Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6352

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/5544
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

j° artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/5544 S1813

inzake: A en B, wonende te Freetown, Sierra Leone,

eisers, wettelijk vertegenwoordigd door hun vader C,

tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eisers, broer en zus, geboren op respectievelijk [...] 1987 en [...] 1990, bezitten de Sierraleoonse nationaliteit. Op 7 mei 1998 heeft de vader van eisers C, geboren op [...] 1962, van Sierraleoonse nationaliteit (verder:

referent), bij

de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland (verder: de korpschef), ten behoeve van eisers een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (verder: mvv).

Bij besluit van 31 juli 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Bij bezwaarschrift van 26 augustus 1998, aangevuld bij schrijven van 22 januari 1999 hebben eisers tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In het kader van

de behandeling van het bezwaar is referent op 16 februari 1999 gehoord door een ambtelijke commissie. Bij schrijven van 9 maart 1999 hebben eisers het bezwaar nog nader aangevuld. Het bezwaar is bij besluit van 3 mei 1999 ongegrond

verklaard.

2. Bij beroepschrift van 28 mei 1999 heeft mr. V. Kidjan, advocaat te Amsterdam, namens eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 26 juli 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter

griffie ontvangen. In het verweerschrift van 19 oktober 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november

1999. Eisers zijn aldaar vertegenwoordigd door mr. Kidjan, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. D.J. de Jong, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

Tevens waren referent en zijn echtgenote D ter zitting aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 33d Vw worden besluiten omtrent de afgifte van mvv's gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met

besluiten aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vw. De rechtbank 's-Gravenhage is derhalve bevoegd.

2.1 Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Referent is Nederland ingereisd op 14 juni 1992. Op 30 maart 1994 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij partner D" (verder: D). Op 30 september 1996 zijn referent en

D gehuwd. Bij besluit van 21 januari 1997 heeft verweerder besloten aan referent een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf bij Nederlandse echtgenote D" te verlenen. Op 27 februari 1998 is de geldigheidsduur van de

vergunning tot verblijf van referent verlengd tot 30 maart 1999. Op 7 mei 1998 heeft referent bij de korpschef een aanvraag ingediend om verlening van een mvv ten behoeve van eisers. Deze aanvraag is het onderwerp van de onderhavige

procedure.

2.2 Tijdens de zitting van de ambtelijke commissie heeft referent -onder meer- het volgende verklaard. Referent heeft voorafgaand aan zijn vertrek uit Sierra Leone in 1992 voor zichzelf én voor eisers een visum aangevraagd. Hij

heeft echter alleen voor zichzelf een visum gekregen. Eisers verblijven bij de moeder van referent, E.

Zij kan niet goed meer voor eisers zorgen. Ze is ongeveer 60 jaar oud en heeft artritis. Ze heeft geen ziektekostenverzekering en moet alles zelf betalen. De moeder van referent heeft ook nog de zorg voor haar eigen moeder die op

het platteland woont. Als de moeder van referent haar moeder bezoekt of als zij ziek is, worden eisers verzorgd door F, een vriendin van de familie.

Behalve de moeder van referent, wonen er geen familieleden van hem meer in Sierra Leone.

Eisers hebben dezelfde moeder. Referent is nooit met haar getrouwd geweest en heeft nooit met haar in gezinsverband geleefd, aangezien het in Sierra Leone de gewoonte is om bij je ouders te blijven wonen als je niet trouwt. Hij

heeft echter wel altijd voor eisers gezorgd.

Referent weet niet waar de moeder van eisers verblijft.

Toen referent in 1992 Nederland inreisde heeft hij geen asiel aangevraagd omdat de mogelijkheid om asiel te vragen hem niet bekend was.

