Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6798

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/4102, 99/4100
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/4102 VRWET H (beroepszaak)

AWB 99/4100 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, wonende/verblijvende te B,

eiser/verzoeker,

gemachtigde: mr W.M. Hompe, werkzaam bij de Stichting

Rechtsbijstand Asiel Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr A.J. Boorsma, advocaat te 's-Gravenhage.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1.1 Eiser/verzoeker (hierna kortweg te noemen: eiser), geboren op [...] 1965, heeft de Iraakse nationaliteit. Hij verblijft sedert 15 december 1996 in Nederland. Op 16 december 1996 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als

vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij beschikking van 12 mei 1997 heeft verweerder de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De aanvraag om toelating als

vluchteling is niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Eiser heeft op 11 juni 1997 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.

1.2 Bij beslissing van 2 april 1999, aan eiser uitgereikt op dezelfde datum, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft op 29 april 1999 tegen dit besluit beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.3 Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege zal blijven. Bij verzoekschrift van 29 april 1999 heeft eiser de president van de rechtbank verzocht bij wijze van

voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en ongegrondverklaring van het beroep.

1.5 De openbare behandeling van beide geschillen heeft gezamenlijk plaatsgevonden op 26 oktober 1999. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

2.1 In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de

ongegrondverklaring van het bezwaar, gericht tegen het niet toelaten als vluchteling c.q. het niet verlenen van een vergunning tot verblijf, in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit, gelet op de feiten

en omstandigheden ten tijde van het nemen van dit besluit, de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Wettelijk kader

2.2 Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

2.3 Ingevolge artikel 15, eerste lid, Vw is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging,

zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

2.4 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

2.5 Verweerder voert bij toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van

humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiend uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire.

De onderbouwing van de aanvragen

2.6 Eiser, behorend tot de Koerdische bevolking, heeft vanaf 1988 tot 1992 in Turkije verbleven in een kamp in Mush vanwege de aanvallen van het Iraakse leger op Koerden. Na zijn terugkomst in Irak is hij in 1992 in C bewaker

geworden bij Artsen Zonder Grenzen (AZG) en diende hij als lijfwacht van artsen. Vanaf 1994 is eiser chauffeur en vanaf 1995 bewaker van opslagplaatsen geweest bij de humanitaire hulporganisatie Kurdistan Reconstruction Organisation

(KRO). Vanaf 1992 was hij tevens ingeschreven als peshmarga bij de KDP, maar vanwege zijn werk voor de hulporganisaties heeft hij nooit hoeven vechten. Nadat in zijn huis in C op 28 november 1996 rond middernacht een aanslag op hem

is gepleegd is eiser op 30 november 1996 Irak ontvlucht. Saddam Hoessein beschouwde Koerden die voor de buitenlandse humanitaire organisaties hadden gewerkt als spionnen en gaf een beloning aan eenieder die een van deze spionnen zou

liquideren. Eiser vreest bij terugkomst te worden vermoord.

De bestreden beschikking en de standpunten van partijen

2.7 Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Uit het Ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken van 13 november 1998 blijkt dat zich sinds

1995 geen aanslagen meer hebben voorgedaan op medewerkers van Niet-Gouvernementele Organisaties (NGO's). Met betrekking tot hetgeen eiser heeft verklaard over zijn werkzaamheden voor Artsen Zonder Grenzen en de KRO wordt niet

aannemelijk geacht dat hij behoort tot die groep van NGO-medewerkers als genoemd in het ambtsbericht, die wel risico zouden lopen. Derhalve wordt voorbij gegaan aan de inhoud van de door eiser overgelegde documenten met betrekking

tot de aanslag, waarvan de authenticiteit overigens niet is komen vast te staan. Gelet op de brief van 20 november 1998 van de Staatssecretaris van Justitie kan Noord-Irak voor eiser als vestigingsalternatief worden aangemerkt.

