Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6228

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/3616
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/3616 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1962, bezit de Marokkaanse nationaliteit.

Hij verblijft sedert 4 januari 1993 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op onbekende datum heeft eiser zich bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland gemeld met het verzoek om in aanmerking te komen

voor een (verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende) vergunning tot verblijf. Eiser heeft op 16 januari 1996 een daartoe strekkende aanvraag ingediend. Bij besluit van 28 mei 1998 heeft verweerder op deze aanvraag

afwijzend beslist.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 15 juni 1998, aangevuld bij brieven van 5 oktober 1998,

12 november 1998, 17 november 1998 en 9 februari 1999. Dit bezwaar is bij besluit van 23 maart 1999 (kennelijk) ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank bij beroepschrift van 8 april 1999, aangevuld bij brief van 11 mei 1999. In beroep heeft eiser de rechtbank verzocht het bestreden besluit te vernietigen

en eiser alsnog een vergunning tot verblijf te verlenen dan wel te bepalen dat verweerder opnieuw dient beslissen. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 29 juni 1999 zijn de op de zaak

betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 17 november 1999 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij

schrijven van 3 december 1999.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 1999.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door A.C.M. Nederveen, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. M. van den Berg, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst

van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de

volgende feiten. Eiser is op 3 augustus 1992 gehuwd met C.

Eiser is op 7 januari 1993 in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij Marokkaanse echtgenote". Het huwelijk is feitelijk ontwricht op 29 maart 1995.

Uit de stukken blijkt dat eiser en C op respectievelijk 14 juni 1995 en 18 juli 1995 hieromtrent zijn gehoord door de Vreemdelingendienst. De processen-verbaal terzake zijn opgemaakt op 16 januari 1996. Voorts bevindt zich in het

dossier een advies van de Vreemdelingendienst, gedateerd 16 januari 1996, waarin wordt geadviseerd de aan eiser verleende vergunning in te trekken. In dit advies wordt verwezen naar de processen-verbaal, de stukken over de

echtscheidingsprocedure en een werkgeversverklaring van eisers werkgever Motel "D" te E van 16 juni 1995.

In het besluit in primo staat vermeld dat eiser op 16 januari 1996 onderhavige aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf heeft ingediend.

Bij brief van 10 november 1998 heeft verweerder medegedeeld dat eiser de behandeling van zijn bezwaar niet in Nederland mocht afwachten en dat hij Nederland binnen twee weken moest verlaten.

Eiser heeft op 12 november 1998 een nieuwe aanvraag ingediend met als doel: "verblijf bij Nederlandse partner". Deze aanvraag heeft eiser op 7 december 1998 telefonisch ingetrokken, nadat dit door de Vreemdelingendienst was

geadviseerd. In beroep heeft eiser een uitnodiging van de Vreemdelingendienst B van 4 april 1995 overgelegd, waaruit blijkt dat eiser is opgeroepen om te verschijnen op 12 april 1995 en waarbij is aangegeven dat de afspraak van 10

april 1995 hiermee vervalt.

3. Eiser meent dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe heeft eiser in bezwaar het volgende aangevoerd. Verweerder baseert de weigering van de

vergunning tot verblijf ten onrechte op de noodzaak van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. In dit verband verwijst eiser naar een verslag van de Europese Commissie (MR 1996, nummer 7/8, pag. 179). Gezien de aard en

bevindingen van de Commissie, dient dit rapport gevolgen te hebben voor het huidige gevoerde en inmiddels onredelijk te achten toelatingsbeleid. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij in Nederland is geïntegreerd en dat van hem niet

kan worden gevergd dat hij terugkeert naar Marokko.

In bezwaar verwijst eiser naar een door hem op 5 oktober 1998 ingediende nieuwe aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij Nederlandse partner F".

Eiser heeft verweerder bij brief van 9 februari 1999 verzocht deze nieuwe omstandigheid bij de beoordeling van het bezwaar te betrekken.

In beroep heeft eiser het volgende -samengevat- aangevoerd. Verweerder stelt in het bestreden besluit ten onrechte dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Eiser heeft immers uitgebreid bezwaar gemaakt. Eiser

verblijft langdurig in Nederland en is in die periode meerdere jaren in het bezit geweest van een geldige verblijfstitel. In het kader van een zorgvuldig te nemen besluit, had verweerder eiser moeten horen. Eiser benadrukt dat hij

inmiddels langdurig samenwoont met zijn Nederlandse partner/aanstaande echtgenote. Voorts wijst eiser er op dat hij in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid. In dit verband verwijst eiser

naar een uitnodiging van de Vreemdelingendienst B van 4 april 1995 om te verschijnen in verband met de verhuizing van eiser van G naar het adres van zijn schoonvader in B. Wegens verhindering heeft het gesprek pas op 14 juni 1995

plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Eiser meent dat de aanvraagdatum om voortgezet verblijf eerder heeft plaatsgevonden dan 16 januari 1996, namelijk op 14 juni 1995.

