Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6559

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/6858, 98/2598
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Haarlem meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken fungerend president

U 1 T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 98/6858 VRWET H (beroepszaak) AWB 98/2598 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1975, van Georgische

nationaliteit, eiser/verzoeker, verder te noemen: eiser gemachtigde: mr L. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr A. van Blankenstein, advocaat te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het beroep tegen het besluit van 9 november 1998, waarbij is gehandhaafd de weigering om eiser tot Nederland toe te laten als vluchteling en hem een vergunning tot verblijf te verlenen wegens het bestaan van

klemmende redenen van humanitaire aard.

1.2 Tevens is aan de orde het verzoekschrift van eiser om bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 12 februari 1999. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. De rechtbank heeft de beslissing

aangehouden om schriftelijk vragen te stellen aan verweerder. Vervolgens zijn de geschillen opnieuw behandeld ter

zitting op 21 september 1999.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Eiser heeft aan zijn aanvragen -kort samengevat- het volgende ten grondslag gelegd.

Eiser studeerde evenals zijn neef B aan de universiteit van Tblisi. Eiser en B plachtten politieke meetings te

organiseren welke enige malen per maand plaatsvonden. Er kwamen dan vijtien tot twintig studenten op af. Bij de laatste meeting zeiden ze dat Sjevardnadze een moordenaar was. Bij deze meeting waren echter twee spionnen van de

Mchedrioni en een spion van de politie aanwezig. Er is een vechtpartij ontstaan, waarbij B een

wond opliep die in het ziekenhuis moest worden gehecht. Toen zij uit het ziekenhuis kwamen werden zij opgewacht door politieagenten die hen arresteerden. Zij werden een nacht vastgehouden en mochten na betaling van $ 500,- weer naar

huis.

2.2 Van belang in deze zaak is voorts dat eiser door de rechtbank te Alkmaar wegens tasjesroof is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk.

2.3 Verweerder heeft ten aanzien van dit relaas overwogen dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Tijdens zijn eerste asielprocedure heeft eiser immers een ander relaas verteld. Hij heeft hiervoor geen afdoende

verklaring kunnen geven. Voorts heeft eiser slechts marginale activiteiten verricht en is de Mchedrioni in 1995 opgeheven.

2.4 Eiser heeft hiertegen ingebracht dat voorafgaand aan de beschikking diverse psychiatrische rapportages zijn overgelegd. Verweerder heeft ver-volgens advies gevraagd aan de medisch adviseur maar dit advies niet afgewacht. In de

beschikking is dan ook geen enkele overweging gewijd aan de medische problematiek.

2.5 In de beslissing op bezwaar heeft verweerder als volgt overwogen.

De door eiser afgelegde tegenstrijdige verklaringen zijn niet het gevolg van zijn psychische gesteldheid. Hij heeft hier in het verleden immers nooit over gerept. Zijn huidige psychische toestand is niet het gevolg van traumatische

gebeurtenissen in zijn land van herkomst maar is mede te wijten aan het problematische drugsgebruik waaraan hij zich de laatste jaren schuldig heeft gemaakt. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een vergunning tot verblijf omdat

hij zich heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Dit staat aan eerste toelating in de weg.

2.6 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat in de beschikking verwezen wordt naar een advies van de medisch adviseur, welk advies eiser onbekend is. Hij heeft hierop zijn zienswijze niet kunnen geven.

Dat eiser tijdens zijn eerste asielprocedure geen melding heeft gemaakt van psychische problemen kan hem niet worden tegengeworpen, nu het bekend is dat soms pas na lange tijd duidelijk wordt dat iemand aan een posttraumatisch

stress syndroom lijdt. Het is alleszins aannemelijk dat eiser vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat is geweest zijn vluchtmotieven helder en consistent naar voren te brengen. Het drugsgebruik van eiser was voorts een

gevolg van zijn psychische problematiek. De door eiser gepleegde strafbare feiten zijn terug te voeren op zijn ziektebeeld. Ter zitting van 12 februari 1999 heeft eiser nog aangevoerd dat in A4/4.3.2.1. Vc is bepaald dat eerste

toelating kan worden geweigerd in geval van strafrechtelijke antecedenten. Verweerder dient derhalve te motiveren waarom in het onderhavige geval toelating is geweigerd. Voorts heeft verweerder verzuimd de conclusie van de medisch

adviseur, inhoudende dat blijvend verblijf in Nederland

noodzakelijk is, mee te nemen in zijn beschikking. Verweerder heeft ter zitting nog betoogd dat eiser, gelet op het bepaalde in art. 25

Vw, voorlopig niet zal worden uitgezet.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.7 Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Hiertoe heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in het besluit in

primo van 14 april 1998, waarnaar in de bestreden beschikking is ver-wezen, is opgemerkt dat in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 juni 1997 is medegedeeld dat vastgesteld kon worden dat de Mchedrioni

niet meer bestaat. Eiser heeft deze overweging in beroep niet gemotiveerd bestreden, zodat de vrees voor herhaling van de bejegening die eiser van de Mchedrioni, heeft ondervonden ongegrond moet worden geacht.