Eiser behoort niet tot de in die brief genoemde risicogroepen. Er is geen sprake van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan eiser een verblijfsvergunning zou moeten worden verleend. Bij terugkeer naar het land van

herkomst valt geen behandeling in strijd met artikel 3 EVRM te verwachten. Gelet op eisers verklaringen kan geen beroep op verweerders traumatabeleid worden gedaan.

2.8 Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat Koerdische medewerkers van buitenlandse hulporganisaties buiten de algemene amnestieregeling vielen en werden beschouwd als spionnen die geliquideerd moesten worden. Eiser was aan zijn

uniform en jeep gemakkelijk te herkennen als KRO-medewerker. Zijn hele familie staat bekend als

peshmarga-strijders, twee van zijn broers zijn gesneuveld en erkend als martelaren. Het KDP kan eventuele volgende aanslagen niet voorkomen omdat agenten van Hussein zijn geïnfiltreerd. Daarbij is de mensenrechtensituatie in Iraaks

Koerdistan onveranderd slecht. Het ambtsbericht van 31 maart 1998 waarin de risicogroepen van NGO-medewerkers staan vermeld is innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds staat vermeld dat de Iraakse overheid in Noord-Irak feitelijk geen

gezag uitoefent, anderzijds dat agenten van de Iraakse overheid daar actief zijn en dat herhaaldelijk door Bagdad dreigementen worden geuit aan het adres van NGO-medewerkers in Noord-Irak.

Tevens wordt in het ambtsbericht bevestigd dat een ieder die zich inlaat met buitenlandse organisaties van spionage beschuldigd kan worden. Eiser heeft consistente verklaringen over de aanslag afgelegd. Niet is gebleken dat de ter

onderbouwing van zijn relaas overgelegde documenten vals zijn. Uit verschillende rapportages blijkt dat tegen invallen van de centrale overheid geen enkele bescherming kan worden ingeroepen en dat de invloed van de centrale Iraakse

regering in Noord-Irak is toegenomen. De KDP kan geen daadwerkelijke bescherming bieden. Bij terugkeer bestaat een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 3 van het Anti-folterverdrag omdat eiser door

zijn verleden in feite vogelvrij is verklaard. Eiser had door de ACV gehoord moeten worden.

2.9 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

Beoordeling van het beroep

2.10 Ten aanzien van het beroep, voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank het volgende.

2.11 Voorop staat dat de situatie in Irak niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiser zal derhalve aannemelijk moeten maken, dat met betrekking tot hem

persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in de zin van artikel 15 Vw rechtvaardigt.

2.12 De rechtbank stelt vooreerst vast dat ter zitting is gebleken dat de door eiser gestelde werkzaamheden bij AZG en KRO niet ter discussie staan. De vraag die derhalve ter beantwoording staat, is of eiser aannemelijk heeft

gemaakt dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor genoemde NGO's gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging van de Iraakse autoriteiten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

2.13 Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Uit de vele informatie die over de positie in Noord-Irak van NGO's en hun medewerkers ter beschikking staat, met name de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse zaken van 31

maart 1998 en van oktober 1998, blijkt dat NGO-medewerkers sinds 1995 in het algemeen geen reden hebben om te vrezen voor vervolging door de Iraakse autoriteiten. Laatstgenoemd ambtsbericht voegt daar op p. 16 aan toe dat beweringen

van personen die zeggen te vrezen te hebben voor vervolging als gevolg van hun

activiteiten voor plaatselijke of internationale NGO's

- behoudens bepaalde medewerkers van specifieke NGO's - in toenemende mate onaannemelijk lijken. Dit geldt met name naarmate de tijd verstrijkt en zich geen concrete aanwijzingen voordoen dat er sprake is van aanslagen of

bedreigingen.