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat het relevante tijdsverloop in het kader van de driejarentermijn op 10 april 1995 is aangevangen. Uit de uitnodiging van de Vreemdelingendienst van 4 april 1995 blijkt immers

dat de eerste afspraak op 10 april 1995 was gepland maar dat deze is verzet. Bij het uiteindelijke gesprek met de Vreemdelingendienst op 14 juni 1995 heeft eiser juridisch relevante feiten aan de orde gesteld, waaruit verweerder had

moeten afleiden dat eiser voortgezet verblijf wenste.

Uit het dossier blijkt dat een ambtenaar van de Vreemdelingendienst pas in januari 1996 in staat was om eisers dossier ter hand te nemen. Het model aanvraag voortgezet verblijf is vervolgens door eiser ondertekend en zo is de datum

16 januari 1996 als aanvraagdatum ontstaan. Eisers vergunning tot verblijf bij echtgenote is niet ingetrokken, maar is wel van rechtswege vervallen nadat het huwelijk feitelijk was verbroken.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt tegengeworpen dat geen tewerkstellingsvergunning is aangevraagd.

Eiser meent dat in dit geval geen tewerkstellingsvergunning hoefde te worden aangevraagd.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor voortgezet verblijf na verbreking huwelijk, nu het huwelijk tussen eiser en zijn ex-echtgenote minder dan drie jaar heeft geduurd.

Eiser komt evenmin op grond van enige andere beleidsregel van verweerder in aanmerking voor een vergunning tot verblijf. In bezwaar heeft eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere beslissing zouden

moeten leiden. Aangezien eiser bij brief van 5 oktober 1998 heeft aangegeven dat thans verblijf wordt beoogd bij Nederlandse partner F, is het belang aan de onderhavige

aanvraag ontvallen. Eiser is niet gehoord omtrent zijn bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en derhalve op grond van artikel 7:3 Awb van het horen kon worden afgezien.

Ter zitting heeft verweerder nog het volgende naar voren gebracht. De stellingen van eiser omtrent de tewerkstellingsvergunning zijn tardief, namelijk eerst ter zitting, naar voren gebracht, zodat de rechtbank hieraan voorbij dient

te gaan. Voorts meent verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid, nu er geen sprake is van drie jaar relevant tijdsverloop. Eisers stelling dat uitgegaan dient te

worden van de datum 10 april 1995 of 14 juni 1995 onderschrijft verweerder niet omdat niet is gebleken dat eiser op deze data een aanvraag heeft ingediend. Eiser is slechts opgeroepen naar aanleiding van een verhuizing naar een

andere gemeente. Zelfs al zou uitgegaan worden van (een van) deze data, dan wordt evenmin voldaan aan de voorwaarden van het driejarenbeleid omdat eiser tot 18 december 1995 in het bezit was van een vergunning tot verblijf bij

echtgenote. Deze periode van rechtmatig verblijf telt ingevolge het driejarenbeleid niet mee in de berekening van het relevante tijdsverloop. Anders dan eiser stelt, is zijn vergunning tot verblijf bij echtgenote niet van rechtswege

vervallen. Een dergelijke vergunning kan alleen worden ingetrokken en verschilt in dit opzicht van de vroegere 10 lid 2 Vw-status, die van rechtswege verviel bij verbreking van het huwelijk.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

7. Ingevolge het terzake door verweerder gevoerde beleid, neergelegd in hoofdstuk B1/2 Vc 1994, kan een vreemdeling, die wegens huwelijk met een partner in het bezit is geweest van een afhankelijke verblijfstitel,

onder bepaalde omstandigheden, na de ontbinding of ontwrichting van het huwelijk, in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfstitel.

Daarvoor is in elk geval vereist dat het huwelijk voor de ontbinding of ontwrichting ten minste drie jaar heeft bestaan, waarvan ten minste één jaar direct voorafgaande aan de ontbinding of ontwrichting tijdens een op grond van

artikel 9 of 10 Vw toegestaan verblijf hier te lande.

8. De rechtbank stelt vast dat het huwelijk tussen eiser en C geen drie jaar heeft geduurd, nu het huwelijk feitelijk is verbroken op 29 maart 1995. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor een vergunning tot verblijf na

verbreking huwelijk.

