Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6891

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-10-1999
Datum publicatie
21-01-2002
Zaaknummer
AWB 98/7377, 98/7379
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jº artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 98/7377 VRWET & AWB 98/7379 VRWET

inzake: A en B, wonende te

C, eisers,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eisers (verder ook te noemen: A en B) zijn partners en bezitten de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. A is geboren op 14 oktober 1951, B op 13 november 1967. Bij besluit van

27 september 1991 is A een vergunning tot verblijf verleend onder de beperking "voor het verrichten van arbeid als zelfstandig ontwerper en vervaardiger van computergestuurde poppen voor animatiefilms". De beperking van de

vergunning tot verblijf van A is sedert 28 februari 1994 gewijzigd in "arbeid als zelfstandige, Studio D". Bij besluit van diezelfde dag is B een vergunning tot verblijf verleend onder de beperking "voor gezinsleven met A en het

verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf". Beide vergunningen zijn verleend met ingang van 6 november 1990 en laatstelijk verlengd tot 4 november 1996.

2. A en B hebben op 3 december 1996 bij de korpschef van de politie Flevoland (verder: de korpschef) aanvragen ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunningen tot verblijf. Bij besluiten van 5 februari 1997

heeft de korpschef op deze aanvragen afwijzend beslist.

Bij administratief beroepschriften van 4 maart 1997, aangevuld bij brieven van 27 maart 1997 en 5 januari 1998, hebben eisers tegen deze besluiten administratief beroep ingesteld. Op 16 februari 1998 zijn eisers gehoord door de

Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACV). De administratieve beroepen zijn bij besluiten van 31 juli 1998 - conform de eenstemmige adviezen van de ACV van 16 februari 1998 - ongegrond verklaard.

3. Bij beroepschriften van 28 augustus 1998, aangevuld bij brieven van 19 oktober 1998, heeft mr. C. Everaert, advocaat te Amsterdam, namens eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 17 december 1998 zijn de

op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In de verweerschriften van 7 april 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 1998. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Everaert, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. J.M. Dorgelo, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. De beroepen zijn ter zitting gevoegd behandeld.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

2.1 Eisers verblijven sedert juli 1989 als vreemdelingen in de zin van de Vw in Nederland. Zij zijn van mening in aanmerking te komen voor verlenging van de geldigheidsduur van hun vergunningen tot verblijf. In administratief beroep

en beroep hebben eisers daartoe het volgende aangevoerd. A bestrijdt verweerders stelling dat hij niet heeft kunnen aantonen dat hij sedert 1 januari 1995 heeft beschikt over voldoende middelen van bestaan.

A heeft immers financiële informatie overgelegd waaruit zijn inkomsten blijken. Dat die informatie door verweerder als onvoldoende betrouwbaar wordt gezien doet daaraan niet af. Het is A niet duidelijk hoe de Vreemdelingendienst

heeft kunnen concluderen dat zijn bedrijf zou zijn uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Blijkens een uittreksel van 8 mei 1996, staat de eenmanszaak "Studio D" per 1 januari 1996 nog steeds geregistreerd. Voorts is eisers niet

duidelijk hoe de Vreemdelingendienst uit het enkele feit dat de woning van eisers leeg was, heeft kunnen concluderen dat zij bij hun verzoek om verlenging van de vergunningen tot verblijf, onjuiste gegevens hebben verstrekt. Eind

1996 hebben eisers besloten naar C te verhuizen. Omdat ze daar nog geen woning hadden logeerden ze bij vrienden. Op het moment dat eisers de aanvragen om verlenging indienden, stonden zij echter nog ingeschreven in het

bevolkingsregister van de gemeente E. Zelfs als er van moet worden uitgegaan dat eisers onjuiste gegevens hebben verstrekt, is er nog geen reden om de vergunningen tot verblijf niet te verlengen/in te trekken.

