Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6642

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/10530
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissemensrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jº artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 98/10530 VRWET

inzake: A, wonende te B,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1970, bezit de Surinaamse nationaliteit. Zij verblijft sedert mei 1993 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 12 juni 1998 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie

Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij Nederlandse partner

en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf." Bij besluit van 17 juli 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit op 11 augustus 1998 bezwaar gemaakt,

welk bezwaar is aangevuld bij brief van 11 september 1998. Dit bezwaar is bij besluit van 20 november 1998 ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van dezelfde datum aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

2. Bij beroepschrift van 14 december 1998 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 2 maart 1999 zijn de op de zaak

betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 28 juli 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft haar standpunt nog nader onderbouwd bij

brieven van 18 januari 1999 en 20 augustus 1999.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 1999.

Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.L.M. Lichteveld, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K.T.B. van Zijp, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van

verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig de echtgenoot van eiseres, C.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiseres is op 25 september 1998 in het huwelijk getreden met de Nederlander C. De echtgenoot van eiseres staat

vanaf 9 februari 1990 geregistreerd bij de Kamer van Koophandel met een eenmansbedrijf in timmerwerkzaamheden. Met betrekking tot de uit het timmerbedrijf gegenereerde inkomsten zijn jaarbalansen over de jaren 1997 en 1998 en een

tussenbalans over de periode van 1 januari tot en met 28 februari 1999 overgelegd. Tevens is een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 overgelegd.

3. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen. Daartoe voert zij aan dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor toelating in het kader van het zogenoemde gehuwdenbeleid, zoals neergelegd in hoofdstuk

B1/1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

Ten onrechte wordt in de bestreden beschikking gesteld dat inkomsten uit arbeid als zelfstandige pas als duurzaam kunnen worden aangemerkt, indien is aangetoond dat de zelfstandige uit zijn of haar onderneming gedurende de periode

van een jaar een netto-inkomen heeft ontvangen dat tenminste gelijk is aan de betreffende bijstandsnorm (in casu 70 % van de gezinsnorm aangezien eiseres en haar partner gehuwd zijn). Een dergelijke voorwaarde wordt in de Vc 1994

nergens gesteld, zodat er geen sprake is van algemeen bekendgemaakt beleid. In A4/4.2.1 Vc 1994 wordt met betrekking tot de duurzaamheid van het inkomen van een zelfstandige uitsluitend aangegeven dat deze moet worden aangetoond

door het overleggen van een balans, een winst- en verliesrekening en maandelijkse opgaven van bedrijfsresultaten.

Eiseres heeft hieraan voldaan door overlegging van de volgende bescheiden: balans en winst- en verliesrekening 1997, aangifte inkomstenbelasting 1997, balans en winst- en verliesrekening 1998, naheffingsaanslag omzetbelasting over

het eerste kwartaal van 1998 en de tussenbalans en winst- en verliesrekening van 1 januari 1999 tot en met 28 februari 1999. Ook het in de bestreden beschikking genoemde vereiste dat de aangeleverde stukken met betrekking tot de

gegenereerde inkomsten afkomstig moeten zijn uit objectieve bron is nergens in het beleid terug te vinden.

De echtgenoot van eiseres heeft weliswaar -zoals in de bestreden beschikking wordt geconstateerd- tot 31 mei 1998 een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Bijstandswet (Abw), maar hij had met een

medewerkster van de Sociale Dienst de afspraak dat hij mocht proberen zijn timmerbedrijf op te starten met (voorlopig) behoud van zijn uitkering. Zijn uitkering is per 1 juni 1998 beëindigd omdat was gebleken dat zijn bedrijf

levensvatbaar was. Het feit dat zijn uitkering op grond van de Abw tot 1 juni 1998 is doorgelopen, rechtvaardigt dan ook geenszins de conclusie dat de echtgenoot van eiseres niet duurzaam en zelfstandig beschikte over voldoende

middelen van bestaan. Uit de bestreden beslissing kan niet worden opgemaakt op welke wijze verweerder tot de conclusie is gekomen dat de echtgenoot van eiseres niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. De beslissing

ontbeert hierdoor een deugdelijke motivering. Dit klemt te meer nu blijkens een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Haarlem, van 4 december 1998 (AWB 98/2214) verweerder geen eenduidige berekeningswijze ten aanzien van

het netto-inkomen van een zelfstandige hanteert.

Voorts heeft verweerder er ten onrechte van afgezien om eiseres met betrekking tot de bij de Sociale Dienst ingewonnen informatie over de uitkering van haar echtgenoot, te horen.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden in het kader van het zogenoemde gehuwdenbeleid, nu niet wordt voldaan aan het vereiste van voldoende middelen van bestaan. Indien degene

bij wie verblijf wordt gevraagd arbeid als zelfstandige verricht, dient te worden aangetoond dat de middelen uit deze arbeid duurzaam en voldoende zijn. Aangezien de bron van inkomsten van een zelfstandige meer onzekerheden kent dan

die van een werknemer moet bij het beoordelen van de duurzaamheid van het inkomen van een zelfstandige vooral gewicht worden toegekend aan het inkomen gegenereerd uit zelfstandige arbeid in de voorafgaande periode. Niet is

aangetoond dat de echtgenoot van eiseres ten minste een jaar lang maandelijks over een inkomen van 70% van de bijstandsnorm heeft beschikt.

