Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA8844

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/2038
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 1999-08-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

Awb 98/2038 VRWET

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen

A, verblijvende te B, eiser,

gemachtigde mr. P. Th. van Alkemade, advocaat te Maastricht,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Eiser stelt de Iraakse nationaliteit te bezitten en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 14 november 1996 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij besluit van 22 januari 1997 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens

heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag om een vergunning tot verblijf.

Dit besluit is aan eiser bekendgemaakt op 6 februari 1997. Daarbij is eiser medegedeeld dat nog aan de hand van de inhoud van een eventueel bezwaarschrift zal worden beslist of hij de behandeling ervan in Nederland mag afwachten.

Op 19 februari 1997 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij schrijven van 24 maart 1997 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en is aan eiser medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 26 maart 1997 heeft eiser om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van eiser over te gaan, totdat op het bezwaarschrift zal

zijn beslist.

Bij besluit van 16 april 1997 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Daarbij is eiser medegedeeld dat hij de behandeling van een eventueel in te stellen beroep niet in Nederland mag afwachten.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 25 april 1997 beroep ingesteld. Het beroep is op 28 april 1997 ter griffie van de rechtbank ontvangen. Bij schrijven van 12 maart 1998 zijn namens eiser de gronden van het beroep nader

aangevuld.

Bij schrijven van 10 juli 1998 heeft verweerder aan eiser alsnog uitstel van vertrek verleend.

Bij uitspraak van 25 augustus 1998 heeft de president van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van voldoende spoedeisend belang. Wel heeft de president termen aanwezig geacht

verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.

Verweerder heeft naar aanleiding van het onderhavige beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 juni 1999. Eiser is niet verschenen, maar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. P.M. Kruijdenberg en

mr. M. van Driel, beiden advocaat te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 16 april 1997 in rechte stand kan houden. Bij dit besluit is het bezwaar van eiser tegen de negatieve besluiten op zijn toelatingsaanvragen ongegrond verklaard.

Eiser legt aan zijn beroep ten grondslag dat hij in Syrië gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging, dan wel dat er klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig zijn op grond waarvan hem een vergunning tot verblijf dient

te worden verleend.

Daartoe heeft eiser, blijkens het verslag dat is opgemaakt van het nader gehoor van 29 november 1996, zoals dat is gecorrigeerd bij schrijven van

14 januari 1997, het volgende aangevoerd.

Eiser is geboren in Irak en is op twaalf- of dertienjarige leeftijd met zijn vader verhuisd naar Syrië. Eisers vader was ambtenaar bij het Ministerie van Transport en werd door de Iraakse staat uitgezonden naar Syrië om te gaan

werken bij een logistiek bureau. Nadat er problemen waren ontstaan tussen Syrië en Irak, werd eisers vader omstreeks 1980 door de Iraakse autoriteiten gesommeerd terug te keren naar Irak, hetgeen hij heeft geweigerd. Als gevolg van

deze weigering is eisers vader ontslagen. Vervolgens is de vader van eiser gaan werken in het bedrijf van de familie van zijn tweede vrouw. Eisers vader is in mei 1996 overleden bij een auto-ongeluk. De moeder van eiser was reeds

overleden in 1964. Eiser heeft aan polio geleden en is dientengevolge duurzaam gehandicapt. Vanwege zijn handicap is eiser volledig afhankelijk van de zorg van anderen. Nu zowel zijn moeder als zijn vader is overleden, is er niemand

die voor eiser kan zorgen. Zijn stiefmoeder, de tweede vrouw van zijn vader, is hiertoe niet bereid. Vanwege zijn handicap is het voor eiser vrijwel onmogelijk om in Syrië aan werk te komen. Daarbij speelt tevens een rol dat eiser

niet de Syrische nationaliteit bezit.