2.14 Van belang is derhalve of eiser door middel van concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat vanwege zijn werk voor NGO's specifieke op zijn persoon gerichte negatieve belangstelling bestaat van de zijde van de Iraakse

autoriteiten. Eiser stelt in dit verband dat op 28 november 1996, terwijl hij nog werkzaam was bij de KRO, rond middernacht een aanslag op hem is gepleegd in zijn huis in C. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser, voor zover

hier van belang, een proces-verbaal van de politie van C - gedateerd 28 november 1996, tijd: 23.30 uur - overgelegd, waaruit blijkt dat de politie, nadat zij een melding hadden gekregen dat er was geschoten, op genoemde datum en

tijdstip eisers woning hebben onderzocht en ter plekke hebben geconstateerd dat de deuren en ramen van het huis door kogels beschadigd waren en tevens dat onder de auto van eiser een onontplofte bom is ontdekt. Eiser heeft dit

document van zijn vader en via Turkije ontvangen en op 26 oktober 1997 aan de IND overgelegd. De IND heeft het document vervolgens op 20 januari 1998 doen toekomen aan het Bureau Documenten van IND

Zwolle ten einde een onderzoek in te stellen naar de authenticiteit ervan. Het Bureau Documenten heeft op 17 februari 1998 een Verklaring van Onderzoek uitgebracht. Dit behelsde dat op de aangeboden Iraakse verklaring(en) geen

sporen van vervalsing zijn aangetroffen, dat vergelijkend onderzoek onmogelijk is omdat er geen referentiemateriaal aanwezig is en dat derhalve over de

authenticiteit van deze verklaring(en) geen uitspraak mogelijk is.

2.15 De rechtbank is van oordeel dat met een dergelijke uitkomst van het onderzoek, gelet op de bewijslastverdeling in het vluchtelingenrecht en in onderling verband bezien met eisers consistente asielrelaas, dient te worden

aangenomen dat de aanslag op eiser op 28 november 1996 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat verweerder in zijn bestreden beschikking niet kon volstaan met de enkele constatering dat eiser niet behoort tot de risicogroepen van

NGO-medewerkers die wel voor vervolging te vrezen hebben. Derhalve kan niet worden

uitgesloten dat de aanslag een op de persoon van eiser

gerichte actie was van de zijde van de Iraakse autoriteiten in verband met zijn werkzaamheden voor AZG en KRO. Reeds op deze grond moet worden aangenomen dat eiser, met name vanwege zijn werkzaamheden bij KRO, tot de bewuste

risicogroepen behoort.

2.16 Voor zover verweerder eiser overigens tegenwerpt, dat hij zich aan de gestelde problemen kan onttrekken door de bescherming van de KDP in te roepen, overweegt de rechtbank dat blijkens informatie van de Landendesk Irak van de

IND met kenmerk IRQ/13101997/001, zowel de KDP als de PUK daadwerkelijk

pogingen hebben ondernomen hulpverleners op effectieve wijze te beschermen, maar niet hebben kunnen voorkomen dat sommige van hen het slachtoffer zijn geworden van gewelddadigheden.

Een vluchtalternatief in Noord-Irak kan eiser derhalve niet worden tegengeworpen.

2.17 Gelet op het vorenstaande dient te worden geoordeeld dat verweerders bestreden beschikking een deugdelijke motivering ontbeert en komt het reeds hierom voor vernietiging in

aanmerking. Aan een beoordeling van de overige punten van geschil komt de rechtbank derhalve niet meer toe. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.18 De rechtbank merkt nog wel op dat, voor zover eiser nog heeft aangevoerd dat hij niet is gehoord door de ACV, eiser zijn eventuele recht daarop heeft verwerkt door tijdens het gehoor van de ambtelijke commissie van de IND hier

geen beroep op te doen.

2.19 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.20 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten berekend op basis van 2 punten (1 voor het beroep/verzoek en 1 punt

voor verschijning ter zitting) en tweemaal griffierecht, op de wijze als hierna vermeld.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beschikking;

3.2 draagt verweerder op binnen een termijn van veertien weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

3.4 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 100,--.

De president:

3.5 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr R.H.M. Bruin, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend president, en uitgesproken in het openbaar op 6 december 1999, in

tegenwoordigheid van W.B. Klaus als griffier.

afschrift verzonden op: 22 december 1999

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.