Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:1999:AA6175

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/3927, 99/3928, 99/3929
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 1999-06-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

enkelvoudige kamer voor Vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:84 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/3927 VRWET H (voorlopige voorziening)

AWB 99/3928 VRWET H (beroepszaak)

AWB 99/3929 VRWET H (vrijheidsontneming)

inzake: A, geboren op [...] 1969,

van Iraanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr C.E. Stassen-Buijs, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr J.A.C Verbeek, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 24 mei 1999.

Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure en behelst de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens

klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is beslist.

1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 22 mei 1999 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 2 juni 1999. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting gehoord.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde

spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 24 uur.

Deze procedure leent zich slechts voor die asielverzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist.

2.3 Naar het oordeel van de president is in het onderhavige geval van een zodanig asielverzoek geen sprake.

Daartoe is het volgende overwogen.

2.4 Uit wordt gegaan van de volgende -samengevatte- feiten en omstandigheden zoals die door verzoeker naar voren zijn gebracht en door verweerder niet zijn betwist.

Verzoeker is rond 21 november 1996, tijdens een bijeenkomst van de Islamitische studentenvereniging op de universiteit van Teheran, opgepakt vanwege het stellen van kritische vragen over het religieus leiderschap

in Iran. Verzoeker vermoedt gearresteerd te zijn door leden van het Ministerie van Informatie en Veiligheid. Na drie dagen detentie is verzoeker vrijgelaten. In 1997 is verzoeker afgestudeerd als ingenieur aan de universiteit van

Teheran, alwaar hij nadien gebruik bleef maken van de faciliteiten aldaar, zoals de bibliotheek. Rond 21 april 1997 is verzoeker tijdens een bijeenkomst van de islamitische vereniging in elkaar geslagen omdat hij het woord genomen

had om de deskundigheid van een spreker in twijfel te trekken. Bij thuiskomst werd verzoeker opnieuw gearresteerd door vermoedelijk - wederom - leden van het Ministerie van Informatie en Veiligheid. Hij werd ondervraagd, onder meer

over zijn vermeende contacten met de Mujaheddin. Na een week te zijn vastgehouden, en mishandeld, werd verzoeker weer zonder voorwaarden vrijgelaten. Vanaf 26 mei 1997 heeft verzoeker drie dagen in Dubai verbleven. Op 23 juli 1998

is verzoeker om hem onbekende redenen voor de derde keer gearresteerd en na een dag weer vrijgelaten. Rond 2 oktober 1998 nam verzoeker deel aan een bijeenkomst, waarbij over het boek van Salman Rushdie werd gesproken. Naar

aanleiding van het stellen van kritische vragen is hij opnieuw gearresteerd. Hij is een maand edetineerd waarbij hij is gemarteld en met executie is bedreigd. Bij geen van de vier detenties is een vorm van proces voorafgegaan en is

verzoeker zonder voorwaarden weer in vrijheid gesteld. Alleen bij de laatste detentie is verzoeker expliciet verteld dat hij door leden van het Ministerie van Informatie en Veiligheid werd vastgehouden. Nadat verzoeker begin

november 1998 in vrijheid is gesteld heeft hij van zijn moeder gehoord dat rond 11 november 1998 een persoon in burger bij haar navraag naar hem heeft gedaan. Hierop heeft verzoeker Teheran verlaten en is hij ondergedoken in een

zomerhuisje van zijn tante in Alamdeh.

Verzoeker heeft Iran op 28 mei 1999 via de luchthaven van Teheran verlaten met gebruikmaking van zijn eigen paspoort met daarin een vervalst Duits visum.

De president is voorts ambtshalve bekend met het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 december 1998 (DPC/AM 568755) en, naar aanleiding daarvan, de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 22 januari 1999

gericht aan de Tweede Kamer. De conclusie van het ambtsbericht, overgenomen door de Staatssecretaris van Justitie in genoemde brief, luidt dat alhoewel in Iran positieve ontwikkelingen zijn te ontdekken, niettemin groeperingen of

personen die gezien worden als een (potentiële) bedreiging voor de naar islamitische waarden en normen ingerichte Iraanse samenleving, gevaar lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Dit risico betreft met name

intellectuelen, zoals journalisten, uitgevers en schrijvers.

2.5 De president stelt voorop het asielrelaas van verzoeker in de kern daarvan duidelijk en consistent te achten. Dat relaas duidt er, anders dan verweerder klaarblijkelijk meent, wel degelijk op dat verzoeker in de negatieve

belangstelling van de Iraanse autoriteiten is komen te staan.

Verzoeker heeft zich bij meerdere gelegenheden kritisch uitgelaten over het religieus leiderschap in Iran en is in verband daarmee opgepakt, (in oplopende duur) in detentie gehouden en tijdens zijn detentie verhoord en mishandeld.

Deze bejegening sluit aan bij de ontwikkelingen geschetst in voornoemd ambtsbericht in de periode hier van belang. In het licht daarvan is niet op voorhand uit te sluiten dat verzoeker in Iran als potentiële bedreiging van de op

islamitische waarden en normen gebaseerde samenleving wordt gezien. Dat verzoeker niet behoort tot de in het ambtsbericht met name genoemde groepen van intellectuelen doet daar niet aan af, nu die groepen slechts bij wijze van

voorbeeld zijn genoemd en het, gelet op hetgeen ook overigens in het ambtsbericht is vermeld, zeer wel denkbaar is dat (ex)-studenten en afgestudeerden zoals eiser ook tot de intellectuelen worden gerekend.