Indien de juiste gegevens zouden zijn verstrekt, zouden de verzoeken om verlenging immers niet zijn afgewezen c.q. de vergunningen niet zijn ingetrokken. B heeft sedert 1 januari 1995 bij voortduring voldaan aan het

middelenvereiste. Tot september 1996 werkte hij in loondienst voor Beemsterboer Coldstore BV. Sedert oktober 1996 werkt hij op freelance basis voor F. Het gezinsinkomen van eisers was dan ook ruim voldoende om positief te beslissen

op B's verzoek om verlenging van de vergunning tot verblijf. A moet in ieder geval voortgezet verblijf worden toegestaan op basis van zijn relatie met B.

2.2 Ter zitting is namens eisers voorts het volgende aangevoerd. De besluiten in eerste aanleg strekken er toe de geldigheidsduur van de vergunningen tot verblijf niet te verlengen. De besluiten op bezwaar zijn

intrekkingsbeslissingen. Door het overnemen van de adviezen van de ACV heeft verweerder de grondslag waarop het bezwaar rust verlaten. A en B zijn door deze handelwijze benadeeld. Voor B klemt een en ander temeer omdat hem door de

beslissing van 31 juli 1998 met

terugwerkende kracht zijn verblijfsvergunning wordt ontnomen. Blijkens het besluit heeft hij op basis van verweerders beleid inzake voortgezet verblijf na verbreking relatie een zogeheten zoekjaar gekregen, waarvan hem de verlenging

per 1 januari 1996 is geweigerd. Dit alles echter zonder dat hij dat ooit heeft geweten. Verweerder heeft de plicht om B duidelijk te maken in welke positie hij zich bevindt en wat van hem wordt verlangd om voor voortgezet verblijf

in aanmerking te komen. Door de handelwijze van verweerder heeft B nooit de kans gekregen om zijn leven zo in te richten dat hem voortgezet verblijf zou worden toegestaan.

Verweerder heeft wellicht terecht geoordeeld dat A niet langer in aanmerking kwam voor verlenging van de geldigheidsduur van zijn vergunning tot verblijf onder de beperking waaronder deze aan hem was verleend. Ten onrechte is

verweerder echter voorbijgegaan aan de klemmende redenen van humanitaire aard die tot toelating van A nopen.

4.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat A geen aanspraak kan maken op verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf. Wat er ook zij van de inschrijving van de onderneming van A in het

register van de Kamer van Koophandel, niet is aannemelijk geworden dat A na 1 januari 1995 nog inkomsten heeft verworven met Studio D. Derhalve wordt geconcludeerd dat A sedert 1 januari 1995 geen recht meer kan doen gelden op de

verblijfsvergunning onder de beperking waaronder deze aan hem is verleend.

De overgelegde verklaring van 31 oktober 1996 waaruit zou moeten blijken dat de onderneming in 1995 een omzet van fl 50.000 heeft gerealiseerd, leidt niet tot een ander oordeel. Deze verklaring is niet door een onafhankelijke derde

opgesteld en wordt door geen enkel ander stuk -bijvoorbeeld een belastingaanslag over 1995- ondersteund. Ter zitting van de ACV is A in de gelegenheid gesteld om binnen één week na de zitting gegevens met betrekking tot zijn

inkomsten over de jaren 1995 tot en met 1997 over te leggen. A heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Voorts is van belang dat A ter zitting van de ACV heeft verklaard zich na 1 januari 1995 nog wel enige tijd te hebben

beziggehouden met zijn zaak in computer-gestuurde poppen, maar deze zaak in de loop van 1995 te hebben opgegeven. Aan de verklaring van A ter zitting van de ACV dat hij sinds januari 1996 bezig is met de oprichting van een nieuwe

zaak, een detailhandel in kunstvoorwerpen, tevens uitgeverij, wordt reeds gelet op het ontbreken van financiële informatie geen waarde gehecht.

