Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA7456

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-1999
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 99/1661
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Nieuwersluis

gemeente Loenen

Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/1661 VRWET N

Inzake: A, geboren op [...] 1974, van Marokkaanse

nationaliteit, ook bekend onder de naam A,

geboren op [...] 1974 dan wel op [...] 1974, van

Spaanse nationaliteit, thans verblijvende in Marokko, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage,

verweerder.

Terechtzitting: 11 maart 1999.

De belangen van de vreemdeling zijn ter zitting bepleit door mr W.A.E.M. Amesz, advocaat te Rotterdam, buiten de aanwezigheid van de vreemdeling.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr A. Venekamp.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 19 september 1998 is de vreemdeling aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Op 25 februari 1999 is hij heengezonden, overgedragen aan de vreemdelingendienst en is aansluitend bij bevel tot bewaring van

gelijke datum op grond van artikel 26, eerste lid, Vw in bewaring gesteld. Op diezelfde datum was reeds zijn uitzetting gelast.

Bij beroepschrift van 26 februari 1999, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 1 maart 1999, heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Het beroep strekt tevens tot het toekennen van

schadevergoeding. De bewaring is op 9 maart 1999 opgeheven en de vreemdeling is op dezelfde dag door verweerder naar Marokko uitgezet.

2. Overwegingen

Nu de bewaring is opgeheven, gaat het in dit geding uitsluitend nog om de gevraagde schadevergoeding. Daartoe dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat hij niet, zoals artikel 82, tweede lid, eerste volzin, Vreemdelingenbesluit (Vb) voorschrijft, voorafgaande aan de inbewaringstelling is gehoord; het gehoor vond enige tijd na de

inbewaringstelling plaats. Voorts is het horen van

de vreemdeling na de inbewaringstelling en het geven van het bevel tot bewaring niet door éénzelfde ambtenaar geschied. Op grond hiervan dient de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te worden geacht en ligt toekenning van

schadevergoeding in de rede.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Artikel 82, tweede lid, Vb schrijft voor dat het bevel tot bewaring niet wordt gegeven dan nadat de vreemdeling daarop door het tot het geven van het bevel bevoegde gezag is gehoord, tenzij het voorafgaand verhoor van de vreemdeling

niet kan worden afgewacht.

Is het bevel gegeven zonder dat de vreemdeling is gehoord, dan heeft het verhoor terstond na de tenuitvoerlegging van het bevel plaats.

In het onderhavige geval heeft de vreemdeling tot en met 25 februari 1999 in voorlopige hechtenis verbleven in het Huis van Bewaring De Noordsingel te Rotterdam. Op 25 februari 1999 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis

kennelijk met onmiddellijke ingang beëindigd. Direct daarop volgend, en wel om 12.00 uur, is vreemdeling bij bevel ex artikel 26 Vw in bewaring gesteld.

Vervolgens is de vreemdeling vervoerd naar het politiebureau Noord te Rotterdam, alwaar de vreemdeling om 12.30 uur arriveerde. Om 12.40 uur is de vreemdeling gehoord overeenkomstig het bepaalde in artikel 82 Vb. Op grond van het

vorenstaande acht de rechtbank het alleszins aannemelijk dat een aan het geven van het bevel tot bewaring voorafgaand verhoor niet kon worden afgewacht. Immers in dat geval zou de vreemdeling zijn vrijheid enige tijd worden ontnomen

zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag aanwezig zou zijn. Artikel 82, tweede lid, Vb schrijft in dat geval voor dat het verhoor plaatsvindt terstond na de tenuitvoerlegging van het bevel.

In het onderhavige geval heeft het verhoor plaatsgevonden veertig minuten na het geven van het bevel. Gelet op het feit dat het vervoer van vreemdeling 30 minuten in beslag heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat het verhoor

heeft plaatsgevonden terstond na de tenuitvoerlegging van het bevel.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat hoewel het in het algemeen zo zal zijn dat degene die een vreemdeling voor of na zijn inbewaringstelling hoort dezelfde is als degene die het bevel tot bewaring geeft, leidt de omstandigheid

dat zulks niet is gebeurd in het onderhavige geval niet tot onrechtmatigheid van de bewaring.

Daarbij is in aanmerking genomen dat het verhoor terstond diende plaats te vinden en dat zowel het proces-verbaal van verhoor als het bevel tot bewaring zijn ondertekend door ambtenaren, beiden belast met het toezicht op

vreemdelingen, tevens hulp-

officier van justitie zoals vereist op grond van artikel 82, eerste lid, Vb. De grief van de vreemdeling dient dan ook te falen.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, de toepassing of

tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Nu het beroep ongegrond is, komt ook het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet voor inwilliging in aanmerking.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr B.H. Franke, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in tegenwoordigheid van

mr K.P.E. Grotenhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 1999, in tegenwoordigheid van de griffier.

afschrift verzonden op: 30 maart 1999

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de

uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.