Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6473

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/5602
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

Awb 99/5602 V3

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a juncto 34j van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1982 en van Algerijnse nationaliteit, hierna te noemen: de vreemdeling

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, hierna te noemen:

verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij bevel tot bewaring van 1 juli 1999 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting is gelast.

Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit (Vb) van 28 juli 1999, op diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat de vreemdeling sedert vier weken in bewaring verblijft zonder beroep

te hebben ingesteld tegen de maatregel tot bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid van de Vw.

Verweerder is op 4 augustus 1999 overgegaan tot opheffing van de bewaring.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft per faxbrief van 6 augustus 1999 laten weten het beroep te willen voortzetten met het oog op schadevergoeding.

Het verzoek om schadevergoeding is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 augustus 1999 waar de vreemdeling is verschenen bij zijn gemachtigde mr. D.S. Urcun, advocaat te Capelle aan den IJssel.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. H.W. Pieters.

II. OVERWEGINGEN

Op grond van het bepaalde in artikel 34j van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsbeneming beveelt dan wel de vrijheidsbeneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die

maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

In het onderhavige geval is de maatregel van bewaring beëindigd, voordat de vreemdeling daartegen beroep heeft ingesteld.

Het belang van de vreemdeling bij de handhaving van het beroep is gelegen in de vaststelling of de maatregel van bewaring reeds op enig moment vóór de opheffing ervan door verweerder onrechtmatig was en, zo ja, of aanleiding bestaat

tot toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 34j van de Vw.

Namens de vreemdeling is gesteld dat hij recht heeft op schadevergoeding vanaf de dag dat hij in het Huis van Bewaring heeft vastgezeten. Dit vloeit voort uit het feit dat de vreemdeling op een onjuiste grond in bewaring is gesteld

aangezien hij reeds in het beginstadium van de procedure tot inbewaringstelling te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te willen dienen, waartoe hij niet in de gelegenheid is gesteld.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het faxbericht van verweerder aan de rechtbank van 4 augustus 1999 alsmede het proces-verbaal van aanhouding van 1 juli 1999 is gebleken dat de vreemdeling bij zijn eerste contact met de Nederlandse autoriteiten heeft verklaard

dat hij asiel wilde aanvragen in Nederland.

De vreemdeling is evenwel in strijd met het geldende beleid, door de Vreemdelingendienst niet in de gelegenheid gesteld een aanvraag om toelating als vluchteling of een vergunning tot verblijf in te dienen.

Dat een dergelijke aanvraag wellicht geen kans van slagen had doet daaraan niet af. Nu de vreemdeling de mogelijkheid van het indienen van de gewenste aanvraag niet had mogen worden ontnomen, bestond er geen aanleiding hem in

bewaring te stellen op grond van het feit dat er - op andere gronden - een last tot uitzetting was verstrekt. Geconstateerd moet dan ook worden dat als grond voor de bewaring ten onrechte is uitgegaan van het bepaalde in artikel 26,

eerste lid, aanhef en onder a van de Vw.

Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt.

In geval van onrechtmatige bewaring dient te worden beoordeeld of er

gronden van billijkheid aanwezig zijn om schadevergoeding toe te kennen.

In casu moet worden geoordeeld dat, indien de bewaring zou zijn bevolen op grond van het bepaalde onder artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c van de vw, deze bewaring op de overige aangevoerde gronden alleszins gerechtvaardigd

zou zijn geweest. Immers de vreemdeling beschikte niet over een geldige titel tot verblijf en evenmin over geldige identiteitspapieren of voldoende middelen van bestaan. Bovendien beschikt de vreemdeling niet over een vaste woon- of

verblijfplaats hier te lande en heeft hij verklaard niet terug te willen naar zijn land van herkomst.

Voorts is verweerder bij toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw een termijn van vier weken gegund om op een aanvraag om toelating te beslissen, zodat in ieder geval binnen die termijn, welke liep tot 30

juli 1999, niet gesteld kan worden dat de vreemdeling in dat opzicht in zijn belangen is geschaad.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er gronden van billijkheid aanwezig zijn om schadevergoeding toe te kennen vanaf 30 juli 1999 tot en met 4 augustus 1999, de datum waarop de bewaring is opgeheven.

In totaal bedraagt de schadevergoeding 6 x f. 150,-- is f. 900,--.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f.

710,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende

rechtsbijstand:

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f. 710,--;

* wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden ten bedrage van f. 900,--;

veroordeelt verweerder in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, vastgesteld op f. 710,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. M.C. Franken als rechter in tegenwoordigheid van mr. W.A.J. Bekker als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 1999

mr. M.C. Franken, de rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van f. 900,--; (ZEGGE: NEGENHONDERD GULDEN).

Aldus gedaan op 24 augustus 1999 door mr. M.C. Franken.

mr. M.C. Franken, de rechter, is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie/verweerder kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de

vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage (zittingsplaats: 's-Hertogenbosch).

Afschriften verzonden: 31 augustus 1999

AB