Referent had al vóór de indiening van de onderhavige aanvraag, bij de Vreemdelingendienst aangegeven dat hij eisers wilde laten overkomen. Hem is destijds geadviseerd om eerst naar een advocaat te gaan. Die vertelde hem dat hij

eerst zelf een verblijfsvergunning moest hebben voordat hij eisers naar Nederland kon laten komen. Ook moest zijn inkomen in orde zijn en waren geboorteakten van eisers nodig.

Het klopt dat uit de betalingsbewijzen die eisers hebben overgelegd niet kan worden afgeleid dat referent geld overmaakt naar Sierra Leone. In verband met de oorlog moet dit via een omweg gebeuren. Het geld wordt via Londen

overgemaakt.

Referent onderhoudt voornamelijk telefonisch contact met eisers.

2.3 In het dossier bevinden zich -onder meer- de volgende (kopieën van) documenten:

- Een zogeheten Red Cros Message van 13 mei 1998. De moeder van referent, E, stelt in dit bericht het volgende:

Life is not easy with me and the children considering the present economic situation in the country. The children are deteriorating everyday in health. They are presently out of school. It's difficult for me to cope with the present

situation. Furthermore your brother

G is paralysed. Please try as best as possible to assist us get out of this [onleesbaar] situation.

- Een brief van dr. M.L.C. Coker-Koroma, verbonden aan het Connought Hospital te Freetown, van 23 oktober 1998, waarin referent het volgende wordt meegedeeld:

(...) your children (...) have been frequently ill and their general condition is deteriorating every day. The grandmother who has been and is still taking care of them is also not physically and financially fit to continue

rendering them the desired parental care. (...)

- Bewijzen van geldovermakingen (Western Union money transfer) van referent en/of D, (meestal) ten behoeve van personen in Londen.

- Verzendbewijzen van postzendingen naar F in Sierra Leone.

- Brieven van F aan referent van 3 mei 1998 en 13 april 1998. Referent wordt in deze brieven -onder meer- bedankt voor het gestuurde geld.

- Een schrijven van H, verbonden aan de "association for Sierra Leonean Refugees" van 9 januari 1998, aan referent, waarin -onder meer- het volgende wordt gesteld:

We are pleased to enclose your original receipts in respect of the £ 720.00 (Seven hundred and twenty pounds) that we remitted on your behalve to Ms. E at 3 [...] Street, [...], Freetown, Sierra Leone.

- Specificaties van de telefoonaansluiting van de echtgenote van referent, waaruit blijkt dat tussen 28 augustus 1998 en 27 december 1998 een aantal keer met Sierra Leone is gebeld.

- Geboorteakten van eisers. De moeder van eisers is genaamd I.

De geboorteakten zijn gelegaliseerd door de ambassade van Sierra Leone te Brussel. De handtekening van de "first

secretary/Consular Officer" is gelegaliseerd door de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken.

- In de beroepsfase hebben eisers bij schrijven van 5 november 1999 een verklaring

(d.d. 1 november 1999) van H, voornoemd, overgelegd, waarin het volgende wordt gesteld:

We write to confirm that ASLER Limited has over the past six years received on regular monthly basis an average of £ 170.00 (One hundred and seventy pounds) from [referent] for further transmission to Mrs. E at [...] Street, [...],

Freetown, Sierra Leone, West Africa.

D is als kamermeisje in vaste dienst werkzaam bij COK Hotels b.v. te J, tegen een salaris van bruto f 2465,69 (april

1998). In het dossier bevindt zich voorts een werkgeversverklaring van Young en Sterk Hotelservice b.v., waaruit blijkt dat referent met ingang van 10 mei 1998 voor een periode van een jaar in dienst is genomen als 'office-manager'

tegen een brutosalaris van f 2203,50 bruto per maand.

3. Eisers zijn van mening dat zij in aanmerking komen voor een mvv.

Eisers bestrijden dat de feitelijke gezinsband met referent zou zijn verbroken. Sinds 1991 woedt er in Sierra Leone een burgeroorlog.

