- wijst de vordering van [eiser] voor het overige af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op f. 370,- aan griffierecht en f. 2150,- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs R.A.C. van Rossum, A.C.M. van Wesenbeeck en A.V. van den Berg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.