Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6471

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/4556
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

Awb 99/4556 V3

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a juncto van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1980 en van Guinese nationaliteit, thans verblijvende op het Politiebureau te B, hierna te noemen: de vreemdeling

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, hierna te noemen:

verweerder.

Zitting: 28 juni 1999.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. J.L. Hofdijk, advocaat te 's-Gravenhage.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. Y.E.A.M. van Hal.

Als tolk in de Franse taal was aanwezig E.A. Amrani.

I. PROCESVERLOOP

Bij bevel tot bewaring van 20 mei 1999 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting is gelast.

Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit (Vb) van 16 juni 1999, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat de vreemdeling sedert vier weken in bewaring verblijft zonder beroep te

hebben ingesteld tegen de maatregel tot bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid van de Vw.

II. OVERWEGINGEN

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat, nu de vreemdeling na de mislukte poging tot uitzetting niet opnieuw in bewaring is gesteld, de bewaring onrechtmatig is geworden en derhalve dient te worden opgeheven.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat er voldoende gronden aanwezig zijn die de inbewaringstelling van de vreemdeling op 20 mei 1999 rechtvaardigen.

De vreemdeling beschikte immers ten tijde van de inbewaringstelling (en ook thans) niet over een geldige titel tot verblijf en evenmin over geldige identiteitspapieren of voldoende middelen van bestaan. Voorts is de vreemdeling een

uitgeprocedeerde asielzoeker die sedert 30 november 1998 in Nederland verblijft zonder een vaste woon- of verblijfplaats. Daarenboven heeft hij geen gevolg gegeven om Nederland, na aanzegging op 9 december 1998, te verlaten.

Onder deze omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond te concluderen dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat, nadat de voor presentatie bij de Guinese autoriteiten benodigde formulieren op 20 mei 1999 waren verzonden naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de

presentatie van de vreemdeling heeft plaatsgevonden op 21 juni 1999. De Guinese autoriteiten hebben diezelfde dag een laissez passer afgegeven, waarna verweerder heeft geregeld dat de vreemdeling op 26 juni 1999 per vliegtuig zou

worden uitgezet naar Guinee.

Vaststaat dat de uitzetting niet heeft plaatsgevonden, omdat de voor de uitzetting van de vreemdeling noodzakelijk geachte begeleiding niet tijdig aanwezig was op de luchthaven Schiphol. De vreemdeling is, in afwachting van de thans

op 3 juli 1999 geplande uitzetting, overgebracht naar het politiebureau te Zevenaar.

Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde van de vreemdeling dat de vreemdeling na de mislukte uitzetting opnieuw in bewaring had moeten worden gesteld, overweegt de rechtbank het volgende.

In hoofdstuk A7/3.6.1 onder d van de Vreemdelingencirculaire (Vc) is vermeld dat de bewaring moet worden opgeheven indien er geen beletselen meer bestaan tegen uitzetting uit Nederland. Vast staat dat de Guinese autoriteiten op 21

juni 1999 ten behoeve van de vreemdeling een laissez passer hebben afgegeven. Voorts valt uit de gedingstukken op te maken dat verweerder het noodzakelijk acht dat de vreemdeling onder begeleiding wordt uitgezet. Er zijn geen

aanknopingspunten geboden die zouden moeten nopen tot de conclusie dat verweerders beoordeling op dit punt onjuist is. De rechtbank neemt die noodzaak derhalve als uitgangspunt en is van oordeel dat de omstandigheid dat de

begeleiders op 26 juni 1999 niet tijdig op de luchthaven aanwezig waren, is aan te merken als een beletsel voor de uitzetting van de vreemdeling. Er heeft

zich naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen situatie voorgedaan, waarin tot opheffing van de bewaring (en vervolgens tot hernieuwde inbewaringstelling) had moeten worden besloten.

De rechtbank heeft bij haar beoordeling mede in aanmerking genomen dat in hoofdstuk A7/3.6.4 Vc is neergelegd dat ontslag van een vreemdeling uit een huis van bewaring niet per definitie hoeft samen te vallen met opheffing van de

bewaring. Het bevel tot bewaring blijft tijdens de fase direct voorafgaande aan de feitelijke uitzetting van kracht en moet worden opgeheven op het moment dat de vreemdeling feitelijk uit Nederland vertrekt. De vreemdeling is in

casu niet uit Nederland vertrokken en ook is hij niet uit de macht van verweerder geweest. De door de gemachtigde van de vreemdeling ingebrachte omstandigheid dat de vreemdeling achter de doorlaatpost van de Koninklijke Marechaussee

is aangeleverd, maakt vorenstaande niet anders.

Aangezien het hiervoor omschreven uitzettingsbeletsel aan verweerder moet worden toegerekend, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dit opheffing van de bewaring rechtvaardigt wegens onvoldoende voortvarend handelen. De

rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Zij acht hierbij van belang dat verweerder terstond een nieuwe vlucht heeft geboekt, waarmee de vreemdeling binnen een week na de mislukte poging alsnog kan worden uitgezet. Voorts

heeft zij laten meewegen dat verweerder ten aanzien van de procedure voorafgaande aan de mislukte uitzetting geen enkel verwijt te maken is aangaande zijn handelwijze.

Nu de vreemdeling op 3 juli 1999 alsnog zal worden uitgezet, kan niet worden gesteld dat er geen zicht bestaat op uitzetting.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken

belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Het beroep moet derhalve voor ongegrond worden gehouden.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond.

Aldus gedaan door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 1999.

Afschriften verzonden: 6 juli 1999

AB