Referent is in verband hiermee naar Nederland gekomen. Gelet op de risico¿s die aan deze reis waren verbonden, heeft referent eisers tijdelijk bij zijn moeder achtergelaten. Hij heeft steeds de intentie gehad om eisers naar

Nederland te laten overkomen.

Referent heeft zijn verblijfsdocument op 10 maart 1997 ontvangen. Op 15 december 1997 haalde hij bij de Vreemdelingendienst de benodigde formulieren en heeft hij zich tot zijn gemachtigde gewend. Referent heeft zo snel als

redelijkerwijs mogelijk om de overkomst van eisers verzocht. Derhalve moet worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband met eisers nimmer is verbroken.

De moeder van eisers is reeds in 1991 met onbekende bestemming vertrokken, het gezag over eisers berust dan ook uitsluitend bij referent. Niemand weet waar de moeder van eisers verblijft. Eisers zijn derhalve niet in staat stukken

te overleggen waaruit blijkt dat hun moeder geen bezwaar heeft tegen het vertrek naar Nederland.

Verweerder heeft zich bij de beantwoording van de vraag op welke wijze aan de gezinsband tussen eisers en referent invulling is

gegeven, onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat er in Sierra Leone sprake is van een oorlogssituatie. Door de

oorlogssituatie heeft referent eisers niet kunnen bezoeken. Hoewel de verbinding tussen Sierra Leone en de buitenwereld slecht was en is, heeft hij getracht zoveel mogelijk contact met eisers te behouden. Gelet op deze situatie is

het zeer bijzonder dat referent niettemin geld naar Sierra Leone heeft kunnen sturen. Ook uit andere overgelegde stukken -kopieën van schooldiploma¿s en een boekenlijst- blijkt dat referent betrokken is bij de opvoeding van eisers.

Gelet op de in het onderhavige geval relevante feiten en omstandigheden zou het van onevenredige hardheid getuigen indien eisers niet tot Nederland zouden worden toegelaten.

Uit de door tussenkomst van het Rode Kruis ontvangen 'message' blijkt hoe prangend de situatie van eisers in Sierra Leone is. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder dit gegeven heeft meegewogen. Ten onrechte heeft

verweerder geen gebruik gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.

Eisers zijn voorts van mening dat het bestreden besluit een schending betekent van het door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op

respect voor het familie- en gezinsleven. Gelet op de situatie in Sierra Leone is er sprake van objectieve belemmeringen om het familie- en gezinsleven in dat land uit te oefenen. Hieruit vloeit voor verweerder een positieve

verplichting voort om eisers in staat te stellen het familie- en gezinsleven hier te lande uit te oefenen. Reeds de omstandigheid dat verweerder thans aan afgewezen asielzoekers uit Sierra Leone uitstel van vertrek verleent,

rechtvaardigt het vermoeden dat er sprake is van objectieve belemmeringen om het familie- en gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen. Eisers hebben -door de overlegging van onder meer brieven gezonden via het Rode Kruis en een

doktersverklaring- onderbouwd dat dit vermoeden gerechtvaardigd is.

Dit vermoeden kan door verweerder slechts, op individuele gronden gemotiveerd, worden weerlegd nadat een en ander zorgvuldig is onderzocht.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers geen aanspraak kunnen maken op de gevraagde mvv.

De feitelijke gezinsband tussen referent en eisers is verbroken.

Referent is Nederland in juni 1992 ingereisd. Hij heeft eisers destijds in Sierra Leone achtergelaten. Alvorens referent een aanvraag indiende om verlening van een vergunning tot verblijf heeft hij twee jaar illegaal in Nederland

verbleven. Eerst in mei 1997 heeft referent om de overkomst van eisers verzocht. Eisers zijn sinds het vertrek van referent in juni 1992 uit Sierra Leone duurzaam opgenomen in het gezin van hun grootmoeder, de moeder van referent.