2.8 Daarmee is de vraag aan de orde of verweerder in redelijkheid een vtv-humanitair danwel een vtv-medisch heeft kunnen weigeren op grond van de criminele antecedenten van eiser. Allereerst is in dit verband van belang dat in de

rapportage van de medisch adviseur van het Ministerie van Justitie d.d. 10 april 1998 wordt gesteld dat terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst tot zijn ondergang zal leiden. In de visie van verweerder, die zich

klaarblijkelijk met de inhoud van deze rapportage heeft kunnen verenigen, staat artikel 25 Vw onder die omstandigheden aan verwijdering in de weg.

Verweerder heeft niet onder ogen gezien of ook artikel 3 EVRM in het onderhavige geval aan verwijdering in de weg staat.

2.9 In de uitspraak van de Rechtseenheidskamer (REK) van 11 september 1997, AWB 97/4705, heeft de REK overwogen dat de situatie, waarin een vreemdeling enerzijds niet met uitzetting wordt bedreigd doordat verweerder afziet van

uitzetting op grond van een dreigende schending van artikel 3 EVRM maar anderzijds ook geen titel tot verblijf wordt verleend, niet per definitie voor onrechtmatig moet worden aehouden. Deze situatie wordt door de REK in zijn

algemeenheid echter wel onwenselijk geacht en dient daarom in de visie van de REK tot uitzonderingen beperkt te blijven. Uit de uitspraak volgt voorts dat verweerder in een geval waarin artikel 3 EVRM aan verwijdering in de weg

staat bij de afweging van het belang van de betrokkene bij verblijf (op titel) tegen de bescherming van de openbare orde 'andere maatstaven' moet aanleggen dan de maatstaven die zijn neergelegd in A4/4.3.2 Vc.

2.10 Nu niet is gebleken dat verweerder aandacht heeft besteed aan de stelling van eiser dat zijn strafbare feiten zijn terug te voeren op zijn ziektebeeld en evenmin dat verweerder zich heeft afgevraagd of de situatie van eiser

zodanig is dat ook ten aanzien van hem andere maatstaven moeten worden aangelegd -de standaard

overwegingen in de bestreden beschikking en het verweerschrift volstaan in dat verband niet- komt de bestreden beschikking voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen. In de

context van een en ander zal onder meer moeten worden nagegaan of en in hoeverre de -subjectief als bedreigend ervaren- omstandigheden die aanleiding waren voor het vertrek uit het land van herkomst ook de aanleiding zijn geweest

voor de psychische problemen die op hun beurt tot het drugsgebruik en daarmee tot de strafrechtelijke gedragingen hebben geleid.

2.11 Met het oog op het vervolg van de procedure wordt opgemerkt dat in dit verband nog aandacht verdient dat de aan artikel 25 Vw equivalente bepaling in het ontwerp van de nieuwe Vreemdelingenwet (TK 26732 nr. 2, art. 62) als

volgt luidt:

'Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de

gezondheidstoestand van de vreemdeling ofdie van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. '

In de Memorie van Toelichting (26732, nr. 3, p. 66) wordt omtrent deze bepaling opgemerkt:

'Artikel 62 komt overeen met artikel 25 van de huidige wet.

Ten opzichte van artikel 25 van de huidige wet is de redactie aangescherpt. Met de wijzigingen wordt de bedoeling van deze bepaling verduidelijkt. Uitzetting blijft namelijk slechts achterwege indien de vreemdeling dan wel een van

zijn

gezinsleden om gezondheidsredenen niet kan of kunnen reizen.

De bescherming tegen uitzetting in deze gevallen moet worden onderscheiden van de situatie waarin de vreemdeling medische behandeling in Nederland behoeft en om die grond voor een verblijfsvergunning in aanmerking zou kunnen komen.'

Deze passage wekt de indruk dat de betrokken bepaling in de visie van de regering -en dus ook van verweerder- reeds naar geldend recht een beperkte strekking heeft, hetgeen zou kunnen impliceren dat een tot niet-verwijdering

strekkende afweging implicaties heeft voor de toelatingsvraag.

2.12 Gegeven de beschikking in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.13 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op fl 2.130,-- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor l). Aangezien ten behoeve van

eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Nu het verzoek om een voorlopige voorziening is gemotiveerd door verwijzing naar het beroepschrift, bestaat geen aanleiding voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling voor het verzoek om een voorlopige voorziening.

2.14 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal fl 50,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de bij de bestreden beschikking gehandhaafde weigering om aan eiser een vergunning tot verblijf te verlenen;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen veertien weken na datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het

bezwaarschrift van eiser van 28 april 1997 dient te nemen voor zover dit bezwaar is gericht tegen bedoelde weigering;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad fl 2.130,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad fl 50,-De president:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af,

3.7 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding

van het door verzoeker betaalde griffierecht ad fl 50,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr A.H. Schotman, voorzitter en tevens fungerend president, en mrs A.C. Terwiel-Kuneman en M.F. Wagner, leden van de meervoudige kamer voor vreemde~ingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 24

november 1999, in tegenwoordigheid van mr M.P.H. van Wezel als griffier.

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.