Daarbij komt dat A met het verrichten van deze activiteiten niet meer voldoet aan de beperking van zijn vergunning tot verblijf. Aan de verklaring van B ter zitting van de ACV dat hij na september 1996 namens Studio D werkzaam was

als verkoper van materiaal voor kunstenaars bij een bedrijf in C, kan evenmin waarde worden gehecht. Deze verklaring is bovendien strijdig met het gestelde in de aanvullende gronden bij het administratief beroepschrift waarin is

meegedeeld dat B op freelance-basis werkzaam is voor AFF en dat zijn declaraties op briefpapier van Studio D worden verstuurd. Gelet op de tegenstrijdigheid tussen beide verklaringen wordt hieraan geen geloof gehecht.

4.2 Verweerder is voorts van mening dat ook B geen aanspraak kan maken op verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf. B was verblijf toegestaan met als doel "verblijf bij partner A". Hiervoor

is reeds gesteld dat A sedert 1 januari 1995 geen recht meer kon doen gelden op zijn vergunning tot verblijf. Ook B voldoet sedert deze datum derhalve niet meer aan de beperking waaronder zijn vergunning tot verblijf was verleend.

De relatie tussen A en B bestond op 1 januari 1995, het moment dat het verblijf van de "hoofdpersoon" A diende te worden beëindigd, méér dan drie jaar.

Derhalve moet worden aangenomen dat B op basis van het ter zake gevoerde beleid met ingang van 1 januari 1995 aanspraak had op een

vergunning tot verblijf voor één jaar (het zoekjaar). Nu niet is komen vast te staan dat B op 1 januari 1996 (de zogeheten "peildatum") beschikte over werk voor tenminste één jaar waarmee tenminste het bestaansminimum in de zin van

de Algemene Bijstandswet werd verdiend, kan B aan dit beleid geen aanspraak op voortgezet verblijf ontlenen.

Voorts is niet gebleken dat B voldoet aan de vereisten van het ten aanzien van flexibele arbeidscontracten gevoerde beleid, aangezien niet is gebleken dat hij op de peildatum beschikte over werk voor nog zes maanden en op dat moment

reeds drie jaar met kortdurende contracten had gewerkt. De overgelegde declaraties met betrekking tot de gestelde werkzaamheden voor F kunnen niet aantonen dat aan de vereisten is voldaan, nu deze declaraties niet door een

onafhankelijke derde zijn opgesteld en door geen enkel ander stuk -bijvoorbeeld een belastingaanslagworden ondersteund. Ter zitting van de ACV is ook B in de gelegenheid gesteld om binnen één week na de zitting gegevens met

betrekking tot zijn inkomsten over de jaren 1995 tot en met 1997 over te leggen. B heeft van deze gelegenheid evenmin gebruik gemaakt.

4.3 Niet is gebleken dat er een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend met de aanwezigheid van eisers hier te lande. Evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan eisers om klemmende redenen van humanitaire

aard hier te lande verblijf moet worden toegestaan. De weigering eisers hier te lande verblijf toe te staan betekent voorts geen schending van het door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en

de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op respect voor het familie- en gezinsleven. Noch A, noch B wordt immers verblijf toegestaan. Derhalve moet worden aangenomen dat het familie- en gezinsleven in Zuid-Afrika kan

worden voortgezet op dezelfde wijze als thans het geval is.

4.4 Ter zitting is namens verweerder voorts opgemerkt dat het betoog van eisers dat B is benadeeld doordat hij niet heeft geweten dat hij een zoekjaar heeft gehad, niet kan worden gevolgd. Indien niet meer aan de voorwaarden voor

verblijf wordt voldaan, zijn vreemdelingen gehouden om verweerder daarvan op de hoogte te stellen. Eisers hebben dat niet gedaan, waardoor de geldigheidsduur van hun vergunningen tot verblijf éénmaal ten onrechte is verlengd. Ook

voor het overige is niet gebleken dat eisers zijn benadeeld. B beschikte feitelijk over een vergunning tot verblijf en kon dus werken.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. Met verweerder, en op de door verweerder gevoerde gronden zoals deze hiervoor zijn weergegeven onder II 4.1, is de rechtbank van oordeel dat A niet langer aanspraak had op verlenging van de geldigheidsduur van zijn vergunning tot

verblijf onder de beperking waaronder deze aan hem was verleend. Niet is gebleken dat A aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op (voortgezette) toelating kan ontlenen.