De gezinsband wordt derhalve geacht definitief te zijn verbroken, aangezien er sprake is van duurzame opneming van eisers in een ander gezin dan dat van referent.

Op 30 september 1996 is referent gehuwd met D. Referent heeft met haar een nieuw gezin gevormd. Uit het feit dat referent deze verbintenis is aangegaan, kan worden afgeleid dat dit nieuwe gezinsleven een duurzaam karakter heeft.

Vast staat dat eisers nimmer deel hebben uitgemaakt van dit nieuwe gezin, zodat gesteld kan worden dat de gezinsband is verbroken.

De door eisers overgelegde stukken brengen verweerder niet tot een ander oordeel. In dit verband wordt opgemerkt dat over de periode van de inreis van referent in Nederland tot 1994 in het geheel geen stukken zijn overgelegd. De

stelling van eisers dat referent steeds de intentie heeft gehad om eisers naar Nederland te laten overkomen, doet, wat hier ook van zij, aan het voorgaande niet af. Toen referent in 1992 Sierra Leone verliet, heeft hij er immers

voor gekozen om eisers bij hun grootmoeder E achter te laten.

Voorts heeft referent niet middels documenten aangetoond dat hij met de voogdij over eisers is belast. Evenmin heeft referent bescheiden

overgelegd waaruit blijkt dat de natuurlijke moeder van eisers, I, geen bezwaar heeft tegen het vertrek van eisers naar

Nederland.

Uit het feit dat referent gedurende zijn verblijf in Nederland vier keer geld heeft overgemaakt ten behoeve van eisers, kan niet worden geconcludeerd dat hij daarmee een substantiële bijdrage heeft geleverd in de kosten van

opvoeding en levensonderhoud van eisers.

Niet is gebleken dat referent op andere wijze betrokken is geweest bij de opvoeding en verzorging van eisers.

Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan eisers om (andere) klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zouden moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf.

Eisers hebben benadrukt dat er sedert 1992 in Sierra Leone oorlog wordt gevoerd. Eisers hebben in dit verband echter geen

omstandigheden aangetoond die hun persoon betreffen. Een beroep op de algehele situatie in Sierra Leone en in Freetown is op zich te mager om tot de conclusie te komen dat eisers op grond hiervan verblijf moet worden toegestaan. De

door eisers overgelegde bescheiden van het Rode Kruis, zijn in dit verband onvoldoende. Uit de ¿message¿ die de grootmoeder van eisers via het Rode Kruis heeft verstuurd blijkt weliswaar dat eisers in een kwetsbare positie verkeren,

maar hiermee is niet aangetoond dat er sprake is van dermate schrijnende individuele omstandigheden dat eisers reeds daarom in het bezit zouden moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf. Ook met de overgelegde

doktersverklaring van 23 oktober 1998 is niet aangetoond dat de grootmoeder van eisers in de onmogelijkheid verkeert om voor eisers te zorgen. Referent kan de grootmoeder van eisers financieel steunen.

De weigering eisers hier te lande verblijf toe te staan betekent geen schending van artikel 8 van het EVRM. Niet is gebleken van dusdanige bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het recht op respect voor het familie- en

gezinsleven de positieve verplichting voortvloeit eisers hier te lande verblijf toe te staan. De belangenafweging valt uit in het nadeel van eisers. Het betreft immers een aanvraag om eerste toelating, terwijl voorts niet is

gebleken van zodanige zwaarwegende individuele omstandigheden dat daarvoor het algemene belang bij de handhaving van een restrictief toelatingsbeleid moet wijken. Het is niet gebleken dat er sprake is van objectieve belemmeringen om

het familie- en gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen. Voorts is van belang dat niet is gebleken van referent persoonlijk betreffende omstandigheden op grond waarvan hij niet terug zou kunnen keren naar Sierra Leone.

Referent heeft hier te lande nimmer asiel aangevraagd.