Uit informatie van de Gemeentelijke Sociale Dienst is gebleken dat de echtgenoot van eiseres van 5 november 1994 tot 1 juni 1998 een uitkering heeft ontvangen op grond van de Abw. Het betreft hier een volledige uitkering en geen

aanvullende uitkering zoals in het bezwaarschrift wordt gesteld. Voorts heeft de echtgenoot van eiseres in de periode van 1 oktober 1997 tot en met 31 december 1997 f 2.998,--verdiend, hetgeen ook niet als voldoende middelen van

bestaan kan worden aangemerkt.

Er zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht of gekomen op grond waarvan aan eiseres om andere klemmende redenen van humanitaire aard verblijf hier te lande zou behoren te worden toegestaan. Niet is aannemelijk geworden

dat eiseres zodanig is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en de Surinaamse zozeer is ontwend dat haar terugkeer naar het land van herkomst niet kan worden verlangd.

De weigering om aan eiseres verblijf hier te lande toe te staan, betekent geen schending van het recht op respect voor het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van

de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Eiseres is niet gehoord omdat daartoe, gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, Vw geen verplichting bestaat en dit evenmin door de zorgvuldigheid werd gevorderd.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

Dit beleid is neergelegd in de Vc 1994.

7. Het op dit punt door verweerder gevoerde beleid is neergelegd in

hoofdstuk B1/1.2.3 van de Vc 1994. Hierin is, voorzover thans van belang, het volgende bepaald. Degene bij wie toelating als gezinslid wordt beoogd moet duurzaam en zelfstandig beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Indien degene bij wie toelating als gezinslid wordt beoogd een Nederlander is en tot de categorie personen van 23 jaar en ouder behoort, geldt als voldoende inkomen:

- een zelfstandig verworven inkomen uit een dienstverband, waarmee ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Abw wordt verdiend;

- een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (conform het 4-uit-5-criterium van artikel 17 Ww) waarmee ten minste 70% van het netto-normbedrag voor echtparen/gezinnen in de zin van de Abw wordt verdiend.

Deze middelen van bestaan worden, conform de hoofdregel, als duurzaam beschouwd indien deze voor een periode van nog tenminste een jaar beschikbaar zijn.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden beslissing het uitgangspunt hanteert dat bij inkomsten uit arbeid als zelfstandige duurzaamheid van de middelen wordt aangenomen indien uit objectieve bron is aangetoond dat

de zelfstandige gedurende de periode van een jaar een netto-inkomen heeft ontvangen dat tenminste gelijk is aan de betreffende bijstandsnorm. In het onderhavige geval heeft eiseres, naar de mening van verweerder, onvoldoende

aannemelijk gemaakt dat haar echtgenoot tenminste een jaar zelfstandig over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt.

Hiertoe wordt in het bestreden besluit overwogen dat de echtgenoot van eiseres van 5 november 1994 tot 1 juni 1998 een (volledige) uitkering op grond van de Abw heeft ontvangen en dat hij het laatste kwartaal van 1997, blijkens een

overgelegde jaaropgave, f 2.998,- heeft verdiend. Op grond hiervan kon naar de mening van verweerder worden geconcludeerd dat niet is aangetoond dat ten tijde van het bestreden besluit gedurende ten minste een jaar maandelijks over

een inkomen van 70 % van de bijstandsnorm werd beschikt.

9. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat uit het bestreden besluit, anders dan de in rechtsoverweging 8 genoemde overwegingen, niet kan worden opgemaakt op welke wijze verweerder tot de conclusie is gekomen dat de echtgenoot

van eiseres niet duurzaam beschikte over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit nagelaten een berekening te maken van het netto-inkomen van de echtgenoot van eiseres naar aanleiding van de in

bezwaar overgelegde balans en winst- en verliesrekening per 31 december 1997 en per 30 juni 1998. De rechtbank is van oordeel dat het enkele constateren van het feit dat de echtgenoot van eiseres het laatste kwartaal van 1997 f

2.998,- heeft verdiend en dat hij van 5 november 1994 tot 1 juni 1998 een Abw-uitkering heeft ontvangen, onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat de echtgenoot van eiseres niet duurzaam heeft beschikt over voldoende middelen

van bestaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder eiseres niet heeft gehoord en zelf onjuiste informatie heeft ingewonnen bij de Sociale Dienst. Dientengevolge heeft verweerder geen rekening gehouden met de

omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres met behoud van uitkering een bedrijf mocht starten, en dat de uitkering op zijn verzoek per 1 juni 1998 is beëindigd omdat was gebleken dat het bedrijf levensvatbaar was.

10. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 4 december 1998 (AWB 98/2214 VRWET) is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbreekt.

Verweerder zal in het nieuw te nemen besluit het netto-inkomen van de echtgenoot van eiseres moeten berekenen en hierbij inzichtelijk moeten maken op welke wijze die berekening tot stand is gekomen.

11. Op grond van het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd.

12. Nu het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, is er aanleiding verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank

redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1.420,- als kosten van de verleende rechtsbijstand.

13. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1. 420,- (zegge veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f 210,- (zegge tweehonderdtien gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 1 november 1999, door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. de Man, griffier.

Afschrift verzonden op: 24 NOV. 1999

Conc.:CdM

Coll:

Bp:

D:C

110497