Om diezelfde reden komt eiser in Syrië niet in aanmerking voor een uitkering of een andere geldelijke tegemoetkoming in de medische kosten die hij vanwege zijn ziekte noodgedwongen moet maken. Voorts wordt eiser door de Syrische

autoriteiten vervolgd omdat hij Christen is, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat eiser op straat werd gecontroleerd en vervolgens zijn identiteitsbewijs moest laten zien. Aan voornoemde problemen kan eiser zich niet onttrekken

door zich in Irak te vestigen, omdat het ook in Irak moeilijk is voor iemand met een handicap om zich te handhaven. Bovendien wordt eisers vader door de Iraakse autoriteiten beschouwd als tegenstander van het regime, vanwege zijn

weigering destijds naar Irak terug te keren.

In bezwaar heeft eiser naar voren gebracht dat hij Syrië ongeautoriseerd en met valse papieren heeft verlaten en dat hij deswege bij terugkeer naar Syrië het risico loopt te worden gearresteerd. Bovendien kan aan eiser op basis van

artikel 452 van het Syrische Wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf worden opgelegd van één maand tot twee jaar voor het gebruik van valse documenten of een valse identiteit. Ter ondersteuning van de door eiser gestelde medische

problematiek is voorts een verslag van een functiebeperkingenonderzoek door de Medische Opvang Asielzoekers in het OC C overgelegd.

In beroep heeft eiser zijn medische situatie verder onderbouwd. Daartoe heeft hij een aantal brieven overgelegd van respectievelijk zijn revalidatie-arts, uroloog en ergotherapeute.

Ten aanzien van het beroep op vluchtelingschap overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna te noemen: het Verdrag) geldt, voor zover hier van

belang, voor de toepassing van het Verdrag als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt

buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Vw kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de toelating niet kan worden geweigerd dan om gewichtige redenen aan het algemeen belang

ontleend, indien de vreemdeling door de weigering genoopt zou worden zich onmiddellijk te begeven naar een land als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 15c, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw wordt de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan indien deze is gegrond op omstandigheden die hetzij op zichzelf of

in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.

Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in Syrië niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dit land, zonder meer als vluchteling aan te merken zijn. Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem

persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Daartoe wordt overwogen dat discriminatie slechts tot vluchtelingschap kan leiden, indien sprake is van een systematische en ingrijpende bejegening van discriminatoire

aard, welke een ernstige beperking oplevert van bestaansmogelijkheden en waartegen de autoriteiten geen bescherming willen of kunnen bieden. Uit de door eiser afgelegde verklaringen en uit hetgeen overigens in de onderhavige

procedure naar voren is gebracht kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiser vanwege zijn handicap door de Syrische autoriteiten op een dusdanig discriminatoire wijze is bejegend dat zijn leven aldaar

onhoudbaar is geworden. Daarbij is in aanmerking genomen dat eiser zich zowel voor als na het overlijden van zijn vader met behulp van familie en vrienden staande heeft kunnen houden, terwijl op geen enkele wijze aannemelijk is

gemaakt dat eiser in de toekomst van dergelijke steun verstoken zal blijven. De enkele omstandigheid dat eiser niet van derden afhankelijk wil zijn, wat hier ook van zij, maakt het vorenstaande niet anders.

Dat eiser vanwege zijn Christelijke geloofsovertuiging door de Syrische autoriteiten wordt vervolgd heeft eiser volstrekt niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat eiser op straat is gecontroleerd en zijn

identiteitsbewijs moest laten zien acht de rechtbank ontoereikend om een dergelijke stelling te adstrueren.

Daarenboven stelt eiser de Iraakse nationaliteit te bezitten. Ofschoon de rechtbank de twijfels van verweerder hieromtrent deelt, leidt deze stelling tot de conclusie dat eiser zich aan eventuele vervolging van de zijde van de

Syrische autoriteiten kan onttrekken door zich in Irak te vestigen. Dat dit niet tot de mogelijkheden behoort omdat eiser eveneens vervolging van de zijde van de Iraakse autoriteiten heeft te vrezen, vermag de rechtbank niet te

volgen. Niet is immers gebleken dat eisers vader tengevolge van zijn weigering terug te keren naar Irak ooit problemen van de zijde van de Iraakse autoriteiten heeft ondervonden, zodat weinig aannemelijk is dat eiser deswege wél in

de negatieve belangstelling van de Iraakse overheid zou staan. Nu eiser deze stelling in het geheel niet nader heeft onderbouwd, vermag de rechtbank voorts niet in te zien dat het leven voor eiser als zwaar gehandicapte in Irak

onhoudbaar is.

Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen enkel vermoeden heeft kunnen wekken dat er rechtsgrond bestaat

voor toelating van eiser als vluchteling.

Ten aanzien van eisers gestelde aanspraak op een vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie

hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met

hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien zij een reëel risico lopen bij terugkeer een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM) te ondergaan, of indien sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire aard.

Gesteld, noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Verder is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen ten aanzien van eisers beroep op het vluchtelingschap is overwogen voortvloeit dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt onderworpen te worden aan

folteringen of aan onmenselijke behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Naar aanleiding van de stelling van eiser dat hij risico loopt om bij terugkeer in Syrië te worden gearresteerd omdat hij dat land met ongeautoriseerd en met valse papieren heeft verlaten overweegt de rechtbank het volgende. Zo al

zou moeten worden aangenomen dat eiser is aangewezen op terugkeer naar Syrië -hij stelt immers de Iraakse nationaliteit te bezitten- dan heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om de aangehaalde stelling te volgen. In het

ambtsbericht van 1 augustus 1997 is ten aanzien van terugkeer naar Syrië onder meer vermeld dat Syrische onderdanen die reizen op een laissez passer bij binnenkomst worden gecontroleerd, in die zin dat wordt nagegaan of zij niet op

de landelijke signaleringslijst voorkomen. Op die lijst staan de namen van personen die gezocht worden wegens politieke activiteiten, economische of commune delicten of desertie/dienstweigering. Deze controle kan enkele uren of

dagen duren, gedurende welke tijd men in detentie verblijft. Er zijn geen gevallen bekend van in Westeuropese landen uitgeprocedeerde asielzoekers die bij terugkeer ernstige problemen hebben ondervonden louter vanwege het feit dat

zij het land zonder toestemming hadden verlaten of elders asiel hadden gevraagd. Bestraffing wegens het gebruik van valse documenten beperkt zich in de praktijk in de regel tot een kleine geldboete. De rechtbank heeft in de

gedingstukken noch in het verhandelde ter zitting aanleiding gevonden voor de veronderstelling dat het ambtsbericht op dit punt onjuiste informatie bevat. Zij heeft hierbij in aanmerking genomen dat ook Amnesty International in haar

rapportage van 27 maart 1996 heeft benadrukt dat voornamelijk personen die in verband worden gebracht met een verboden politieke partij of groepering en deserteurs bij terugkeer het risico lopen te worden gearresteerd en soms ook

gemarteld te worden.

Niet aannemelijk is geworden dat eiser behoort tot een categorie personen waarvoor bij terugkeer bijzondere negatieve belangstelling bestaat.

Ten aanzien van de vraag of er sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verblijf van eiser in Nederland zou moeten worden toegestaan, overweegt de rechtbank het volgende.

Geconstateerd moet worden dat eiser in dit verband van meet af aan een beroep heeft gedaan op de aanwezigheid van ernstige medische beperkingen en de problemen die hij dientengevolge ondervindt in Syrië. Zo heeft eiser tijdens het

nader gehoor naar voren gebracht dat hij als gevolg van polio zwaar gehandicapt is geraakt en is in de aanvullingen en correcties aangegeven dat eiser in hoge mate afhankelijk is van een elektrische rolstoel om zich te kunnen

verplaatsen. In bezwaar heeft eiser ter ondersteuning van de gestelde medische problematiek een deel van een behandelstatus van de Medische Opvang Asielzoekers in het OC C overgelegd, waaruit blijkt dat het in het onderhavige geval

mogelijk gaat om vergaande beperkingen en overleg met betrekking tot het revalidatietraject gepland is. Ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe van de zijde van eiser, heeft verweerder in het bovenstaande geen aanleiding gezien

tot inschakeling van de Medisch Adviseur alvorens op

eisers bezwaar te beslissen. In beroep heeft eiser vervolgens een aantal brieven van behandelend artsen overgelegd, waarin wordt bevestigd dat hij ernstige functiebeperkingen ondervindt tengevolge van restverschijnselen van polio.