In het verweerschrift wordt voorts het volgende gesteld. Eisers hebben geenszins aannemelijk gemaakt dat referent na zijn vertrek uit Sierra Leone de belangrijkste beslissingen over hun opvoeding en verzorging heeft genomen.

Referent heeft voorts niet met (uit een objectieve bron afkomstige) bescheiden aangetoond dat hij steeds een wezenlijke bijdrage in de kosten van opvoeding en levensonderhoud van eisers heeft geleverd. Uit de door referent

overgelegde betalingsbewijzen blijkt niet dat het geld van Groot Brittanië naar Sierra Leone is overgeboekt.

Er is geen sprake van objectieve belemmeringen om het familie- en gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen. Gesteld noch gebleken is dat referent bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève

betreffende de status van vluchtelingen van 1951, dan wel dat er bij terugkeer van referent een reëel risico bestaat dat artikel 3 van het EVRM zal worden geschonden. Het feit dat aan uitgeprocedeerde asielzoekers uit Sierra Leone

uitstel van vertrek wordt verleend vanwege de ondoorzichtige situatie, duidt niet op een objectieve belemmering, te meer nu referent zich er nimmer op heeft beroepen niet te kunnen terugkeren naar Sierra Leone.

Zelfs als er ten tijde van het bestreden besluit sprake zou zijn geweest van een objectieve belemmering om het familie- en

gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen, brengt dit op zichzelf nog niet met zich mee dat op verweerder de positieve verplichting rust om eisers hier te lande verblijf toe te staan. Referent heeft Sierra Leone vrijwillig verlaten

en de intensiteit van het gezinsleven met eisers dus zelf teruggebracht tot het huidige niveau. Voorts heeft referent in Nederland een eigen gezin gesticht, waarbij hij het risico heeft genomen dat hij ooit zou moeten kiezen tussen,

hetzij samenwonen met zijn gezin in Nederland, hetzij samenwonen met eisers in Sierra Leone. Niet valt in te zien waarom de gevolgen van deze beslissing voor rekening van de Nederlandse Staat zouden moeten komen.

Ter zitting is namens verweerder meegedeeld dat het betoog in het verweerschrift dat er nimmer sprake is geweest van een feitelijke gezinsband aangezien eisers en referent in Sierra Leone niet hebben samengewoond, niet wordt

gehandhaafd.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Voor een verblijf in Nederland van langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling in beginsel een der verblijfstitels genoemd in de artikelen 9 tot en met 10 Vw. Met het oog hierop pleegt een aanvraag om een mvv te worden

getoetst aan dezelfde criteria als die welke strekken tot het verkrijgen van een vergunning tot verblijf.

Een mvv kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11 lid 5 van de Vw worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Bij de toepassing van dit artikellid wordt het beleid gevoerd dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de

Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

7. Uit het dossier kan worden afgeleid dat referent -in ieder geval sedert 1994- tracht om ondanks de oorlogsomstandigheden in Sierra Leone, contact te houden met eisers, betrokken te blijven bij hun opvoeding en -voor zover

mogelijk- bij te dragen in de kosten van hun verzorging. Het is dan ook niet in geschil dat er tussen eisers en referent sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

In artikel 8, eerste lid EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ("family life").

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van

de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten

en vrijheden van anderen.

8. Op grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geldt daarbij als uitgangspunt dat artikel 8 EVRM geen algemene verplichting met zich meebrengt gezinshereniging of gezinsvorming mogelijk

te maken door immigratie toe te staan. Gelet op het feit dat aan eisers nimmer verblijf in Nederland is toegestaan

is in dit geval geen sprake van inmenging in het familie- en gezinsleven. Of uit het recht op respect voor het familie- en gezinsleven voor verweerder niettemin een (positieve) verplichting voortvloeit om eisers verblijf in

Nederland toe te staan moet worden vastgesteld aan de hand van een redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel.