9. Verweerder heeft in het besluit in primo gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst. Daarbij heeft verweerder overwogen dat voorzover moet worden

aangenomen dat eiser arbeid in loondienst verricht, hieruit niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat met het verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend en dat niet is gebleken dat ten behoeve

van eiser een tewerkstellingsvergunning is aangevraagd, dan wel verleend. Voorts is in het besluit in primo gesteld dat het feit dat eiser ten tijde van het verlies van de afhankelijke verblijfstitel over een arbeidsplaats

beschikte, niet zonder meer betekent dat aan eiser voortgezette toelating zou moeten worden verleend.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep geen grieven heeft ontwikkeld tegen de hiervoor weergegeven gronden waarop verweerder de gevraagde vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst niet heeft

ingewilligd. De rechtbank is van oordeel dat de beginselen van een goede procesorde zich er tegen verzetten dat de terzake eerst ter zitting opgeworpen grieven bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken. Aan

eisers stellingen dienaangaande wordt dan ook voorbij gegaan.

11. Voorts overweegt de rechtbank dat in het bestreden besluit niet is ingegaan op de vraag of in dit geval klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig zijn die tot toelating van eiser nopen. De rechtbank kan zich in dit verband

niet verenigen met de overweging in het bestreden besluit dat in het bezwaarschrift geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd en ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot een andersluidende

beslissing behoren te leiden.

Eiser heeft immers in de bezwaarfase bij brieven van 17 november 1998, 4 januari 1999, 2 februari 1999 en 9 februari 1999 aandacht gevraagd voor zijn zaak en daarbij, onder verwijzing naar een werkgeversverklaring, gewezen op zijn

langdurig dienstverband bij werkgever Motel "D" te E en op zijn relatie met zijn Nederlandse partner F.

In zijn brieven heeft eiser ook herhaaldelijk benadrukt ermee op de de hoogte te zijn dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van het partnerbeleid, nu zijn partner niet voldoet aan het middelenvereiste en dat hij om die reden

verzoekt in zijn geval een uitzondering te maken zodat hij zijn partner kan onderhouden zodat zij geen beroep meer hoeft te doen op de algemene middelen.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank de weergegeven summiere overweging van verweerder niet worden aangemerkt als een draagkrachtige motivering van het bestreden besluit.

12. Het bestreden besluit dient reeds om deze reden wegens strijd met artikel 7:12 lid 1 Awb te worden vernietigd. Het beroep is mitsdien gegrond.

13. Met betrekking tot eisers beroep op het driejarenbeleid overweegt de rechtbank het volgende.

14. Ingevolge het door verweerder gevoerde beleid heeft een vreemdeling onder bepaalde voorwaarden aanspraak op een vergunning tot verblijf indien de procedure rond de door hem ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning drie

jaar of langer heeft geduurd. In hoofdstuk A4/6.22.2 van de Vc 1994 worden in dit verband de volgende cumulatieve

voorwaarden opgesomd:

1. Er zijn ten minste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijke beoogde

verblijfsdoel nog steeds van toepassing is; én 2. de uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege gebleven; dat wil zeggen om een reden die verband houdt met het verblijfsdoel; én 3. er is geen sprake van contra-indicaties.

In de toelichting ten aanzien van de eerste voorwaarde staat onder meer dat indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel (...), die periode niet meetelt in de opbouw

van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Het relevante tijdsverloop wordt pas hervat en telt derhalve weer mee bij intrekking dan wel niet verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfstitel.

De periode dat een vreemdeling in het bezit is geweest van een Ontheemdendocument in de zin van de Ontheemdenregeling of van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) wordt evenmin meegeteld als relevant tijdsverloop. Ook

hier geldt dat in beginsel het relevante tijdsverloop pas weer kan gaan lopen bij de intrekking van het Ontheemdendocument of intrekking of niet verlenging van de geldigheidsduur van de vvtv voor zover de oorspronkelijke procedure

dan nog loopt.

16. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit niet heeft uitgelaten over de vraag of eiser in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid. In de bezwaarprocedure dient

een heroverweging plaats te vinden waarbij verweerder dient te beoordelen of het besluit in primo vanuit een oogpunt van rechtmatigheid, doelmatigheid en beleidsmatigheid juist is.