Naar aanleiding van deze nadere stukken heeft verweerder alsnog besloten een onderzoek in te laten stellen naar de medische problematiek van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stukken die na het nemen van de beslissing

in bezwaar door eiser zijn ingediend echter niet anders te beschouwen dan als een nadere onderbouwing van hetgeen reeds in eerste instantie omtrent eisers gezondheidstoestand naar voren is gebracht. Nu verweerder in deze nadere

stukken alsnog aanleiding heeft gezien de Medisch Adviseur in te schakelen, vermag de rechtbank niet in te zien waarom verweerder hiertoe niet reeds in bezwaar heeft besloten.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat op dit punt in casu geen sprake is geweest van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, zoals bedoeld in

artikel 3:2 van de Awb. Hieruit vloeit voort dat het onderhavige beroep voorzover dit is gericht tegen het niet verlenen van een vergunning tot verblijf, gegrond is. Het bestreden besluit komt in zoverre dan ook voor vernietiging in

aanmerking.

Uit de gedingstukken blijkt dat de Medisch Adviseur bij nota van 17 juni 1998 advies heeft uitgebracht. Hierin is vastgesteld dat eiser lijdt aan meerdere stoornissen waarvoor medische behandeling noodzakelijk is, terwijl voorts is

aangegeven dat deze behandeling noodzakelijkerwijs in Nederland dient plaats te vinden, omdat informatie over de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst ontbreekt. Op grond van het vorenstaande komt de Medisch adviseur

tot de conclusie dat verwijdering van eiser met het oog op zijn gezondheidstoestand medisch gezien niet mogelijk is. De MA is desgevraagd bereid om na 1 jaar opnieuw een onderzoek in te stellen.

De uitkomst van voornoemd advies in aanmerking nemend, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voorzover dit voor vernietiging in aanmerking komt, met toepassing van artikel 8:72, derde lid

van de Awb in stand te laten.

Nu de rechtbank eisers beroep gedeeltelijk gegrond zal verklaren, acht zij termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met

inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Ten overvloede overweegt de rechtbank tenslotte dat verweerder naar haar oordeel terecht aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf heeft onthouden, daar de door eiser gestelde nationaliteit voorwerp is van gerede

twijfel. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat blijkens een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van de Marechaussee van 14 november 1996 de door eiser als authentiek overgelegde Iraakse identiteitskaart sporen van

vervalsing vertoont, terwijl voorts eisers verklaringen over Irak, zoals neergelegd in het rapport van bevindingen inzake nationaliteitsonderzoek van 15 november 1996, ontoereikend zijn om desondanks aan te nemen dat eiser de

Iraakse nationaliteit bezit. In bovenstaand kader acht de rechtbank verder van belang dat niet is gebleken van enige poging van de zijde van eiser om de door hem gestelde identiteit en nationaliteit anderszins aannemelijk te maken.

Dit klemt temeer nu eiser hiertoe in beginsel wel degelijk de mogelijkheid heeft gehad. Volgens eigen verklaringen staat hij immers in het Iraakse

paspoort van zijn vader geregistreerd, welk paspoort zich in Syrië bij zijn stiefmoeder bevindt. Niet is echter gebleken dat eiser op enigerlei wijze heeft getracht de beschikking over dit document te krijgen.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond voorzover dit is gericht tegen de weigering van verweerder eiser een vergunning tot verblijf te verlenen;

vernietigt het bestreden besluit in zoverre en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in de uitspraak overwogene;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

gelast dat het gestorte griffierecht ten bedrage van f 50,-- door de Staat der Nederlanden namens verweerder aan eiser wordt vergoed;

Aldus gedaan door mr. B.C.W. Geurtsen-Van Eeden als rechter in tegenwoordigheid van mr. D.M. Manie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2000.

mr. D.M. Manie is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Afschriften verzonden: 7 september 2000

RvD