Een aspect van deze belangenafweging is de beantwoording van de vraag of het ontwikkelen en/of het beleven van het familie- en gezinsleven ook in het land van herkomst mogelijk is.

9. Ten tijde van het bestreden besluit werd door verweerder aan afgewezen asielzoekers uit Sierra Leone uitstel van vertrek

verleend. Het feit dat door verweerder een uitstel-van-vertrek- beleid (uvv-beleid) wordt gevoerd, betekent niet zonder meer dat er sprake is van objectieve belemmeringen om het familie- en gezinsleven in het land van herkomst uit

te oefenen. Verweerder kan om redenen die niet, of in mindere mate, zijn gelegen in (onzekerheid over) de situatie in het land van herkomst kiezen voor het voeren van een uvv-beleid, bijvoorbeeld situaties waarin aanhouding is

geboden in afwachting van een nader onderzoek, een uitspraak van de rechter of een ambtsbericht. Waar echter niet op voorhand duidelijk is dat dergelijke redenen aan het uvv-beleid ten grondslag liggen, rechtvaardigt de

omstandigheid dat een uvv-beleid wordt gevoerd het vermoeden dat dit beleid zijn grondslag vindt in (onzekerheid over) de algehele situatie in het land van herkomst. In geval van Sierra Leone wordt dit vermoeden bevestigd door de

omstandigheid dat het uvv-beleid is ingegeven door een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 februari 1999, waarin -onder meer- het volgende wordt gesteld:

Begin januari 1999 werd bekend dat de strijd van de rebellen tegen de regering en de haar steunende troepen, (...) ook de hoofdstad Freetown had bereikt. Hoewel de vechtende rebellen begin februari grotendeels uit Freetown waren

verdreven is de situatie daar nog onzeker ten aanzien van een aantal punten.

In de eerste plaats is de situatie in Freetown nog niet geheel gestabiliseerd. (...) Ook onduidelijk is welke gevolgen de voortgezette strijd tegen de rebellen in en rond Freetown voor de burgerbevolking heeft. Van de rebellen is

bekend dat zij zich in het land en recentelijk in Freetown schuldig hebben gemaakt aan zeer grote wandaden tegen de civiele bevolking. (...)

De strijd zou in Freetown aan 10.000 personen het leven hebben gekost. Verder hebben de rebellen ook aanvallen uitgevoerd tegen de burgerbevolking van de hoofdstad. (...)

De voortgezette aanvallen en terroristische activiteiten van RUF- en AFRC-strijders in vooral noordelijke en oostelijke delen van het land na de terugkeer op 10 maart 1998 van de in februari 1996 rechtmatig gekozen doch in mei 1997

verdreven president Kabbah, zijn aanvankelijk schijnbaar zonder strategische betekenis geweest. De opstandelingen richtten vooral slachtingen aan onder de

burgerbevolking waarbij ook vrouwen en kinderen het hebben moeten ontgelden. (...)

De politieke en militaire situatie in en rond Freetown stabiliseert zich enigszins, maar blijft precair. De strijd tegen de rebellen zet zich momenteel vooral voort ten oosten van de hoofdstad. Over en weer -maar vooral van de zijde

van de rebellen- vinden op grote schaal moorden, verkrachtingen en amputaties plaats. (...) Feit is (¿) dat van onafhankelijke waarneming van de situatie in Sierra Leone thans geen sprake meer is.

Ten aanzien van Sierra Leone handhaaft de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken tot op heden een negatief reisadvies ("Het reizen naar Sierra Leone wordt, met uitzondering van strikt noodzakelijke bezoeken aan Freetown, met

klem ontraden"). De hiervoor aangehaalde informatie wordt voorts bevestigd door gegevens van het Amerikaanse Department of State. Het 'Country Report on Human Rights Practices for 1998' refereert -onder meer- aan de uitermate brute

wijze waarop de rebellen bij hun opmars naar Freetown in december 1998, optraden tegen de burgerbevolking.

10. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot het oordeel dat de stelling van verweerder dat er geen sprake is van objectieve belemmeringen om het familie- en gezinsleven in Sierra Leone uit te oefenen, onvoldoende is

gemotiveerd. Het gaat in dit verband om de vraag of de algehele situatie in Sierra Leone aan het uitoefenen van het familie- en gezinsleven in dit land in de weg staat. Verweerders constatering dat referent nimmer asiel heeft

gevraagd en niet is gebleken van referent persoonlijk betreffende omstandigheden op grond waarvan hij niet terug zou kunnen keren naar Sierra Leone,

heeft dan ook geen zelfstandige betekenis.

11. Verweerders -overigens eerst in het verweerschrift aangevoerde- argument dat referent Sierra Leone vrijwillig heeft verlaten en de intensiteit van het familie- en gezinsleven met eisers dus zelf heeft teruggebracht tot het

huidige niveau, is gezien het vooroverwogene op zichzelf van onvoldoende gewicht om de afweging van belangen in het nadeel van eisers te doen uitvallen. De rechtbank merkt in dit verband op dat het EHRM in de uitspraak waar

verweerders stelling -naar het de rechtbank voorkomt- op is gebaseerd (Ahmut tegen Nederland, 28 november 1996, NJ 1998/1), in de belangenafweging, de vaststelling dat de om overkomst verzoekende vreemdeling zelf had gekozen voor

een minder intens familie- en gezinsleven, nadrukkelijk in verband heeft bezien met de constatering dat er in die zaak geen sprake was van objectieve belemmeringen om het familie- en gezinsleven in het land van herkomst uit te

oefenen.

12. De rechtbank concludeert derhalve dat verweerders stelling dat er geen sprake is van een positieve verplichting om eisers in staat te stellen het familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen, onvoldoende is gemotiveerd.

Het feit dat referent en zijn echtgenote duurzaam en -naar het zich doet aanzien- ruimschoots beschikken over voldoende middelen van bestaan, is in dit verband niet

doorslaggevend, doch, gezien de omstandigheid dat bij de toetsing aan artikel 8 EVRM tevens wordt gekeken naar de (implicaties voor) het economisch welzijn van de Nederlandse Staat, zeker niet zonder belang.

13. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Eisers hebben bij hun aanvraag verzocht om toelating op grond van het

gezinsherenigingsbeleid, zoals neergelegd in hoofdstuk B1 onder 5 van de Vc. Om voor toelating op grond van dit beleid in aanmerking te komen is -onder meer- vereist dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind steeds in stand

is gebleven. In de betreffende paragraaf van de Vc wordt tevens gesteld dat er rekening mee zal worden gehouden indien wordt vastgesteld dat het door bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een oorlogssituatie, voor de ouder

in Nederland heel moeilijk is geweest om invulling aan de band te geven. In dat geval zal de intentie van de ouder om het kind naar Nederland te laten komen van belang zijn, alsook op welke wijze de ouder deze intentie vorm heeft

gegeven. Hoewel de door verweerder terzake gevoerde argumenten, met name de omstandigheid dat over de periode van de inreis van referent in Nederland tot 1994 geen stukken zijn overgelegd, twijfel doen ontstaan over de vraag of de

feitelijke gezinsband zoals bedoeld in voornoemde passage van de Vc, steeds in stand is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de slechte situatie in Sierra Leone

-zoals hiervoor aangehaald- ook in dit verband onvoldoende heeft meegewogen.

14. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met in achtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om, ex artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb

te bepalen dat dit binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak dient te geschieden.

15. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op f 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

16. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van

deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge:

tweehonderdenvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1420,- (zegge:

veertienhonderdentwintig gulden) te betalen door de Staat der Nederlanden aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 13 december 1999, door mr. E.H. de Jong-van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, griffier.

Afschrift verzonden op: 16 december 1999

Conc.: JW

Coll:

Bp: -

D: B