Verweerder kan bij deze beoordeling niet volstaan met een onderzoek naar de gegrondheid van hetgeen in bezwaar is aangevoerd, maar zal tevens moeten bezien of er ambtshalve aanleiding is het besluit in primo te herzien. Naar het

oordeel van de rechtbank volgt uit de aard van het driejarenbeleid, op grond waarvan een vergunning tot verblijf wordt verleend wegens tijdsverloop gedurende welke de vreemdeling in onzekerheid verkeert, dat eiser hierop in bezwaar

geen expliciet beroep heeft hoeven doen. Op deze grond dient het bestreden besluit eveneens, wegens strijd met artikel 7:11 Awb, te worden vernietigd. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser -thans- geen

aanspraak op toelating op grond van het driejarenbeleid heeft, aangezien er geen sprake is van drie jaar relevant tijdsverloop. De rechtbank kan deze mening voorshands niet delen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

17.1 De Rechtseenheidskamer vreemdelingenzaken van deze rechtbank (REK) heeft in haar uitspraak van 18 juni 1998 (JV 1998, 133) onder meer overwogen dat voor de berekening van het relevante tijdsverloop in het driejarenbeleid als

eerste dag geldt de dag van indiening van de aanvraag. Er bestaat, zo heeft verweerder in de aan de REK voorgelegde zaak naar voren gebracht, aanleiding om hiervan af te wijken, indien blijkt dat de vreemdeling zich daarvoor reeds

heeft gemeld met de kennelijke bedoeling toelating tot Nederland te verkrijgen.

17.2 Verweerder heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom medio 1995 niet als startdatum kan gelden voor de berekening van het relevante tijdsverloop. Wanneer inderdaad de schriftelijke aanvraag van 16 januari 1996 is gebaseerd op

het gesprek dat eiser medio 1995 met de Vreemdelingendienst heeft gehad -de rechtbank kan aan de hand van het dossier niet adequaat beoordelen of deze stelling van eiser juist is- valt niet in te zien waarom als begindatum eerst 16

januari 1996 is genomen en niet de datum waarop eiser te kennen zou hebben gegeven toelating te willen verkrijgen. Voor zover de aanvraag niet op bedoeld gesprek is gebaseerd, is niet zonder meer in te zien waarom, gelet op de

mededeling van eiser in het gesprek met de Vreemdelingendienst, inhoudende dat hij Nederland niet wil verlaten en dat hij, ingeval verweerder besluit dat hij Nederland toch moet verlaten, daartegen in beroep zal komen, er geen

aanleiding is af te wijken van de hierboven weergegeven regel dat de dag van indiening van de aanvraag als eerste dag geldt voor de berekening van het relevante tijdsverloop.

17.3 Ten aanzien van verweerders ter zitting naar voren gebrachte stelling, dat eiser tot 18 december 1995 in het bezit is geweest van een vergunning tot verblijf bij Marokkaanse echtgenote en dat deze periode van legaal verblijf

niet meetelt bij de berekening van het relevante tijdsverloop, overweegt de rechtbank het volgende.

17.4 Op grond van artikel 63 Vreemdelingenbesluit is een vreemdeling, die houder is van een vergunning tot verblijf welke onder beperking is verleend, verplicht indien het doel waarvoor hun verblijf is toegestaan is komen te

vervallen, daarvan onverwijld mededeling te doen aan de korpschef van de gemeente waar de vreemdeling verblijft. Ingevolge verweerders beleid, neergelegd in hoofdstuk B1/2.2 Vc 1994, dient het verblijf in dergelijke gevallen te

worden beëindigd door intrekking van de vergunning tot verblijf.

17.5 Uit het dossier blijkt niet, afgezien van de enkele vermelding in het besluit in primo, dat eisers vergunning tot verblijf bij Marokkaanse echtgenote nog geldig was tot 18 december 1995. Uit het dossier blijkt daarentegen wél

dat de vreemdelingendienst, nadat eiser en zijn echtgenote op respectievelijk 14 juni 1995 en 18 juli 1995 zijn gehoord omtrent de verbreking van hun huwelijk, aan verweerder heeft geadviseerd de verblijfsvergunning van eiser voor

verblijf bij echtgenote in te trekken. Uit het proces-verbaal van het gesprek met eiser op 14 juni 1995 valt af te leiden dat, nadat eiser had verklaard dat hij en zijn echtgenote elkaar omstreeks 29 maart 1995 hadden verlaten, aan

de orde is geweest dat verweerder zou besluiten dat eiser Nederland zou moeten verlaten.

17.6 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere motivering niet kan worden volgehouden dat de periode waarin eiser nog -zoals door verweerder gesteld- in het bezit was een vergunning tot verblijf voor

verblijf bij echtgenote in dit geval niet meetelt bij het vaststellen van de duur van de periode dat hij in onzekerheid heeft verkeerd. De immers ingevolge verweerders eigen beleid ten onrechte niet ingetrokken vergunning tot

verblijf kon ieder moment worden ingetrokken, welk voornemen ook voor eiser bekend was.

18. Het beroep is derhalve gegrond. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak.

19. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

20. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 lid 1 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge:

tweehonderdvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op

29 december 1999, door mr. H.P.M. Meskers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.R.P.J. Davids, griffier.

Afschrift verzonden op: 20 januari 2000

Conc:AD

Coll:

Bp:-

D:B

bwst 281295