8. B was in het bezit van een vergunning tot verblijf onder de beperking "voor gezinsleven met A en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf". Verweerder heeft in het bestreden besluit ten aanzien

van B gesteld dat hij aanspraak had op een zoekjaar zoals bedoeld in hoofdstuk B1 onder 4 van de Vc. Ingevolge deze passage wordt een vreemdeling na verbreking van zijn of haar relatie,

indien deze relatie langer dan drie jaar heeft geduurd, één jaar verblijf toegestaan onder de beperking "het verrichten van arbeid in loondienst".

Arbeid is vrij toegestaan. Een tewerkstellingsvergunning is hiervoor niet vereist. De vreemdeling wordt in dat jaar geacht om te zoeken naar arbeid waarmee bij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.

9. Verweerder stelt dat dit zoekjaar is aangevangen op 1 januari 1995 en is geëindigd op 1 januari 1996. Het zoekjaar was derhalve al geruime tijd verstreken op het moment dat op de onderhavige aanvragen om voortgezet verblijf

afwijzend werd beslist. B is van mening dat hij niet de kans heeft gekregen om zijn leven zo in te richten dat hem voortgezet verblijf zou worden toegestaan. Hij stelt door deze handelwijze van verweerder in zijn belangen te zijn

geschaad.

10. In hoofdstuk B1 onder 4.3.3 van de Vc stelt verweerder ter toelichting op het beleid inzake voortgezet verblijf na verbreking relatie (bij een relatie van drie jaar of langer), het volgende: "Uitgaande van de situatie dat niet

iedere vreemdeling gedurende zijn afhankelijke verblijf gewerkt heeft, wordt de vreemdeling een jaar de tijd gegund om arbeid te vinden".

A was tot 4 november 1996 de facto in het bezit was van een vergunning tot verblijf met als doel "arbeid als zelfstandige". Tussen 1 januari 1995 en 1 januari 1996 was er voor B dan ook geen verblijfsrechtelijke noodzaak om in zijn

eigen onderhoud te (gaan) voorzien. Het staat niet zonder meer vast dat B op de hoogte was van de omstandigheid dat A niet langer aan de voorwaarden voor verblijf voldeed.

11. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verweerder in het ten aanzien van B genomen bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom B door het met terugwerkende kracht toekennen van een

zoekjaar niet in zijn belangen is geschaad, danwel -aangenomen dat verweerder het oordeel van B deelt- de omstandigheid dat B in zijn belangen is geschaad niet tot een andere vaststelling van het zoekjaar zou moeten leiden. Het

beroep van B is dan ook gegrond. Het ten aanzien van hem genomen bestreden besluit wordt vernietigd.

12. Niet in geschil is dat er tussen A en B sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder stelt dat, waar noch A noch B verblijf wordt toegestaan, aangenomen moet worden dat het familie- en

gezinsleven in Zuid-Afrika kan worden voortgezet op dezelfde wijze als thans het geval is. Uit het hiervoor overwogene volgt echter dat niet zonder meer vaststaat dat B geen aanspraak heeft op voortgezet verblijf. Bij de

beantwoording van de vraag of artikel 8 van het EVRM tot voortgezette toelating van A zou moeten leiden, is deze omstandigheid door verweerder niet onder ogen gezien. Derhalve kan thans niet worden gesteld dat het ten aanzien van A

genomen besluit op dit punt voldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

Het beroep van A is derhalve eveneens gegrond. Het ten aanzien van hem genomen bestreden besluit wordt vernietigd.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

14. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze

uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad fl 420,- (zegge:

vierhonderdtwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op fl 1420,- (zegge:

veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 1999, door mr. S.J. Bosma, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.H. van der Winden, griffier.

Afschrift verzonden op: 5 oktober 1999

Conc.: JW

Coll:

Bp: -

D: C