2.7 Hoewel het asielrelaas van verzoeker, naar verweerder kan worden toegegeven, op onderdelen zeker vragen oproept, waaronder de wijze van uitreis en de juistheid van de stellingen met betrekking tot de mogelijkheid om door middel

van omkoping via de luchthaven van Teheran het land te verlaten, heeft verweerder, gegeven het vorenstaande, niet zonder daartoe nader onderzoek te verrichten, kunnen komen tot de thans in de bestreden beschikking

neergelegdestellige conclusie dat verzoekers aanvraag kennelijk ongegrond is. Deze conclusie is te minder houdbaar nu verweerder op andere, essentiële, onderdelen van verzoekers relaas nauwelijks heeft doorgevraagd, zoals zijn

laatste detentie en de hem toegedichte betrokkenheid bij de Mujaheddin. Ter zitting is door verzoeker nogmaals benadrukt dat hij verondersteld werd banden te hebben met de Mudjaheddin. In verband daarmee is hij tijdens zijn laatste

detentie met de dood bedreigd. Voorts is ter zitting aangegeven dat verzoekers zus en twee neven in Duitsland lid zijn van de Mudjaheddin, dat zijn oom vanwege het Mudjaheddin-lidmaatschap is geëxecuteerd, en twee neven vanwege

verdenking van lidmaatschap van de Mudjaheddin zijn geëxecuteerd. Verweerders standpunt dat verzoeker hieromtrent niets eerder heeft verklaard, terwijl van iemand met verzoekers' opleiding verwacht mag worden dat hij wist dat dit

van belang zou kunnen zijn voor zijn aanvraag, kan geen stand houden. Verweerder is immers niet (dieper) ingegaan op de motieven voor de gevangenname van verzoeker terwijl hiervoor wel voldoende aanknopingspunten aanwezig waren.

Verzoeker heeft immers duidelijk aangegeven dat hij vanwege zijn kritische stellingname gevangen is genomen en voorts dat zijn zus en twee neven in Duitsland een A-status hebben. Op beide punten is verweerder niet ingegaan. Daar was

naar het oordeel van de president alle aanleiding toe, mede gelet op hetgeen in de laatste ambtsberichten is vermeld over de positie van familieleden van politieke opposanten.

Dat verzoeker telkens zonder voorwaarden uit zijn detentie is vrijgelaten doet aan het vorenstaande niet af. Die omstandigheid heeft immers niet verhinderd dat verzoeker zonder enige concrete aanleiding is opgepakt en gedurende een

dag is vastgehouden. Evenmin kan er aan voorbij gegaan worden dat verzoeker kennelijk nog althans weer wordt gezocht, gelet op hetgeen hij daarover in het nader gehoor heeft verklaard en ter zitting heeft aangevuld met de mededeling

dat zijn ouderlijk huis diverse malen door onbekende personen is bezocht en inmiddels ook een schriftelijk stuk voor hem is bezorgd.

2.8 Het vorenstaande leidt de president tot het oordeel dat, niettegenstaande het gegeven dat het asielrelaas van verzoeker op onderdelen vragen oproept, daaraan onvoldoende gewicht toekomt om de conclusie te rechtvaardigen dat

sprake is van een asielverzoek dat zonder tijdrovend onderzoek als kennelijk ongegrond binnen het AC-model kan worden afgedaan.

2.9 Bij de stand van zaken als hiervoor weergegeven kan derhalve in redelijkheid niet anders gelden dan dat binnen het voor de aanmeldcentra geldende tijdsbestek geen zorgvuldige voorbereiding van de bestreden beschikking heeft

plaatsgevonden en dat de bestreden beschikking een draagkrachtige motivering ontbeert. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen is kan voorts in casu niet anders gelden dan dat de zaak niet van een gehalte was als hiervoor bedoeld in

2.2. Hieruit moet worden afgeleid, dat het beroepschrift reeds hierom tot vernietiging van de bestreden beschikking zal leiden. Hetgeen door verzoeker overigens is aangevoerd behoeft thans dan ook geen bespreking en kan verweerder

betrekken in zijn nadere besluitvorming.

2.10 Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook gegrond worden verklaard. Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.11 Gelet op voormelde gegrondverklaring van het beroep is echter de

grond voor de voortgezette toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel komen te ontbreken. Het beroep tegen de voortduring van de maatregel na de beslissing op de aanvraag is derhalve gegrond.

2.12 Nu de toepassing van de maatregel vanaf 24 mei 1999 onrechtmatig is geweest, wordt, gelet op het in het Grenshospitium geldende regime, een schadevergoeding toegekend van f 100,-- per dag over tien dagen en wordt, gelet op het

in het Passantenverblijf Triport geldende regime een schade vergoeding toegekend van f 150,-- per dag over één dag.

2.13 Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten.

2.14 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het zowel voor de hoofdzaak als voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht

ad telkens f 50,-- zal vergoeden.

3. BESLISSING

De fungerend president:

3.1 verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beschikking van 24 mei 1999;

3.2 draagt verweerder op een nieuwe beschikking te nemen op de aanvraag van 22 mei 1999;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad tweemaal f 50,--.

De rechtbank:

3.6 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van de vreemdeling met ingang van 3 juni 1999;

3.7 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding toe;

3.8 kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat (Ministerie van Justitie) een vergoeding toe van f 1150,-- (zegge: elfhonderdvijftig gulden), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

3.9 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 710,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon, die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr H.C. Greeuw, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van mr S.C.A. Neher als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 1999, in

tegenwoordigheid van de griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van f 1150,-- (zegge: elfhonderdvijftig gulden).

Aldus gedaan op 3 juni 1999, door mr H.C. Greeuw, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

afschrift verzonden op: 3 juni 1999

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.